Wachtwoord vergeten Registreren
Zoeken
uitgebreid zoeken

Upload

Literair werk uploaden

Reageren

Reageren en commentaar geven op dit literair werk? Favoriet maken of alle commentaren, reacties en wijzigingen automatisch volgen?

Log dan in.
Zien welk commentaar al gegeven is? Klik dan op 'Toon commentaarvlaggen'

Toon commentaarvlaggen

Voor een zak bruine bonen

Kort verhaal
profielfoto
18 feb 2016
9 reacties
780 keer gelezen
4.5
Copyrightkeuze:
Volledig copyright

Werk is leesbaar voor:
iedereen

Het geluid van een rupsvoertuig. Ver weg, maar het komt dichterbij. Wat kan ik doen? Ze mogen me niet te pakken krijgen. Dan is alle moeite voor niks geweest. Ik moet me ergens verstoppen, maar mijn lijf reageert niet. Verlamd door angst. Het verre geratel verandert in een aanzwellende roffel. Ik fiets als een gek. Alsof de duvel me op de hielen zit. Ik moet naar huis. Naar huis. Naar huis. Ze wachten op me. Ze hebben honger. Hoe lang houd ik dit nog vol? Het is niet eerlijk. Een stalen gevaarte tegen een jochie op een gammele fiets. Ik kan niet harder. Een voorband van hout, en achter anti-plof. Een reep autoband. Ze zitten nu dicht achter me. Ik durf niet om te kijken. Ik kan niet harder. Ik kan niet meer. Nog één keer zet ik aan. Ik kom moeder. Ik kom.

En dan gebeurt waar ik steeds bang voor was. Onze groenteboer had er voor gewaarschuwd. We mochten zijn fiets lenen. Maar erg stevig was ie niet. Denk er om Cor, het is geen racefiets. Niet te wild mee doen. Te laat. Pang. De velg van het voorwiel breekt. Het volgende moment vlieg ik over het stuur. Met een klap kom ik op de straat terecht. En dan schrik ik wakker.

Angstdruppeltjes op mijn voorhoofd? Gek. Het is stervenskoud. Waar ben ik? Mijn ogen zitten dichtgeplakt. Is het ijs? Zijn ze ontstoken? Ik pak een ooglid en trek het heel voorzichtig open. Ik moet voorkomen dat ik het vlees inscheur. Het ene oog doet weinig. Alsof er een ondoorzichtig vlies overheen ligt. Alles is vaag en het is donker. Dan het andere oog. Het duurt even voor ik aan de duisternis ben gewend. Langzaam maken de nachtmerriebeelden plaats voor een vreemde werkelijkheid.

Ik lig in een greppel langs de weg van Apeldoorn naar Amersfoort. Hier ben ik gisterenavond gestrand. Met mijn zak met meel en mijn zak met bruine bonen en mijn flesje raapolie. Mijn nachtmerrie klopte. Hier was ik door mijn voorwiel gezakt. En van die groenteboer klopte ook. Waar ik precies ben, weet ik niet. Een stuk onder Apeldoorn. Ik herinner me een bordje Nieuw Milligen. Ik kon niet verder. Het was aardedonker en het was bitterkoud. Mijn vader had me gewaarschuwd: met dit weer niet buiten slapen, jongen. Zoek een beschutte slaapplek. Je vriest dood en je zou de eerste niet zijn. Tot nu toe was het steeds gelukt, maar nu had ik een probleem. Ik zat middenin de bossen, geen huis te bekennen, laat staan een boerderij. Alles donker, alles verduisterd. Ik had willen doorrijden tot Garderen en daar onderdak vragen. Wat moest ik nu? Lopen en de fiets en het voedsel achterlaten? Of toch maar buiten overnachten en morgen bij licht zien wat de mogelijkheden waren. Er kwamen overdag genoeg zielepoten langs die net als ik in Overijssel voedsel hadden gezocht. Er zou vast wel iemand voorbij komen die me zou willen helpen. Een vage hoop die het moest opnemen tegen de vreselijke waarschuwing van mijn vader: je vriest dood, jongen en je zou niet de eerste zijn.

Ik besloot het er op te wagen. Ik zag geen andere oplossing. Ik had een extra wollen onderhemd meegekregen en een lange onderbroek. Een ouwe van mijn vader. Eindeloos gestopt, vooral in het kruis. Met stevig garen. Een soort paktouw dat tijdens het fietsen de uitwerking had van schuurpapier. Lekker warm, dat wel. Dekens had ik niet. Hoe zou ik? Ja lakens, maar die waren in de buurt van Bathmen achtergebleven. Geruild. Ik besloot in de greppel langs de weg te gaan liggen. De greppel lag vol met oud blad. Ik groef met mijn handen een slaapplek en graaide zoveel mogelijk blad bij elkaar dat ik over me heen schoof. Gelukkig had het al een tijdje niet geregend en was het windstil. De zak met meel gebruikte ik als kussen. Kon die ook niet zo maar gejat worden. De zak met bonen legde ik in mijn rug.

Mijn uitgeputte lijf wilde niets anders dan slapen. Mijn waakzame brein wist wat dat betekende. Het werd een eindeloze nacht van wegsukkelen en wakkerschrikken. Met hallucinaties en paniekaanvallen. Blijkbaar heeft de uitputting de ongelijke strijd uiteindelijk toch gewonnen. Het is een wonder dat het geratel me nog heeft gewekt. Ik moet al ver heen zijn geweest. Iets in me werd wakker maar een groot deel van mijn lijf was ik kwijt. Ledematen die het hadden opgegeven om nog langer door te seinen waar ze zich ophielden. Ik moest letterlijk op de tast mezelf weer bij elkaar rapen. Ik heb nu een vreemd gevoel dat de onaangename ratel mijn leven heeft gered.

 

Met de grootste moeite worstel ik mezelf overeind en klauter uit de greppel. Ik mis de fut om het blad van me af te kloppen. Ik begrijp niet waarom de oude man en het meisje zich rotschrikken als ik opduik. Zij hebben me gewekt, met hun handkar. De oude man, met een zware winterjas aan en een soort bontmuts op, heeft de handvatten en duwt. Het meisje, muts, sjaal, jekker, loopt voor de kar, ingespannen als een trekpaard. Zo was ik er onderweg meer tegengekomen. Veel handkarren, maar ook kinderwagens en zelfs kruiwagens. Er staan een paar jute zakken op de kar.

Ik steek mijn hand op, en zeg: ‘Hallo, kan ik met jullie mee?’ De man reageert niet, het meisje kijkt opzij. Holle ogen in een asgrauw gezicht. Uitgeteerd. Er hangen pieken haar voor haar ogen. Om haar voeten zijn doeken gewikkeld. Ik voel me zelf ook niet echt geweldig maar haar verschijning wekt een diep medelijden bij me op. Ik hoor hoe ze hoest. Ze oogt ziek, doodziek. Geen idee hoe oud ze is.

‘Wat mot je?’ roept de man.

Stijf doe ik een paar moeizame passen in zijn richting.

‘Kan ik met jullie mee? Mijn fiets is kaduuk.’ Ik wijs in de richting van de greppel waarin ik het ‘lijk’ heb gedumpt.

‘Das mijn probleem niet,’ bromt de ouwe. ‘Je hebt twee benen om te lopen. Doe je best.’ Hij pakt de handvatten weer op om verder te gaan.

‘Opa!’

Het is het meisje. De oude man zet de kar weer neer. Zijn argwanende blik gaat heen en weer tussen mij en zijn kleindochter.

‘Waar mot je heen?’

‘Naar Hilversum.’

‘Heb je spullen bij je?’

‘Een zak meel, een zak bruine bonen en een fles raapolie.’

Hij lijkt na te denken.

‘Nou goed dan. Maar dan ga je wel trekken. En die fiets laten we hier.’

‘Natuurlijk,’ zeg ik. Er gloort weer een beetje hoop. Als ik de groenteboer eerlijk vertel wat er met zijn fiets is gebeurd, zal hij het echt wel begrijpen.

‘Dan kun jij uitrusten, Annemiek.’

Ik help het meisje op de kar en zie dat de doeken om haar voeten veranderd zijn in keiharde bloedkorsten. Ze beeft over haar hele lijf. Ik leg mijn meel en bonen op de kar en grijp het touw. En zo gaan we richting Garderen.

 

‘Hoe heet je, jongen?’ zegt de oude man als we een stukje op weg zijn. Het begint een beetje licht te worden.

‘Ik heet Cor, meneer.’

‘Wij moeten naar Amersfoort. Het laatste stukje moet je zelf maar wat verzinnen.’

‘Dat gaat zeker lukken, meneer.’ Amersfoort klinkt bijna als Hilversum.

Vlak voor de afslag Garderen moeten we de weg af. De route wordt geregeld onder vuur genomen door Engelse jachtvliegtuigen.

‘Daar komen Typhoons aan,’ roept de oude man. Vlug, dekking. Samen tillen we Annemiek uit de kar en leggen haar in de greppel. We horen schoten. Verderop. De jagers verdwijnen weer. We zetten de tocht voort. Annemieke hoest niet alleen heel lelijk, ze krijgt ook steeds meer last van haar darmen. Elke keer moet ze van de kar.

‘Zo gaat het niet langer,’ zegt de oude man. ‘We gaan naar Garderen. Annemieke heeft hulp nodig.’

 

Het is intussen middag geworden als we de route naar Voorthuizen weer oppikken. Zonder Annemieke. Ik dacht dat ze een jaar of veertien was, maar ze was al negentien. Via de dominee vonden we in Garderen een gezin dat bereid was haar te verzorgen. Je fiets opgeven is niet leuk, maar je doodzieke kleindochter bij vreemden achterlaten is een drama. De oude man snikte en schudde zijn hoofd. Hij was bang dat dit niet goed zou aflopen, dat kon je zien. Annemieke lag op een soort divan. Toen we vertrokken deed ze even haar ogen open en kwam niet verder dan een nauwelijks zichtbaar glimlachje. Ik kon er niets aan doen, maar toen stond ik ook ineens te janken.

 

Op weg naar Voorthuizen en dan naar Terschuur en Hoevelaken, heb ik met grote tussenpozen zo nu en dan even een gesprekje met de oude man. Ik vertel hem dat ik eigenlijk op weg was gegaan richting Doetinchem. Daar zaten kennissen van kennissen van mijn vader. Maar daar was het erg onrustig. Onderweg waarschuwden ze me voor razzia’s. Ik was wel te jong maar de Duitsers keken niet zo nauw meer. Alle handjes waren welkom. Ik vertel hoe ik uiteindelijk richting Deventer ben uitgeweken. Aanvankelijk hielden de Duitsers iedereen tegen die de Wilhelminabrug over wilden. Maar twee uur later werden we toch doorgelaten. Ik vertel hoe ik, net als alle anderen, maar gewoon ben gaan aanbellen bij boerderijen. Overnachten, dat lukte nog. En een ontbijtje. Maar eten meegeven, ho maar. Ik vertel dat ik boerderijen heb gezien waar gewoon een bord in de tuin stond: onze linnenkast is al vol. Daar hoefde ik dus met mijn pakketje lakens echt niet aan te kloppen. De opbrengst was uiteindelijk matig. Een zakje meel, een zakje bruine bonen en een flesje raapolie. Erg geïnteresseerd in mijn verhalen is de oude man niet. Zo nu en dan haalt hij een klokje tevoorschijn.

‘We moeten nu echt doorlopen als we voor spertijd binnen willen zijn,’ zegt hij zonder enige overtuiging.

Ik knik en doe een vergeefse poging om het tempo te verhogen. Maar hij kan niet sneller. En ik ook niet. We zijn aan het eind van onze krachten.

 

Amersfoort komt geen kilometer te vroeg.

‘Ik weet niet wat jij gaat doen,’ zegt de man, ‘maar ik ga nu naar huis. Ik zal jouw meel en bonen meenemen. Die moet je later maar komen ophalen als je vervoer hebt geregeld.’

Het afscheid is simpel. Hij vertelt me zijn adres en dat is het dan. Terug in Amersfoort, zonder fiets, zonder voedsel. En, niet te vergeten, zonder Annemieke. Ik krijg haar beeld niet uit mijn hoofd.

Amersfoort klinkt als Hilversum, maar als je dat stuk nu op 6 januari 1945, om zes uur ’s avonds, in de bittere kou, moe en uitgehongerd  nog moet lopen, dan is het ineens weer heel ver.

Opnieuw sta ik voor de vraag die me de afgelopen dagen vaker heeft gekweld: hoe nu verder? Dan bedenk ik dat er een goede kennis van mijn vader in Amersfoort woont. Ik ken zijn naam en ik weet ongeveer waar hij woont, omdat we er een keer zijn geweest. Ik herinner me een grote oude toren, een soort kerktoren, en een plein. Hij woonde aan dat plein. Met deze aanwijzingen en met overal vragen, weet ik hem nog te vinden ook. De volgende morgen brengt hij me achterop de fiets naar huis. Het is zondag en mijn ouders zijn net terug uit de kerk. Ik vergeet mijn oudste broer te feliciteren. Die was gisteren jarig. ’s Middags komt onze kennis uit Amersfoort nog een keer terug, nu met het meel en de bonen. De raapolie ontbreekt. Intussen heeft mijn vader, met hangende pootjes, de groenteboer op de hoogte gebracht van het treurige lot van de fiets.

‘Wat zei die?’ vraagt mijn moeder als mijn vader terug is.

‘Er zijn ergere dingen, Gerrit.’

‘O, gelukkig,’ zegt mijn moeder.

Er zijn ergere dingen. Ik denk aan Annemieke.

 

Die avond krijgen we allemaal een halve pannenkoek.

Voor ik ga slapen bid ik voor Annemieke. Hartstochtelijk.

 

Het meel en de bonen zijn na twee weken op.

Reacties

21-08-2017 16:27
Fijne reactie.
Veel dank, Pieter
20-08-2017 23:01
Mooi verhaal, Gerard. De balans tussen kleine alledaagse dingen en het grote drama bevalt mij erg goed. Geschiedenis in termen van bruine bonen. Nergens overheerst het sentiment en daarom is het zo aangrijpend.
23-02-2016 13:14
Dankjewel Annemieke.
21-02-2016 16:39
Beste JP,
Dank voor je reactie. Ik zal naar de tijden kijken. Vlaggetjes zoals altijd met dank aanvaard.
21-02-2016 16:36
Dag Nynke,
Dank voor je positieve reactie.
21-02-2016 15:37
espunt,
ja, mooi verhaal. Wat betreft mag het helemaal in tt.
(enkel vlaggetje)

Groet,
20-02-2016 16:28
Je hebt een mooi verhaal geschreven Gerard. Ik heb het met veel interesse gelezen.
19-02-2016 17:52
@Gerard
De bron is een broer van mijn vader, die zich overigens vrijwel niets meer herinnerde, behalve de kou en een V1 die vlak bij hem insloeg maar niet ontplofte. Ik heb teruggevonden dat er in de buurt van Deventer heel veel V1's zijngelanceerd, vooral richting Antwerpen, dat toen al in handen was van de geallieerden. Die V1's waren niet allemaal bedrijfszeker.

@Tom
Het verhaal verdween niet uit mijn hoofd. Dan komt de kunst om er iets leesbaars van te maken dat in dit geval niet al te ver van de realiteit af mocht staan. Een paar maanden nadat dit zich afspeelde verliet ik de veilige beschutting van mijn moeder. Het kostte nog de nodige moeite om, in spertijd, de huisarts te bereiken. En hoe maak je water warm als er geen brandstof meer is? De schokkende omgeving waarin ik ter wereld kwam leidde ertoe dat ik enige tijd weigerde om met ademhalen te beginnen. Maar dit terzijde.

Dank voor jullie positieve reacties!
18-02-2016 13:42
Alsof je het zelf hebt meegemaakt. Een groot compliment dus!
Deze site wordt mede mogelijk gemaakt door
Volg ons via