De hele dag had ik er de pé in en wist niet waarom. Het begon al om zeven uur toen de wekkerradio aansloeg. “Topcrimineel Willem Holleeder wordt vandaag vrijgelaten.” werd er medegedeeld, en vervolgens werd die mantra de rest van de dag - met kleine variaties - talloze keren herhaald. Rond half acht hoorde ik een helikopter over de stad trekken, en bij het volgende nieuwsbulletin luidde de boodschap “Topcrimineel Willem Holleeder is vrij.” Zijn vrijlating op zich bekommerde me niet, hij was gewoon als iedere andere crimineel die vroeg of laat de bak in draait en er vroeg of laat weer uitkomt. Men doet maar, ik behoorde niet tot intimi die nog een appeltje met hem te schillen hadden of heimelijk een feestje voor hem bouwde. Er was iets anders aan de boodschap dat me niet zinde al wist ik wist niet wat.
Ik ging boodschappen doen maar had er duidelijk geen zin in. Zelfs aan de yoghurtjes in de schappen liep ik me nog te ergeren. 0% VET! stond er met koeienletters op, zelfs groter dan de naam van het product. Wat een achterlijk idee om zo schreeuwerig te vermelden wat er niet in zit. Zo lust ik er nog wel een paar: 0% WC-eend, 0% accuzuur, 0% schoensmeer en een niet te traceren hoeveelheid kukident. Voorts geen nest jonge muizen, geen vingertopje met een rafelige pleister, geen gepelde garnalen, geen zak grind en ook geen bureaulamp. Geen kaartjes voor de Rolling Stones, geen kraslot, geen dubbelloops jachtgeweer, geen antieke spiegel, geen mierenlokdoosje, geen winterbanden en geen vliegveld. Geen veel te nauwe mijter, geen afvoerputje, geen jengelende kinderen, geen film op tv.
Met moeite de gelaten houding van mijn medeboodschappers imiterend liet ik de nonsens over me heen komen maar betwijfelde of ik ooit de dag zou meemaken waarin ik niet voor mongool of sukkel zou worden versleten. Laatst kocht ik een bos bloemen bij Albert Heijn, stijf opgerold in doorzichtig cellofaan. Eenmaal thuis bleken zes van de negen tulpen geknakt - waarom bosjes tegenwoordig uit negen stuks bestaan was overigens ook nieuw voor mij. De kiwi’s bleken te vroeg geplukt, smaakten zuur en kwamen ook na een week bewaren niet meer tot volledige rijping. Van de sinaasappels begonnen er twee weldra te schimmelen (altijd stiekem aan de onderkant, nooit recht in je gezicht) en de meeste mandarijntjes waren droog gevroren. Ik had ook een pak rijst gekocht met zo’n onhandig strooituutje dat je naar binnen moet drukken waarna het als een soort valluik fungeert. Na het klepje met veel pijn en moeite naar buiten te hebben gewurmd kwam er nog steeds niks uit. Bleek de rijst binnen het pak in een afgesloten zak te zitten. Nadat ik de zak had open gemaakt en de inhoud terug in het pak had gegooid, sloot de bovenkant niet meer en donderde de hele inhoud in de pan. Zelfs de kleinste dingen ergeren me. De biologische aardappels zitten in een krankzinnig krakende, om niet te zeggen krijsende verpakking waarmee een hoorspelacteur een aardige hagelstorm op een golfplaten dak kan simuleren, en de dropjes zitten in een zakje dat tot de bodem openscheurt zodra je er een gaatje in maakt. Het is een en al liefdeloosheid, onverschilligheid en dwarsbomerij dat de grootgrutter voor mij in petto heeft. Alleen het stralende meisje aan de kassa maakte mijn dag nog enigszins goed. Ze vroeg of ik muppets wilde. Ik begreep niet wat ze bedoelde en liet haar de vraag herhalen, want ‘muppets’ maakte al twintig jaar geen deel meer uit van mijn vocabulaire . Als ze mevrouw Heijn was geweest, had ik gezegd: “Prop die muppets in je kut.” Maar ik hield me in. Kon zij er wat aan doen. Het was al zielig genoeg dat zij die vraag komende weken zeshonderd keer moest herhalen.
’s Avonds op het nieuws ging het natuurlijk weer over topcrimineel Holleeder. Ik zette de tv uit en ging maar eens vroeg naar bed. Ooit was aan televisie een rol toebedacht van leering ende vermaeck ter verheffing van het volk. Maar dat was niet meer. Op een dag, misschien toen de commercie zijn intrede deed, werd leering ingeruild voor nog meer vermaeck - en ergernis. Althans, we leren niet meer.
Ik moest denken aan het wetenschappelijk programma Labyrint dat eerder deze week aandacht besteedde aan het mysterie van de taalverwerving en het belang ervan om grip op de werkelijkheid te krijgen. De mens ontdekt de wereld en voor het onbekende dat hij tegenkomt bedenkt hij een woord. En dat woord, of beter gezegd het proces van naamgeving is pure magie. Het simpele toewijzen van een woord, al is het maar een betekenisloze naam, maakt dat het onbekende in zijn beleving niet langer onbekend is. Je voelt je ellendig en ziek en je weet niet wat het is. Dan ga je naar de dokter, en de dokter zegt: ik weet het al, u hebt de ziekte van Dubbele Rietberger. En dat voelt als een hele opluchting al verandert er niets aan de ziekte.
Interessanter vond ik de bevinding dat taal onze waarneming beïnvloedt. Hoewel we allemaal over dezelfde zintuigen beschikken, blijkt taal van invloed op hoe we dingen proeven en voelen. Simpel gezegd: een wijndrinker heeft een rijkere smaakbeleving als hij over een ruimere wijnvocabulaire beschikt. In feite zegt ons taalgebruik iets over hoe wij tegen de wereld aankijken. Als dat waar is, kunnen we onze woorden maar beter zorgvuldig kiezen, bedacht ik voor mezelf.
En toen viel plotseling het kwartje dat eerder die ochtend was opgegooid. Het was niet het vrijkomen van Holleeder, maar het woord topcrimineel dat mij zo ergerde. Je hebt een topkok en een topschaker en vooruit, een topadvocaat. Maar het woord top op crimineel plakken is ronduit pervers. Ik kots ervan. Er bestaat niet zo iets als een topcrimineel, net zo min als we spreken van een meestermoordenaar of een voortreffelijke pedofiel. Om dezelfde reden heb ik ook zo’n hekel aan het medische woord cliënt in een juridische setting. Verdachte zijn van het een of ander is nu eenmaal geen medische aandoening. Het zegt alleen maar iets over hoe onze maatschappij, althans de journalistiek, tegen misdaad aankijkt. Meneer Holleeder, geen topcrimineel maar gewoon een Grote Crimineel, is een societymannetje en kan, als ie dat wil, vanavond zo bij Pauw en Witteman aanschuiven.
“De mensen van de straat” werden geïnterviewd. Een meneer met een geitengrijns noemde Holleeder zijn held. Wat dit precies betekende bleef ongewis want doorvragen, daar deed de journalist niet aan. En dat vind ik nou zo jammer, want dat lijken me toch de momenten waarop televisie interessant kan worden. Als je mensen toch al voor het blok zet door hen een mening op te dringen over iemand waar ze misschien helemaal geen mening over willen hebben, ga dan ook tot het gaatje, durf dan ook B te zeggen. Misschien had ie wel een tatoeage van zijn held op zijn buik, of van zijn brommer. Nu moet je het allemaal zelf invullen:
“En waarom is hij dan uw een held?”
“Nou het heeft wel iets, Heineken ontvoeren.”
“Ja? En ook het leven van zijn chauffeur tot een wrak maken…?”
“Eh…”
“En Ferdi Elsas. Is dat ook een held van u”
“Wie?”
“Ferdi Elsas.”
“Nou nee. Ken de man niet.”
“Ferdi Elsas heeft namelijk ook iemand ontvoerd, Gerrit-Jan Heijn.
En aantoonbaar vermoord. Dus eigenlijk is hij nog een tikkeltje erger dan Holleeder.
Zou u zelf iemand ontvoeren en afpersen?”
“Nou nee…”
“Maar u zou wel willen…”
“Eh… “
“Toch? Want daarom hebt u zo’n bewondering voor Holleeder, die durfde namelijk wel.
Dus als ik mag samenvatten: eigenlijk bent u een inconsequente immorele lafhartige zak. Toch?”
“Nou ik wil jou wel een peer voor je bek geven. Hier, die zit.”
Kijk, dat is nou amusante televisie.









