Terwijl ik op mijn eigen knullige manier voor de ingang van C&A stond te sms-en posteerde zich voor mijn neus een muziekbandje. Een viertal heren, al wat op leeftijd, met een Balkan-uiterlijk en onder meer gekleed in klarinet, trompet, accordeon en contrabas. De haveloze bas deed vermoeden dat hier voor tientallen jaren aan muziekervaring stond. Ze vouwden een oude gitaarhoes tot een mandje, legden er zelf wat kleingeld in (kennelijk een oude straatmuzikantenwijsheid) en na kort overleg staken ze van wal.
Vanaf de eerste tonen was het zonneklaar dat die lui er wat van
konden en wat ze speelden was aanstekelijk. Een beetje balkan, een beetje
klezmer en zelfs een vleugje zigeuner klonk erin door, hoewel de viool ontbrak.
Ze speelden geconcentreerd maar tegelijk met de nodige souplesse. Nu en dan
wierpen ze een blik naar elkaar, je zag dat ze er plezier in hadden. Vooral
de klarinetspeler had het hoogste woord, een merel had hem op lenigheid niet
kunnen verslaan. Een enkele passant bleef staan, de meesten liepen door. Na een
paar minuten passeerden een armoedig uitziend jongen en meisje, vermoedelijk Engelsen. Ze begonnen spontaan te dansen, gaven elkaar na het dansje een kus en liepen heupwiegend verder. Ze gaven geen geld, dat was wel weer jammer. Sowieso
niemand gaf geld. Een Japanse vrouw met veel te grote zonnebril liep stoïcijns
door alsof het Jordaanse draaiorgelterreur betrof.
Intussen had zich tien meter verderop, aan de andere zijde van de ingang, nog een straat‘artiest’ genesteld. Met opzet plaats ik het woord artiest tussen aanhalingstekens, want in dit geval betrof het zo’n figuur die zich als standbeeld presenteerde, de niksnutten onder de artiesten zeg maar, nog erger dan een feboduif. Alleen al op de Dam tweehonderd meter verderop stonden er zeven, de een in wolvenpak, twee anderen in apenpakken, weer een ander in Freddie Kruger-outfit. Ik weet niet waar ze vandaan komen, volgens mij is het georganiseerde misdaad. Vroeger schminkte iemand zich nog wel eens tot een stenen standbeeld en ging dan zo lang mogelijk volkomen roerloos staan. Dat is er allemaal niet meer bij, te moeilijk, teveel gedoe. Het is nu als die Hans Theeuwen-imitatie: Lalala, Geld! Ook deze flapdrol had zo’n rubber Freddie Kruger-masker opgezet en een plastic bijltje, precies als zijn collega op de Dam, zelfs origineel zijn is er niet meer bij. Hij had zijn plekkie strategisch uitgekozen, meeliftend op een eventuele toeloop en onderwijl meegenietend van de muziek.
Toen hoorde ik plots een doffe knal. Het orkestje viel stil, men keek elkaar vragend aan. Een snaar gebroken? Nee erger nog: een of andere houten klos was van de contrabas gesprongen, en de klos zelf was in tweeën gebroken. Er liep een flinke striem over de hand van de speler al sloeg hij daar zelf geen acht op. Vier sippe gezichten schaarden zich om de contrabas. Ze overlegden even, maar het leek erop dat ze gingen opbreken. Gedurende de tijd dat zij speelden had niemand ook maar een cent gedoneerd. Intussen was onze standbeeldvriend al drie keer op de foto geweest en had daar een aardig centje voor ontvangen. Tja.





