zo ken ik je weer, rommelend met krieltjes
kraaienpootjes naast je sombere oren.
snor in levendige kleuren grijs
haartjes snuifnat uit je te grote neus.
je bent me er eentje, altijd al geweest
weet je nog, het was gisteren
we woonden nog samen in
dat grote huis met die tuin vol regen
en drenzende piekerplanten.
je voelde niets meer, zei jij
ik keek je aan, claimde een portie verdriet.
nu kook je krieltjes met spekjes
in dat kobaltblauwe schort, droevig buikje
alles lijkt weer wonderwel op
de tijd van levendige snorren
kletsnatte haren.
kom, we gaan naar boven en strijken
ons leven weer glad
en voor wie het wil horen:
we eten wat later vandaag.
Cilja Zuyderwyk









