06-12-2011 17:25
Ik zal een poging doen.
Uit het lezen haal ik een aantal elementen die, in de kern, mijn idee vormen over wat je wilt zeggen (of wat je wilt dat wij willen denken dat je zegt). "volgens berekening verdwijnen", "meeknikkers", en de regel over woonwerkafstand die een soort luiheid uitstraalt (maar één stap is). Wellicht wijzend op het bankwezen, waar mensen en klanten worden versimpeld tot getalletjes met een saldo, misschien iets algemener dan dat. De laatste strofe geeft een bepaalde houding tegenover die mensen aan, over de succesgerichtheid, en de makkelijkheid waarmee anderen worden 'vernietigd', of in ieder geval, als nietszeggend worden behandeld.
Ik ben nu wel, voor mijn gevoel, deels aan het inleggen. De vorm maakt het allemaal nogal vaag - ik heb uit bepaalde flarden een idee opgebouwd, maar heb geen flauw benul waar de middelste twee strofen dan op zouden moeten slaan. In dat opzicht lijkt me mijn idee compleet verkeerd, terwijl ik er anders ook niet in zie.
Ik lees, als ik dat zo kan verwoorden, een bepaalde 'kunstigheidslaag'. We hebben een gedicht, en daarover is een groot stuk matglas geplaatst, opgebouwd uit alliteraties, assonanties, weglaten-van-lidwoorden.
Daar heb ik niets op tegen, sterker nog, dat soort dingen zijn natuurlijk een enorm onderdeel van een gedicht. Maar misschien kan het ook té enorm worden.
"Onder het bijna benadrukken van het bedremmelen" - bedremmelen allitereerd, oké, het past goed in het ritme. Maar vervolgens heb ik geen idee waarom de zin er staat. Wat je er mee wilt. Het wordt zo'n opstapeling van ambachtelijk perfecte zinnen dat de laag waaróp het gebouwd wordt voor mij geheel onzichtbaar wordt. Misschien mist er leeskwaliteit van mijn kant, dat zou heel goed kunnen.
Hetzelfde geld voor de 'internet klarinet'. Qua klank, geluid: perféct. Maar wat heeft het hier voor plaats? Je moet begrijpen dat ik het gedicht, na die eerste strofe en de eerste beeldvorming, natuurlijk in een bepaalde houding lees. Dan worden de anemonen en de klarinetten van internet voor mij in ieder geval compleet onplaatsbaar.
De algemene strekking: qua klank en, wellicht, vorm - niets op aan te merken, behalve dan dat het als medium voor betekenis mij niet lijkt te helpen.
Zelf ben ik niet iemand van de 'overduidelijke' betekenis. Daarom leg ik ook zonder moeite een eigen idee in het gedicht, waarbij het me vaak niet veel uitmaakt of dat het idee van de dichter was. Hier stoot ik echter tegen het probleem dat ik met de twee buitenste strofes prima iets kan, terwijl ik het idee wat daaruit voortkomt, compleet niet kan plaatsen in de binnenste. We krijgen maagzuur in wind en boeren - wellicht kan ik dat nog in lijn leggen met de houding van de schrijver tegenover dat 'bankwezen'. Maar waar dan de moestuin en de onderwaterwereld vandaan komen: al sla je me neer.