Wachtwoord vergeten Registreren
Zoeken
uitgebreid zoeken

Reageren

Reageren en commentaar geven op dit literair werk? Favoriet maken of alle commentaren, reacties en wijzigingen automatisch volgen?

Log dan in.
Zien welk commentaar al gegeven is? Klik dan op 'Toon commentaarvlaggen'

Toon commentaarvlaggen

Over boeren, koeien en paarden

Kort verhaal
profielfoto
21 augustus 2011
2 reacties
185 keer gelezen
3.5
Copyrightkeuze:
Volledig copyright

Werk is leesbaar voor:
iedereen

Als god bestaat, waarom terroriseert hij koeien dan met vliegen? Er is geen onschuldiger diersoort denkbaar dan de koe. Een dier dat alleen maar geeft en geeft en geeft, tot na haar dood toe, en zelfs haar genetische ik heeft opgeofferd om de mensheid ten dienste te staan. Waarom moeten zij hun leven lang vierentwintig uur per dag aangevallen worden door vliegen? Vliegen rond hun ogen, vliegen op hun hun rug, vliegen op open wonden. Waarom?

Ik ben vast niet de enige die zich dit afvraagt, laat staan de eerste, maar de gedachte schoot door mijn hoofd tijdens een motorvakantie door het glooiende landschap van de Vogezen, nadat ik gestopt was voor een korte plaspauze. Eigenlijk was het niet eens de aanblik van een koe die mij aan het peinzen zette maar van twee paarden die met hetzelfde probleem worstelden. Nadat ik hen enige tijd had gade geslagen en zag dat zij nog iets van een verdedigingsmechanisme hadden bedacht ik dat het nog een tikkeltje erger kon.

En wat hebben wij mensen gedaan om hun lijden te verlichten? Wat hebben wij, die kerncentrales bedenken en mensen naar de maan sturen en alles van nanotechnologie weten, gedaan om het lijden van koeien te verlichten? Recentelijk zag ik een Friese boer op tv luidruchtig en emotioneel tegen de directie van een lokale melkfabriek protesteren. Welke gemene streek had de melkfabriek de boeren geleverd? Zij hadden hen dringend verzocht om de koeien niet het hele jaar op stal laten staan, of anders gezegd: hen de vrijheid van de wei niet te ontnemen. Waarschijnlijk wilden zij een slogan als Fris en vrolijk van de dauwverse weide op hun producten plakken en zochten naar zekere legitimering daarvan. Maar de boer die naar eigen zeggen het algemene gevoel in de agrarische gemeenschap verwoordde acteerde alsof hem groot onrecht werd aangedaan. Met de weinige tanden in zijn mond en overslaande stem proclameerde hij dat hij met zijn rug tegen de muur stond en het onmogelijke van hem werd gevraagd. Dit was 2011, het kòn gewoon niet meer. Als ik de regisseur van GTST was had ik hem meteen gecontracteerd. Helaas was de fabrieksmanager die mij plotseling voorkwam als voormalig boer in een slecht zittend pak, een man van slappe knieën en had er nog begrip voor ook. Nu ik erover nadenk: ik heb nog nooit een boer in de bres zien springen voor zijn dieren. Het zijn altijd stadse mensen met stadse fratsen die de hardvochtige boer vertellen wat hij doen en laten moet. Nooit eens een boer die een smeekbede tot het stadse volk richt. “Eet eens wat minder vaak vlees mensen, of kleinere stukjes zodat ik mijn geliefde Klara nog wat langer kan knuffelen voor zij naar het slachthuis gaat.”

Het wantrouwen tussen boer en stedeling is diepgeworteld en wederzijds. Eigenlijk past mijn eigen ervaring met boeren ook wel in dat beeld. In mijn jeugd heb ik een korte periode op zaterdagen bij een landbouwer aan de rand van de stad gewerkt. Een keuterboer, zoals dat heet. Boer Rolvers was zijn naam, maar omdat hij zo vaak uit zijn slof schoot noemden we hem Revolvers. Hij had een aantal rare bobbels op zijn armen en was oersterk. Hij had een paar klauwen waarmee hij een appel kon fijnknijpen, misschien zelfs een meloen, zoals ik dat kon met een banaan. De helft van zijn land was opgeslokt door een nieuwbouwwijk en het resterende deel was eigenlijk te klein om met moderne machines te bewerken, al herinner ik me een oude tractor met ronde vormen uit de jaren vijftig en compleet versleten banden die hij met veel vloeken en schoppen steeds weer aan de praat wist te krijgen. Hij had een Peugeot 504 automaat (volgens mij rijden alle boeren automaat) en daarover deden diverse verhalen de ronde. Allereerst dat hij wel een auto had maar geen rijbewijs. Dat geloofde ik best; eens ben ik met hem mee geweest om een paar pakken kunstmest op te halen en ik toen is ie zeker drie keer door rood gereden en eenmaal tegen de verkeersrichting in. Voorts ging het verhaal dat hij zijn auto optilde als hij in de stad door anderen was klem geparkeerd. Eigenlijk had hij een pesthekel aan stadsbewoners maar in de oogsttijd kon hij niet zonder ze. Hij had een Turkse hulpje in dienst met de merkwaardige naam Garao waar hij weinig vat op had maar die hem ook niet in de weg zat. Maar de hulp van Garao was niet genoeg. En zo kwamen wij in beeld – met wij bedoel ik naast een mezelf nog twee zestienjarige knapen uit de buurt die zich voor een paar rotcenten lieten afblaffen. Met minimale woorden stelde hij ons te werk en maakte zich nukkig uit de voeten, ons met een dagtaak opschepend waar menig Chinees fabrieksmanager zijn vingers bij aflikte. Zijn humeur hield gelijke tred met het weer. Helaas was het een nat en guur voorjaar toen ik aantrad. Mijn god, wat kon die vent vloeken als we het beoogde quotum niet haalden. Dan smeet hij een of ander landbouwwerktuig meters in de lucht en verdween scheldend en tierend aan de horizon, waarbij je zelfs nadat ie minuten uit beeld was verdwenen nog een doffe dreun van zelfdetonatie verwachtte. Het verloop was hoog; zelf heb ik het geloof ik zes zaterdagen uitgehouwen, tot ik een baantje bij een strandtent vond. Maar als de zon scheen was ie best te pruimen. Op zo’n moment durfde ik hem zelfs naar het verhaal van die auto te vragen. “Dat was vroeger,” zei hij met een afwerend gebaar. Maar toen ik opperde dat ie beter omringende auto’s opzij kon schuiven als die kleiner en lichter waren vond ie dat een goede tip. Misschien daardoor, en het feit dat ik niet de slechtste werker was heeft zijn toorn mij nooit rechtstreeks getroffen, hooguit als groepslid van die vervloekte stadse bleekneusjes. Garao sloeg iedere nieuwkomer met een bos brandnetels om de oren en ging volgens eigen zeggen iedere vrijdag naar de hoeren en raadde ons jonge knapen aan dat ook te doen. Hij woonde in een schuur in een hoek van het land waar de sloot alle kleuren van de regenboog toonde en waar wij om een of andere reden liefst zo ver mogelijk vandaan bleven. Voorts herinner ik me ene Emiel de Koning, een miljonairszoontje uit het naburige Aerdenhout, hartstikke aardig, maar niet gewend om met zijn handen te werken. De dag van zijn debuut moesten we honderden meters op onze knieën in de regen door de blubber kruipen om jonge slaplantjes te planten. Aan het eind van de dag hadden we nauwelijks de helft van de beoogde productie gehaald. Met name het spoor dat tussen Emiels benen liep was om droevig van te worden. Hij werd zo stijf gevloekt dat ie jankend wegliep en nooit meer zijn geld heeft opgehaald. Een ander fenomeen waarmee de boer ons verbijsterde was dat hij over zijn bloemkolen heen piste vlak hij ze naar de veiling bracht, met een straal waarmee je een brandend flatgebouw kon doven. “Dan glimmen ze mooier.” Garao ging er met zijn oranje straal nog even dunnetjes over heen, en ik moet bekennen, uiteindelijk namen wij onderhulpjes die rare sanitaire gewoonte ook over. Wel maande ik mijn moeder die week geen bloemkolen te kopen. Maar goed, ik dwaal af, we hadden het over koeien.

Zelfs boeren die hun koeien wel in de wei loslaten valt nog wat te verwijten. Wie koeien een beetje bestudeert ziet bijvoorbeeld dat zij op warme dagen graag de schaduw van een boom opzoeken om daar te liggen herkauwen. Maar kijk eens om je heen en zie hoeveel weilanden een boom hebben. Zelf aan de randen van de wei is dat vaak te veel gevraagd. Bomen zijn maar lastpakken aldus de boer. Je moet er omheen maaien.

Maar dat het nog een tikkeltje erger kon, hoe de mens met dieren omgaat, besefte ik nu pas, tegenover deze twee paarden. Een koe zie je nooit in haar eentje in de wei, altijd in een kudde. Paarden wel. Hoeveel had ik er tijdens mijn tocht niet solo in de wei zien staan? Geen idee, maar het waren er veel, ik had er niet eens op gelet. En ik had een goede reden om ze achteloos van mijn reizende geestesoog af te laten glijden. Paarden solo in een wei zijn immers stom. Ze staan stil als een achtergelaten hobbelpaard in een verlaten kinderkamer. Een fotografisch onaantrekkelijke pose. Het rent niet, schudt niet met zijn manen, kijkt nauwelijks op of om. Een paard in zijn eentje staat daar maar. Saai. Depressief, zou je kunnen zeggen. Maar paarden zijn net zulke kuddedieren als koeien. Ze hebben elkaars gezelschap nodig om geestelijk en sociaal te kunnen functioneren. Het meest schrijnende voorbeeld dat ik me herinner waren twee paarden tegenover elkaar bij Eemnes, elk op hun eigen weiland, gescheiden door een kaarsrecht wandelpad. Ik zag ze al van verre, als twee silhouetten op een wapenschild. Met aaien en polletjes gras probeerde ik ze te verleiden, maar kon ik ze niet in beweging krijgen. Toen ik me aan het eind van het pad omdraaide stonden ze daar nog steeds even roerloos, met hun neuzen verlangend tegenover elkaar.

De twee paarden die ik nu voor me zag, op een meter of vijftien bij me vandaan, hadden wel het geluk hun weiland te delen, ze stonden zelfs onder een boom, de geluksvogels. Wat overigens niet wil zeggen dat hier geen hardvochtige tandeloze boeren rondlopen, het was gewoon het karakter van het landschap. Waar het in Holland moeite kostte om bomen te planten, zou het hier moeite kosten om ze weg te halen. Maar dat de Fransen de natuur iets meer waarderen zoals deze bedoeld is, had ik al een dag eerder ontdekt, bij de dorpsslager van La Petite Raon. Daar bestelde een dame een paar gehaktbalen van tweehonderd gram. De slager rolde zulke kleine balletjes, dat ik dacht dat zij genept werd, maar de weegschaal loog niet. En toen pas besefte ik hoe ontzettend opgepompt ons eigen rundvlees is met allerlei toevoegingen om maar zo veel mogelijk volume te simuleren.

De twee paarden, een witte en een bruine, waren geen vleespaarden. Het was het soort waarop je graag een ritje maakt. Nadat ik de stilte van het landschap had laten bezinken en wat langer naar hen keek viel me iets merkwaardigs op. Ze stonden weliswaar naast elkaar aan, bijna tegen elkaar, maar vreemd genoeg niet parallel aan elkaar. Ze stonden om en om, soixante neuf zal ik maar zeggen. Vanwaar die vreemde opstelling? Toen ik nog wat beter keek zag ik weer dat geterroriseer door die rotvliegjes en viel uiteindelijk het kwartje. De paarden stonden niet zo maar met hun kont naar elkaar toe maar vanuit een weldoordacht plan, namelijk om met hun staart de vliegjes rond elkaars hoofd te verdrijven. Met een sierlijke beweging, zoals een jonkvrouw een geparfumeerde zakdoek uitslaat, lieten zij hun staarten rond elkaars hoofd dansen. Wat slim! Wat sociaal! Voor het eerst begreep ik dat vliegjes voor runderen wel degelijk een probleem zijn, ook al worden ze er bij wijze van spreken mee geboren, en dat zij zich ertegen teweerstellen als zij maar de middelen hadden. Helaas zag ik koeien met hun lelijke in klodders stront gedepte klosjes dit nog niet doen.

Ik bleef naar hen kijken tot zij tien minuten later gedrag vertoonden waar mijn mond opnieuw van open viel. Na enige tijd maakte het witte paard dat mij tot dan in haar blikveld had een halve pirouette en dwong het bruine met zachte hand om hetzelfde te doen. Met een paar gemoedelijke kopjes tegen haar flanken maakte ze haar bedoelingen meer dan duidelijk. Ook nu weer duurde het even voor ik de bedoeling doorhad, want met het oog op de overlast van vliegjes was het een nutteloze actie. Maar het ging niet om de vliegjes, het ging om mij! Het ging om het veranderen van blikveld. Het was haar manier om de bruine duidelijk maken dat een of andere gek met een helm op hen al een kwartier stond aan te staren.

Geraakt door dit tafereel liep ik weer terug naar mijn motor en hervatte mijn reis, maar de gedachte aan de paarden kon ik niet makkelijk van me af schudden. Ik weet niet of ontroering het juiste woord is, misschien dat dankbaarheid de lading beter dekt. Ik bedacht dat ik al drie dagen geen mens meer had gesproken. De paarden waren de eersten sinds mijn vertrek die mijn bestaan opmerkten en het gevoel gaven dat ik ertoe deed.

Reacties

25-08-2011 21:46
@leo:Dank je wel Leo. Ik denk dat die oren zijn gekweekt om zo'n plastic C&A-label erin te hangen.
25-08-2011 21:37
Dag Caramba,
Fraai geschreven! Stilistisch mooi. En een leuk verhaal ook. Met humor. Grappig is dat koeien mij ook altijd intrigeren. Hun nieuwsgierigheid, hun goedig bolderen, maar vooral die rare oren. Die passen niet bij dat beest, constateerde ik enige tijd geleden, nadat ik lang naar een kudde kuierende koeien had staan staren. Hun vorm deugt niet, ze passen niet bij de vorm van de kop, ze zijn te klein, of te groot, dat weet ik nooit zo precies, maar de maat is niet correct. Wellicht heeft dat iets met die vliegen te maken, een bijzondere schepping der natuur om de tragiek van die vliegen te proberen te weerstaan.

Hartelijke groet,
Leo Versluis (geen les meer)
Deze site wordt mede mogelijk gemaakt door
Volg ons via