Hij viel. Waarom zag hij nu pas de structuur? Zo, in detail. Een mooi regelmatig patroon. Stenen strak tegen elkaar aan gelegd. Waar waren die stenen gebakken? Hoe lang hadden ze over het patroon nagedacht? Wie had die stenen gelegd? Hadden de stratenmakers er eer van gehad? Waarom werd hij nu wakker? Vlak voor deze bevrijding.
In het stucwerk van het plafond zat een barst. Als hij die met zijn ogen volgde, kwam hij uit bij een lamp. Een bol bevestigd in het plafond. De lamp verspreidde een zwak licht. Hoeveel Watt zou de lamp zijn, dacht hij. Hoeveel Watt? Zou het een spaarlamp zijn? Wie zou daarover gaan? Zouden ze er eigenlijk over nagedacht hebben? Hij moest het straks vragen aan het meisje dat elke ochtend achter de balie zat. Of zou hij het aan de manager moeten vragen? Had hij de man eigenlijk ooit gezien? Was het de man, die hij wel eens in pak in het kantoor achter de balie zag zitten? Zijn zwarte haren strak achterover gekamd.
Hij draaide zich op zijn zij en keek naar de muur. Het stucwerk was professioneel aangebracht. Regelmatig, strak, met een iets grove structuur. Hoeveel vierkante meter besloeg het oppervlak van de muur? Twintig? Meer? Minder? Een ochtend werk voor een geoefende kracht? Maar wat als het een leerling was? Duurde het dan langer? Waarschijnlijk wel. Nee, niet waarschijnlijk, natuurlijk wel. Goed gedaan, maar langzaam. Hij moest er een aantekening van maken en dit opzoeken op internet. Zijn oom, dacht hij, die was ooit aannemer geweest. Zou die het weten? Ook al was hij al weer een tijd uit de business. Maar toch, het was een idee. Iets om mee aan de slag te gaan.
Als hij nu zou opstaan, zou dat tot iets leiden? Misschien moest hij eerst op zijn andere zij gaan liggen. Of een bezwering uitspreken. Iets doen dat een effect zou kunnen hebben. Dat zou verhinderen dat er iets zou gebeuren. Daar ver weg. Als het negatief van de vleugelslag van de vlinder, die een orkaan op een andere plek veroorzaakt. Toen hij dit had gelezen in een tijdschrift was alles op zijn plek gevallen. Zijn handelingen, zijn vleugelslagen, waren de oorzaak van ellende op andere plekken.
Zijn andere zij dus. Hij keek naar het bureau, dat tegen de muur tegenover het bed stond. Het bureau was van hout. Hoe lang zou je erover doen het in elkaar te zetten? Was er een gebruiksaanwijzing of zou iemand het uit zijn hoofd doen? Die iemand, een huismeester, een loopjongen misschien, had het hele hotel moeten voorzien van bureaus. Had die alleen bij de eerste drie bureaus een gebruiksaanwijzing gebruikt? Of zou een machine het eigenlijke werk doen? In een ver land. China? Op het platteland, in een oude versleten fabriek, waar mannen of vrouwen, misschien kinderen, een apparaat bedienden, dat het bureau aan het eind van een lopende band kant en klaar afleverde.
Hij zag zijn mobieltje, zijn sigaretten, zijn laptop, zijn kleren die op en voor het bureau lagen. Naast het bureau stond een kast, waarin zijn andere kleren op planken lagen of aan hangers hingen. Wanneer zou hij zijn koffer eruit halen, die op de bodem van de kast lag? Wanneer zou hij zijn kleren erin doen en met de gevulde koffer naar het station gaan? Hij keek op de klok, die boven het bureau hing. In ieder geval nog een paar uur te gaan, voordat hij hoefde op te staan. En zeker acht uur voordat de trein hem naar huis zou brengen. Moest hij alvast op internet kijken of er iets was gebeurd, daar? Of zou dat het juist veroorzaken? Juist het feit dat hij zou kijken?
Wat moest hij doen in de tussentijd? Moest hij uitchecken, zijn koffer achterlaten en dan wat rondlopen? Een kerk bezoeken? Daar een kaars opsteken? Of voor het altaar knielen en bidden? Smeken voor een goede afloop? Zodat iedereen bleef leven. Of zou hij te biecht gaan? Zijn verschrikkelijke geheim vertellen? Hij was nooit gepakt. Niemand had hem in het openbaar verdacht. Hij was nergens in de media genoemd. Geen foto’s waren op tv getoond. Maar toch, mensen hadden hem aangekeken, als hij op straat liep, op zijn fiets voorbijkwam, of wanneer hij in de trein zat.
Een serveerster had hem eens indringend aangekeken. Had zij iets geweten? Iets vermoed? Het zweet was hem uitgebroken en snel had hij het restaurant verlaten, voordat de politie zou komen, die ze ongetwijfeld had gebeld. Om zoveel mogelijk afstand te creëren tussen het restaurant en zichzelf, en ook om verwarring te zaaien, had hij urenlang kriskras door de stad gelopen. Ze mochten hem niet volgen, niet vinden. Was die en die man hier net geweest? Mensen zouden een richting aangeven, maar niet de richting die hij daarna had volgehouden, want hij was allang een andere kant uitgegaan. Hij was uiteindelijk in een buurt terechtgekomen, die hij niet kende. Hij had aan een meisje, dat zittend op de stoeprand een ijsje voerde aan haar pop, gevraagd waar hij was en hoe hij thuis kon komen. Dat meisje zou een onbetrouwbare getuige zijn. Immers, wie gelooft een kind?
Zou een priester tijd hebben? Geduld hebben om naar hem te luisteren? In de kerk om de hoek had hij een biechtstoel gezien. Maakte het uit dat hij niet katholiek was? Zou de priester hem dat vragen? Was er een register waar de dagelijkse biechtsessies werden opgeschreven? Vandaag: tweemaal biecht, eenmaal niet-katholiek. Voor de statistiek. Zoals overal in samenleving. Om getallen te hebben. Meetbare indicatoren die het bestaan van de biecht zouden rechtvaardigen. Dit jaar te weinig biechten, priester, u moet zich meer profileren in dit domein. Anders gaat dat gevolgen hebben.
Zouden ze hem daardoor toch kunnen opsporen? Zou de priester het nooit aan anderen vertellen, hoe gruwelijk de waarheid ook was? Was het biechtgeheim absoluut? Misschien moest hij zoeken naar een oudere priester. Iemand met levenservaring. Iemand, die verhalen had gehoord, die een mens deden rillen. Overspel, hoererij, kindermishandeling. Moord. Dood door schuld. Met een mes wrikkend tussen ribben. Met een auto inrijdend op een menigte. Dwars erdoorheen. Lichamen op motorkap. Of mensen laten inslapend zonder sporen. Met het gif van je eigen adem, traag werkend gif, toegediend bij een eerder bezoek. Moest hij hem echt alles vertellen? Was zijn ziel te redden? Was de priester bereid hem te vergeven? Of kon hij dat niet en kon hij alleen voor hem bidden? Was de koers nog te verleggen?
Zou hij blijven liggen? Opstaan was niet nodig, maar toch, hij had honger. De ontbijtzaal zou straks gesloten zijn. Bovendien, hij moest de feiten onder ogen zien. De last, die hij torste, moest hij kwijt. Hij ging op de rand van zijn bed zitten. Iemand moest het weten. Hij moest zijn geweten ontlasten. Hij keek naar zijn tenen. Zijn nagels moesten worden geknipt. Maar hoe hadden ze dat gedaan, voordat de schaar bestond? Nagels groeiden toch ook al voor die uitvinding. Afkluiven? Tenen in je mond. Net als nagels bijten? Maar wat als je ouder werd en minder lenig? Deed dan iemand anders dat voor je? Of sleten ze gewoon af als je op blote voeten liep?
Hij stond op, liep naar het bureau en pakte uit het pakje dat daar lag een sigaret. Eentje maar. Om rustig te worden. Hij stak hem aan. Diep inademen. Dat duizelige gevoel. Even weg van deze wereld. Ook al zou kanker op de loer kunnen liggen. Maar hoeveel moest je dan roken? Wat als je bijna niet rookte, zoals hij. Ging je dan niet eerder gewoon dood aan de vieze lucht in de stad? Of door iets dat zich al in je longen had genesteld als klein kind? In de wieg. Waar je niets aan kon doen. Maar evenzogoed toch dood aan ging. Hoezeer je ook in je leven had opgelet.
Hij liep naar het raam en schoof de gordijnen weg. De straat beneden hem was nat, de lucht boven hem grijs. Op het trottoir liepen mensen met paraplu’s opgestoken stevig door. Hetzelfde weer als de vorige twee keren. Een slecht teken. Moest hij wachten, totdat het weer zou veranderen? Maar had hij niet juist al wat dingen anders gedaan dit keer? Daar waar hij de vorige keer linksaf was gegaan, was hij nu rechtsaf geslagen. Op sommige plekken was hij zelfs achteruit gelopen.
Hij liep naar de kast, trok de deur open en voelde in de binnenzak van zijn jasje. De krantenknipsels zaten er nog in. Hij vouwde ze open en streek ze glad op het bureau. Het stond er: de aanslag tijdens koninginnendag en de dood van de laatste van de grote vier schrijvers. De data logen niet. Op dezelfde dag dat hij per trein uit deze stad kwam. Toen hij de Nederlandse grens was gepasseerd, zag hij hoe de vlaggen halfstok hingen. Uitzendingen werden onderbroken voor extra nieuwsbulletins. Kranten stonden vol. Er was geen ontkomen aan geweest.
Maar als hij thuis was gebleven? Dan, dan zou hij voor altijd gebrandmerkt zijn. Het was immers dan twee uit twee. Hij was juist deze keer hierheen gereisd om het vorige ongedaan te kunnen maken. Het onheil was weliswaar geschied, maar om het zeker te weten. Misschien was er verlossing? Wat als er niets gebeurde? Was twee uit drie niet een bewijs dat hij er niets mee van doen had? Kon hij dat dan vertellen op tv, in de krant of op de radio? Zou iemand hem geloven? Of zouden er statistici zijn, die hem toch zouden aanwijzen als veroorzaker? In de rechtbank. Zelfs bij twee uit drie was hij schuldig. Die ene keer dat er niets gebeurde was toeval geweest, de andere keren niet. Of er was iets gebeurd, dat niemand er nog mee in verband had gebracht. Maar wat wel was gebeurd. Het zou niet lang meer duren, voordat dat onthuld zou worden.
Hij had een fout gemaakt door hier te komen. Het pleit was beslecht. Hij liep naar het raam.
Hij viel. Waarom viel hem nu pas de structuur op? Zo, in detail. Een mooi regelmatig patroon. Stenen strak tegen elkaar aan gelegd. Waar waren die stenen gebakken? Hoe lang hadden ze over het patroon nagedacht? Wie had de stenen gelegd? Hadden de stratenmakers er eer van gehad? Waarom werd hij nu wakker? Vlak voor deze bevrijding.
In het stucwerk van het plafond zat een barst. Als hij die met zijn ogen volgde, kwam hij uit bij een lamp. Een bol, gedraaid in een houder, bevestigd in het plafond. De lamp verspreidde een zwak licht. Hoeveel Watt zou de lamp zijn, dacht hij. Hoeveel Watt? Zou het een spaarlamp zijn? Wie zou daar over gaan, hier? Zouden ze daar eigenlijk over nagedacht hebben? Hij moest het straks vragen aan het meisje dat elke ochtend achter de balie zat. Of zou hij het aan de manager moeten vragen? Had hij de man eigenlijk ooit gezien? Was het de man, die hij wel eens in pak in het kantoor achter de balie zag zitten. Zijn zwarte haren strak achterover gekamd.
Hij draaide zich op zijn zij en keek naar de muur. Het stucwerk was professioneel aangebracht. Regelmatig, strak, met een iets grove structuur. Hoeveel vierkante meter besloeg het oppervlak van de muur? Twintig? Meer? Minder? Een ochtend werk voor een geoefende kracht? Maar wat als het een leerling was? Duurde het dan langer? Waarschijnlijk wel. Nee, niet waarschijnlijk, natuurlijk wel. Goed gedaan, maar langzaam. Hij moest er een aantekening van maken en dit opzoeken op het internet. Zijn oom, die was ooit aannemer geweest, dacht hij. Zou die het weten? Ook al was hij een al weer een tijd uit de business. Maar toch, het was een idee. Iets om mee aan de slag te gaan.
Als hij nu op zou staan, zou dat tot iets leiden? Misschien moest hij eerst op zijn andere zij gaan liggen. Of een bezwering uitspreken. Iets dat een effect zou kunnen hebben. Dat zou verhinderen dat er iets zou gebeuren. Daar ver weg. Als het negatief van de vleugelslag van de vlinder, die een orkaan op een andere plek veroorzaakt. Toen hij dit had gelezen in een tijdschrift was alles op zijn plek gevallen. Zijn handelingen, zijn vleugelslagen, waren de oorzaak van ellende op andere plekken.
Zijn andere zij, dus. Hij keek naar het bureau, dat tegen de muur tegenover het bed stond. Het bureau was van hout. Hoe lang zou je erover doen het in elkaar te zetten? Was er een gebruiksaanwijzing of zou iemand het uit zijn hoofd doen. Die iemand, een huismeester, een loopjongen, had het hele hotel moeten voorzien van bureaus. Misschien had die alleen bij de eerste drie bureaus een gebruiksaanwijzing gebruikt? Of zou een machine het eigenlijke werk doen? In een ver land. China. Op het platteland, in een oude versleten fabriek, waar mannen of vrouwen, misschien kinderen, een apparaat bedienen, dat het bureau aan het eind van een band kan en klaar aflevert.
Hij zag zijn mobieltje, zijn sigaretten, zijn laptop, zijn kleren die half op en half voor het bureau lagen. Naast het bureau stond een kast, waarin zijn andere kleren op planken lagen of aan hangers hingen. Hoe lang nog, voordat hij de koffer eruit zou halen, die op de bodem van de kast lag? En hij zijn kleren erin zou doen en met de gevulde koffer naar het station zou gaan. Hij keek op de klok, die boven het bureau hing. In ieder geval nog een paar uur te gaan, voordat hij hoefde op te staan. En zeker acht uur voordat de trein hem naar huis zou brengen. Moest hij alvast op internet kijken of er iets was gebeurd, daar? Of zou dat het juist veroorzaken? Juist het feit dat hij zou kijken?
Wat moest hij doen in de tussentijd? Moest hij uitchecken, zijn koffer achterlaten en dan wat rondlopen? Een kerk bezoeken? Daar een kaars opsteken? Of voor het altaar knielen en bidden. Smeken voor een goede afloop? Zodat iedereen bleef leven? Of zou hij te biecht gaan? Zijn verschrikkelijke geheim vertellen. Hij was nooit gepakt. Niemand had hem in het openbaar verdacht. Hij was nergens in de media genoemd. Geen foto’s waren op tv getoond. Maar toch, mensen hadden hem aangekeken, als hij op straat liep, op zijn fiets voorbijkwam, of wanneer hij in de trein zat.
Een serveerster had hem eens indringend aangekeken, toen hij iets had besteld in een restaurant. Had zij iets geweten? Iets vermoed? Het zweet was hem uitgebroken en snel had hij het restaurant verlaten, voordat de politie zou komen, die ze ongetwijfeld had gebeld. Hij had urenlang kriskras door de stad gelopen om zoveel mogelijk afstand te creëren tussen het restaurant en zichzelf En verwarring. Zodat ze hem niet zouden kunnen volgen. Was die en die man hier net geweest, zouden ze vragen. Mensen zouden een richting aangeven, maar niet de richting die hij daarna had volgehouden, want hij was allang een andere kant uitgegaan. Hij was uiteindelijk in een buurt terechtgekomen, die hij niet kende. Hij had aan een meisje, dat op de stoeprand een ijsje voerde aan haar pop, gevraagd waar hij was, en hoe hij thuis kon komen. Dat meisje zou een onbetrouwbare getuige zijn. Immers, wie gelooft een kind?
Zou een priester tijd hebben? Geduld hebben om naar hem te luisteren? In de kerk om de hoek had hij een biechtstoel zien staan. Maakte het uit dat hij niet katholiek was? Zou de priester hem dat vragen? Was er een register waar de dagelijkse biechtsessies zou worden opgeschreven. Vandaag: tweemaal biecht, eenmaal niet-katholiek. Voor de statistiek. Of net zoals overal in samenleving om getallen te hebben, meetbare indicatoren die het bestaan van de biecht zouden rechtvaardigen? Dit jaar te weinig biechten, priester, u moet zich meer profileren in dit domein. Anders gaat dat gevolgen hebben.
Zouden ze hem daardoor toch kunnen opsporen? Zou de priester het nooit aan anderen vertellen, hoe gruwelijk de waarheid ook was. Was het biechtgeheim absoluut? Misschien moest hij vragen naar een oudere priester, als er een jongere op dat moment aanwezig was. Iemand met levenservaring. Verhalen had gehoord, die een mens deden rillen. Overspel, hoererij, kindermishandeling. Moord. Dood door schuld. Met een mes wrikkend tussen ribben. Met een auto inrijdend op een menigte. Dwars erdoorheen. Lichamen op motorkap. Of mensen laten inslapend zonder sporen. Met het gif van je eigen adem, traag werkend gif, toegediend bij een eerder bezoek. Moest hij hem echt alles vertellen? Was zijn ziel te redden? Was de priester bereid hem te vergeven? Of kon hij dat niet en alleen voor hem bidden. Was de koers nog te verleggen?
Zou hij blijven liggen? Opstaan was niet nodig, maar toch, hij had honger. De ontbijtzaal zou straks gesloten zijn. Bovendien, hij moest de feiten onder ogen zien. De last, die hij torste, moest hij kwijt. Hij ging op de rand van zijn bed zitten. Iemand moest het weten. Hij moest zijn geweten ontlasten. Hij keek naar zijn tenen. Zijn nagels moesten worden geknipt. Maar hoe hadden ze dat gedaan, voordat de schaar bestond? Nagels groeiden toch ook al voor die uitvinding. Afkluiven? Tenen in je mond. Net als nagels bijten? Maar wat als je ouder werd en minder lenig? Deed dan iemand anders dat voor je? Of sleten ze gewoon af als je op blote voeten liep.
Hij stond op, liep naar het bureau en pakte uit zijn pakje een sigaret. Eentje maar. Om rustig te worden. Hij stak hem aan. Diep inademen. Dat duizelige gevoel. Even weg. Ook al zou kanker op de loer kunnen liggen. Maar hoeveel moest je dan roken? Wat als je dat bijna niet deed, zoals hij. Ging je dan niet eerder gewoon dood aan de vieze lucht in de stad? Of door iets dat zich al in je longen had genesteld als klein kind. In de wieg. Waar je niets aan kon doen. Maar evenzogoed toch dood aan ging. Hoezeer je ook in je leven had opgelet.
Hij liep naar het raam en schoof de gordijnen iets weg. De straat beneden hem was nat, de lucht boven hem grijs. Op het trottoir liepen mensen met paraplu’s opgestoken stevig door. Hetzelfde weer als de vorige twee keren. Een slecht teken. Moest hij wachten, totdat het weer zou veranderen? Maar had hij niet juist al wat dingen anders gedaan dit keer. Daar waar hij de vorige keer linksaf was gegaan, was hij nu rechtsaf gegaan. Op sommige plekken was hij zelfs achteruit gelopen.
Hij liep naar de kast, trok de deur open en voelde in de binnenzak van zijn jasje. De krantenknipsels zaten er nog in. Hij vouwde ze open en streek ze glad op het bureau. Het stond er: de aanslag tijdens koninginnendag en de dood van de laatste van de grote vier schrijvers. De data logen niet. Op dezelfde dag dat hij per trein uit deze stad kwam. Toen hij de Nederlandse grens was gepasseerd, zag hij hoe de vlaggen halfstok hingen. Uitzendingen werden onderbroken voor extra nieuwsbulletins. Kranten stonden vol. Er was geen ontkomen aan geweest.
Maar wat als hij nu thuis was gebleven? Dan, dan zou hij voor altijd zijn gebrandmerkt. Het was immers dan twee uit twee. Hij was juist deze ene keer nog naar hier gereisd om het vorige nog ongedaan te kunnen maken. Het onheil was weliswaar geschied, maar om het zeker te weten. Misschien was er verlossing? Wat als er niets gebeurde. Was twee uit drie dan niet een bewijs dat hij er niets mee van doen had. Kon hij dat dan vertellen op tv, in de krant of op de radio? Zou iemand hem geloven? Of zouden er statistici, getallendeskundigen zijn, die hem toch zouden aanwijzen als veroorzaker? In de rechtbank. Zelfs bij twee uit drie was hij schuldig. Die ene keer dat er niets gebeurde was toeval geweest, de andere keren niet. Of er was iets gebeurd, dat niemand er nog mee in verband had gebracht. Maar wat wel was gebeurd. Het zou niet lang meer duren, voordat dat onthuld zou worden.
Hij had een fout gemaakt door hier te komen. Het pleit was beslecht. Hij liep naar het raam.