Wachtwoord vergeten Registreren
Zoeken
uitgebreid zoeken

Upload

Literair werk uploaden

Reageren

Reageren en commentaar geven op dit literair werk? Favoriet maken of alle commentaren, reacties en wijzigingen automatisch volgen?

Log dan in.
Zien welk commentaar al gegeven is? Klik dan op 'Toon commentaarvlaggen'

Toon commentaarvlaggen

Verf

Kort verhaal
profielfoto
25 jan 2017
4 reacties
311 keer gelezen
0
Toelichting van de auteur bij deze versie:
Dit korte verhaal is een fikse bewerking van mijn eerder inzending 'portieken'. (http://www.literairwerk.nl/werk/portieken)

Copyrightkeuze:
Volledig copyright

Werk is leesbaar voor:
iedereen

Ik leek wel gek. Ik, een volwassen kerel, die midden in de nacht de straat opging met een spuitbus zwarte verf op zak. Elk alternatief was in mijn ogen echter nog waanzinniger: slapeloos in bed liggen, mijn vermoeide ogen pijnigen door te lezen of tv te kijken, of nachtclubs afstruinen om mijn geld te verbrassen aan drank of strippers. En zo maar wandelen zonder iets om handen benadrukte juist de nutteloosheid van mijn nachtelijk waken en misschien zelfs mijn gehele bestaan. Dat kon ik er niet bij hebben. Daarom de verborgen spuitbus. Maar ook was het de puberale kick van het mogelijk betrapt worden. Daar wilde ik echter niet te veel aan denken; te kinderachtig. Ik zag me al zitten: met een zwarte wijsvingernagel, zittend op een koud stoeltje in een te fel verlicht politiebureau, het schaamrood op mijn ongeschoren kaken. Maar zo ver zou ik het niet laten komen. Dat had ik me voorgenomen. Dat kon me gelukkig nog wel iets schelen. Het was niet mijn eerste nachtelijke wandeling. Sinds mijn slapeloosheid - uren woelen in een te groot bed - was ik al handjevol nachten op pad geweest. Ik zou mezelf niet als ervaren beschouwen, daar was ik nog te nerveus voor, maar het was tezijnertijd wel onderdeel geworden van wie ik was. De straten (met daarop het gelige lantaarnlicht) en ik overlapten elkaar, de lucht die lichter leek dan overdag was de lucht die mijn bloed het liefste had en mijn ogen waren inmiddels als kattenogen geworden, stelde ik mij zo voor, want ik wist steeds meer te onderscheiden, ondanks het gebrek aan kleur en de overdaad aan silhouetten.

Met mijn rug tegen een voordeur, stond ik in een portiek en wachtte tot de auto, die ik in een zijstraat stationair had horen draaien, klaar om te vertrekken, voorbij zou komen. Het was mijn buurt, dus herkend worden was een risico, ondanks de capuchon over mijn hoofd, zelfs met de koplampen in mijn rug. De voordeur was van ene familie Mulder, ene Jozef en ene Rian. Ik kende ze niet, maar had ze ongetwijfeld eens gezien in de supermarkt aan het plein. Op de brievenbus een nee-neesticker, verder niets te zien waaraan ik iets over hun identiteit kon aflezen. Een huis vol mogelijkheden dus. Jozef was in mijn hoofd een oudere man, een jaar of vijftig a zestig, wat moest je anders met zo een naam? En hij had een baard. Rian moest een stuk jonger zijn, maar ze was geen avontuurlijk type; vakantiehuisje in het oosten van het land, lekker RTL kijken op de bank met een kopje thee erbij. Na al één wijntje tolde haar hoofd. Mogelijk was er ook een hond, een kleintje dat Jozef met tegenzin uit moest laten. Niets voor Rian, er konden nu eenmaal ongure types in de buurt rondlopen. Eens was er iemand overvallen, enkele jaren geleden, vier straten verderop. Dat bleek uiteindelijk om een privéconflict te gaan, maar Rian had het onthouden en sindsdien woonden ze in ‘een slechte buurt’. Na herhaaldelijke pogingen dat beeld uit haar hoofd te praten, had Jozef het inmiddels opgegeven. ‘Ja, het is inderdaad gevaarlijk’, zei hij uiteindelijk, terwijl kleine Kevin al met de riem in zijn bek kwispelend op de mat zat. Op de vaste route - honden zijn routinedieren - keek Jozef steevast weg als het dier zijn behoefte deed. Niets zo gênant als je eigen hond zien poepen. Hij keek naar de kale takken van de bomen die zwart afstaken tegen de schemerende lucht; een mooi beeld om je gedachten bij te verzetten. Inmiddels was het al ruim twee weken dat hij niets meer van zijn dochter gehoord had. Althans, op Facebook verscheen zo nu en dan een statusupdate, maar persoonlijk contact was er al minstens zestien dagen niet. Geen telefoontje, geen mailtje, niets. Hij wist dat kinderen losgelaten moesten worden, maar dit kon nu ook weer niet de bedoeling zijn. Andrea, de betreffende dochter, kind uit een vorig huwelijk, woonde al enkele maanden in een andere stad, twee uur rijden van hier. Hij wist dat ze van hem hield, telkens wanneer ze elkaar spraken was het geheid gezellig, maar nu voelde hij zich vergeten. Kevin was inmiddels klaar met poepen en dartelde al snuffelend naar een volgende boom om er een plas tegen te doen. Toen Jozef weer thuis kwam lag Rian op de bank te slapen. Jozef legde een dekentje over haar heen en drukte een kus op haar kruin.

*

Zijn zestiende verjaardag was stilzwijgend voorbijgegaan, op enkele kaarten van familieleden na. Die had ik op het bord aan het hoofdeinde van zijn bed gehangen, tussen de beterschapskaarten - sommige waren al vaal door de zon. Het was lang geleden dat ik hem bezocht had. Wat voor zin had het ook? Hij was stabiel, net zo stabiel als een dode dat is. Zijn been was ook goed genezen. De dokters verzekerden mij ervan dat hij niets voelde, niets droomde, dat bij zijn mogelijke ontwaken, in zijn beleving, nog geen minuut verstreken zou zijn. Deze woorden zouden mij gerust moeten stellen, maar het zweet brak me uit. Datzelfde gevoel bekroop me toen ik zag dat hij veranderd was, ouder was geworden. Hij was slordig geschoren door de verpleging; een paar donzige haren onderop zijn kaken waren nog duidelijk te zien. Tijd had alleen nog maar grip op zijn lichaam en zijn omgeving, niet op hem als persoon. Zijn nagels waren daarentegen wel opvallend netjes geknipt. Het slangetje in zijn neus was mijn grootste ergernis. Hij werd goed in leven gehouden, daar zorgden de machines voor. De kleine kamer vulde zich met een zacht ruisen en periodieke piepjes die de machines meer uitdrukking gaven dan mijn zoon in het bed. Hij heeft nog geluk gehad, was er gezegd. Geluk: bewusteloos in een ziekenhuisbed liggen, terwijl je lichaam doorgaat en je geest op zwart staat. Pech: sterven in een zwaar ongeluk. Het graf bezocht ik niet meer dagelijks, al lag ze op loopafstand. Laatst had ik alleen nog wat verwelkte bloemen weggehaald. Haar ouders zouden het mij vast kwalijk nemen, maar het zou belachelijk zijn als dat me nog iets zou schelen. Ik wilde niet denken aan haar rottende lichaam in die die verniste kist. Liever was ze gecremeerd, zodat ik haar uit had kunnen strooien, bij voorkeur in zee; we gingen graag naar het strand om uit te waaien. Ik zag het voor me: hij in een rode zwembroek met een net zo rood schepje. ‘Kijk uit voor kwallen’, had ik geroepen, want het strand lag er vol mee: glazige drenkelingen die in een laatste daad in deze wereld het onbewust gemund hadden op blote kindervoeten. De schelpen die hij vond, trof ik laatst nog aan in een doos met oude spullen. Geen idee wat ik daarmee aan moest. Een zachte piep van de scharnieren van de deur van de ziekenhuiskamer en een oog en een neus van een verpleegster die door de kier een storend onderdeel van het moment werden. Haastig sloot de deur zich, waarna ik gefluister op de gang hoorde. Het oog had gezorgd gekeken, vol medelijden. Zijn zandkastelen spoelden dezelfde dag aan het strand nog weg, zoals dat gaat, zoals dat hoort te gaan. De machines piepten en ruisten en druppelsgewijs werd mijn zoon van vocht voorzien.

*

Het beeld van de slapende Rian en haar man die haar liefdevol op het hoofd kust werd verstoord door de auto die voorbij tufte. Hij reed opvallend hard, wat me enerzijds irriteerde, anderzijds geruststelde: de chauffeur had mij onmogelijk kunnen herkennen. Haastig verliet ik de portiek om mijn weg te vervolgen. Ik dwaalde. De straten die ik insloeg waren volledige willekeur, alhoewel ik de bredere hoofdwegen nu meed. Ik gaf de voorkeur aan stegen, waardoor ik me een personage voelde uit een film-noir; het enige wat ontbrak waren een hoed en een gloeiende sigaret. Achter verschillende vensters brandde soms nog licht, vaak door kieren van gordijnen heen; ook nachtbrakers? Of mensen die met het licht aan in slaap waren gevallen? Ik zocht een plek waar zo min mogelijk zicht op verlichte vensters was, waar lantaarnpalen ver te zoeken waren - of het niet deden, zwarte gaten op palen - en knielde neer om mijn rugzak te doorzoeken. In doeken gewikkeld rustte de spuitbus op de bodem van de tas. Toch voelde hij koud aan toen ik hem eruit tevoorschijn haalde. Ook het stencil pakte ik er voorzichtig uit. Ik sloeg de rugzak weer om, zodat ik, zonder iets achter te laten, snel weg zou kunnen komen als dat nodig was. De capuchon had ik afgedaan, ik wilde mijn omgeving zo goed als ik kon in de gaten houden. Overal in de steeg waren onleesbare krabbels van wie weet wie. Ik was een buitenstaander, kende de scene helemaal niet en den anderen zouden mij ook moeilijk accepteren, stelde ik me voor. Een van de dingen die ik wist van taggers is hun respect voor elkaar: je tagt niet over een ander heen. Lege plekken genoeg, zelfs nog op ooghoogte. Ik hoorde het bloed in mijn oren ruisen en als het licht niet zo geel was, dan zou ik zichtbaar rood geweest zijn. Was ik een kind of zo? Ik schaamde me, ondanks dat niemand mij zag.

 

Het ruisen werd luider en het vormde om tot herkenbare geluiden, vast zoals ook ruis op tv of wolken in de lucht betekenisvolle vormen aan kon nemen. Gefladder van onzichtbare vleermuizen, voetstappen van politielaarzen - of politie te paard als ik me echt goed concentreerde - en ook stemmen achter de muur waar ik pal voorstond. Ik legde mijn oor op de bakstenen die aangenaam koel aanvoelde op mijn gloeiende wang. En ik kon zweren dat ik gepraat hoorde. En gelach. Het was een groot gezin, klassiek groot, kinderstemmen, hondengeblaf en een moeder die liedjes zong. Een blokkentoren die omviel, een oude spelcomputer, gespat met water begeleid door het gekir van een dreumes. Vader kwam thuis, groette zijn vrouw, hing zijn jas aan de kapstok en schoof aan voor het avondeten. Er werd gebeden, maar de hond blafte door, de dreumes jengelde. Bestek tegen borden, een jongetje trok zijn zusje aan het haar. ‘Niet met je eten spelen’ en ‘Je moet ook je groente’. ‘Het was ongelofelijk druk op kantoor, Jaap heeft de deadline van het project vervroegd om op tijd meer man op het volgende project te krijgen. En het is pas woensdag!’ De man klonk vermoeid, maar niet ongelukkig, de zaken gingen goed. En de vrouw glimlachte, keek hem liefdevol en ondersteunend aan, tikte speels met haar voeten zijn voeten aan, onder tafel, waar ook de hond lag. De kleinste zaten al onder de aardappelpuree en de oudste had een vulkaan gemaakt met jus als magma. Hij liet er denkbeeldige maagden in omkomen, geofferd aan een naamloze god. Spel en wreedheid gaan goed samen. Na het toetje ging de tv aan. Alleen maar ruis nu en mijn wang was inmiddels net zo koud geworden als de muur. Ik maakte me los en kwam tot rust, besloot eens diep in te ademen.


Het was gelukt. Ik wikkelde het stencil en de spuitbus in een doek. Het stond er en het stond er goed. De nacht leek zachter te zijn geworden, zowel qua geluid als qua kleur. Was ik nog bang? Minder, maar dat kon van korte duur zijn, een kunstmatige rust wellicht. Zo rustig als ik was als ik naar oude foto’s van hem keek, foto’s die precies leken op mijn gestencilde werk op de muur voor me. Een eenvoudig enkelkleurig portret van hoe hij hoorde te zijn: glimlachend met open ogen. En zonder slangetje in zijn neus.

Reacties

09-02-2017 15:50
Ja, ik vind het ook mooi dit. Heel graag gelezen.

Ik vond alleen het einde een beetje een anticlimax: je verwacht als lezer dan toch iets groots; iets dat wraak neemt op de mensen en hun perfecte leventjes. Of in ieder geval een verrassing. Als je een mop vertelt, dan moet hij niet voorspelbaar zijn. Datzelfde vind ik van verhalen.

Toch, al met al enorm goed geschreven. Ik heb er van genoten.

-- Daan
04-02-2017 15:43
Proost,

Ja, veel meer verhaal dan de eerdere versie.

tip: plaats de eerste 2 zinnen van de 2e alinea bovenaan, dan heb je een setting/decor waarin het personage zich bevindt, dan komt het:'ik leek wel gek etc.' beter tot zijn recht.

Paar vlaggetjes,
groet,
27-01-2017 23:12
Helemaal eens met de reactie van Tom van Rossum. Sterke opening bovendien. En heel goed geslaagd in het toepassen van het principe ‘show, don’t tell’. Daardoor raak je als lezer snel begaan met de ik-figuur. Je voelt de spanning van de nacht en het verdriet van zijn leven. Ik ben erg gecharmeerd van je aanpak van het stuk dat begint met “Ik legde mijn oor op de bakstenen die aangenaam koel aanvoelden op mijn gloeiende wang. En ik kon zweren dat ik gepraat hoorde. En gelach. Het was een groot gezin…” Heel suggestief, er is geen uitleg nodig en de werking is daardoor des te sterker.

Zie verder de commentaarvlaggetjes voor enkele suggesties én complimenten.

NB: Ik heb ook je eerdere stuk ‘Portieken’ even bekeken – leuk om de reacties daaronder te lezen en te zien wat voor sprong je hebt gemaakt naar dit (ver)nieuw(d)e verhaal.
26-01-2017 20:06
Bedankt voor je reactie, Tom. Mooi advies. Ik ben gewend poëzie te schrijven, dus ik neig informatie nogal dicht op elkaar te pakken.
Deze site wordt mede mogelijk gemaakt door
Volg ons via