Zo vaart het schip langs sterrenbeelden;
zilvergrijs staal op blauwgroene golven.
Vaargeul kolkt achter, meeuwen wolken
langs stranden van een nachtelijk land.
Wilde vaart zo noemt de rederij ’t werk,
constant op weg naar nieuwe havens,
om vracht te lossen, opnieuw te laden;
het begin van alweer een nieuwe reis.
Wij drijven losgeslagen van elk verband,
peilen onze koers op zon en op heelal.
Angst tracht te heersen, wij dwingen
‘t lot tot overgave, tot nijver moeten.
Waterwoestijn tussen twee werelddelen,
een horizon trekt krom bij gebrek aan
kusten die ons het gevoel verzekeren
te kunnen vluchten of gered te worden.
’t Blijft zwalken van jeugd tot ouderdom,
naar de oase, verre stad vol vrouwen.
De wind vertelt steeds weer de vrijheid,
maar luwt de innerlijke storm allerminst.




