Wachtwoord vergeten Registreren
Zoeken
uitgebreid zoeken

Reageren

Reageren en commentaar geven op dit literair werk? Favoriet maken of alle commentaren, reacties en wijzigingen automatisch volgen?

Log dan in.
Zien welk commentaar al gegeven is? Klik dan op 'Toon commentaarvlaggen'

Toon commentaarvlaggen

Onvervuld verlangen

Kort verhaal
profielfoto
1 februari 2012
10 reacties
238 keer gelezen
0
Toelichting van de auteur bij deze versie:
Laat je niet afschrikken door de lengte, ik sta open voor verbeterpunten en hoor graag wat jullie ervan gevonden hebben!

Copyrightkeuze:
Volledig copyright

Werk is leesbaar voor:
iedereen

 

“Er ligt een klacht op mijn bureau, Jan”, zegt Frank Mulder. “Ik kan en mag die niet negeren. Kindermisbruik is een gevoelige zaak. Ik hoop dat je de ernst van de situatie inziet.”
Zenuwachtig tikt Jan met zijn linkervoet op de grond. Als een kleine jongen zit hij voorovergebogen op zijn stoel. Stil en met tranen in zijn ogen staart hij gespannen naar de metalen tafelpoot. Hoofdagent Mulder heeft hem hard aangepakt en hem zijn vragen op verschillende manieren voorgelegd. Jan heeft alles toegegeven, het staat allemaal netjes op papier. “Als je hier even tekent, dan kun je daarna je wagen ophalen en naar huis toegaan.”

Aangeslagen loopt Jan door de straten. Hij zou Marieke, het dochtertje van een van zijn klanten, onzedelijk hebben betast. Er was een getuige, maar wie wilden ze niet zeggen. Klote, zo’n verhoor, denkt hij. Wie denken ze wel dat ze voor zich hebben, ik ben er echt ziek van. Met de mouw van zijn jas veegt hij zijn wang droog, trekt zijn kraag op en loopt gehaast verder in de richting van zijn melkwagen. Een enkele lantaarnpaal verlicht het dorpsplein. Jan mijdt het schijnsel ervan en kijkt schichtig om zich heen wanneer hij oversteekt. “Opgepakt voor kindermisbruik,’ prevelt hij. ‘Wie had dat ooit kunnen denken!”

Buiten het centrum gekomen, slaat hij zijn ogen op naar de heldere sterrenlucht. Het besef dat het heelal oneindig is, heeft hem altijd geïntrigeerd. Er staan er duizenden, ziet Jan. Hoe langer hij kijkt, hoe meer sterren er verschijnen. “U hebt mij toch gemaakt, God?”, zegt hij uiteindelijk. “Waarom ben ik dan altijd alleen, als er zoveel mensen als sterren zijn?” Gefascineerd door het fraaie uitspansel vraagt hij zich af of God daar echt zal zijn en moet daarbij ook aan zijn vader denken, die veel te jong gestorven is. Jan weet niet beter dan dat hij de man in huis is. Samen met zijn moeder runt hij een buurtsuper, de enige die het gehucht rijk is. Terug bij de wagen duwt hij de schuifdeur open en gaat naar binnen. Op de tast schuifelt hij naar voren, langs de rollen beschuit en het onverkochte brood, op zoek naar een zaklamp. Geërgerd schopt hij een doos opzij, pakt een blikje frisdrank en drinkt er gulzig van. “Wat een klerezooi ook! Shitlamp!” Na het laten van een flinke boer kruipt hij achter het stuur.
“Ik ben gewoon vals beschuldigt”, stelt hij kwaad vast. “Echt schandalig! Ik vraag me af wie het geweest is?” Gekwetst kijkt hij op het dasbordklokje en start daarna de motor, maar de lichten blijven uit. “Zeven uur al, en ik heb de wijk niet eens af”, verzucht hij. Minutenlang staart hij verdwaast door de zwarte voorruit, nog niet goed bevattend wat hem overkomen is. “Ik moet naar huis!“, prevelt hij tenslotte. “Moeder zal ongerust zijn.” De tranen groeien in zijn ogen en voor het eerst sinds zijn kindertijd huilt hij hardop. Achter zijn ogen brandt een vuur van twijfel en onvervuld verlangen. “Zie mij nou zitten, veertig jaar, te janken als een klein kind. Als ik gewoon een vriendin zou hebben, zou alles anders zijn!”, mompelt hij verbitterd, en rijdt weg.

Bij de boerderij parkeert hij zijn bestelbus, blikt nog een laatste maal in de spiegel en stapt naar buiten, waar de hond hem kwispelend komt begroeten. Moeder is in de keuken bezig, maar krijgt niet de kans om iets te zeggen. Hij ontwijkt haar blik, mort bij het passeren iets onverstaanbaars en gaat zitten op de bruinleren bank in de voorkamer. Met zijn ellebogen steunend op zijn knieën tuurt hij naar de grond. Moeder hangt haar schort op aan de keukenstoel en gaat naast hem zitten. Zijn lip trilt. Zijn lichaam schokt en Jan huilt opnieuw hardop.
 “Het is wel goed zo, jongen”, zegt moeder en legt daarbij haar hand op zijn bovenbeen.
“Wil je er over vertellen?”
Een antwoord komt er niet.
“Ze hebben gebeld, Jan. Dat je op het bureau bent geweest, vanmiddag.”
Jan kijkt op. Hij hoeft niets te zeggen, ze weet het al.
“Ik ben opgepakt”, begint hij kwaad. “Dat stomme mens van Kuiper zal ze wel gebeld hebben. Dat kutwijf!”
“Jan toch! Dat kun je zo niet zeggen, dat weet je immers niet.” Hij kijkt zijn moeder aan, en weet dat ze gelijk heeft. De hond die naast hem is komen zitten, legt trouw zijn kop op zijn knie. Met zijn bruine ogen staart hij zijn baasje afwachtend aan, net zolang totdat deze hem een aai geeft. Jan zucht eens diep en gaat rechtop zitten. Na een moment gezwegen te hebben, vervolgt hij zijn verslag: “Ze denken dat ik … Ze vroegen of er ook kinderen alleen op de wagen kwamen. Zonder de ouders erbij. Allemaal van die stomme vragen die nergens op slaan. Het was Frank, die heeft van alles opgeschreven, en toen mocht ik weg.“
Moeder kent haar jongen en heeft gemerkt dat hij de laatste tijd niet lekker in zijn vel zit. Behalve als Peter er is, zijn zaterdaghulpje, dan fleurt hij helemaal op. Maar de rest van de week zegt hij weinig en heeft hij steeds vaker depressieve buien. Het doet haar veel verdriet dat hij nog steeds alleen is. Ze is zelf al op hoge leeftijd en vreest de dag dat ze er niet meer zijn zal.
"Je hebt toch niets gedaan waarvoor je je schamen moet, of wel?”
"Nee”, antwoordt hij vertwijfeld, terwijl hij bij zichzelf te rade gaat.
“Het zal vast een misverstand zijn. Mulder vond het ook een moeilijke kwestie, zei hij aan de telefoon”, probeert ze haar zoon op te monteren. “Kom, ik zal het eten opwarmen en dan moet je maar eens vroeg naar bed gaan. Je zult zien dat het morgen weer beter gaat.”

De volgende dag is Jan al vroeg wakker. Hij heeft onrustig geslapen en is vroeger dan normaal opgestaan om de houtkachel aan te maken. Na het nuttigen van een botterham en een sterke bak koffie trekt hij zijn jas aan en gaat naar buiten.
“Shit, wat een kou. ‘k Was liever thuis gebleven”, moppert hij, en loopt met grote stappen naar de bus om de motor alvast te laten warmlopen. Door de vorst klemt de deur en Jan ontsteekt in woede wanneer hij hem niet gelijk open krijgt. Moeder is inmiddels ook beneden en schudt haar hooft wanneer ze Jan hoort vloeken. Door het keukenraam ziet ze hoe haar zoon een flinke trap tegen de deur van de melkwagen geeft. Nadat hij eindelijk de kratten met extra voorraad op het bagagerek heeft vastgesjord, stapt hij in en smijt de deur hard achter zich dicht. Het gaspedaal wordt enkele malen flink ingetrapt om de nog koude dieselmotor versneld op te warmen. Hierna groet hij zijn moeder door kort zijn hand op te steken en gaat op weg.

“Twee melk, een halfje wit, één fijn volkoren en een pakje boter. Dat is dan zes gulden en vijfentachtig cent, alstublieft.”
Mevrouw de Wit betaalt gepast: zes guldens, twee kwartjes, drie dubbeltjes en een stuiver.
“En bedankt maar weer hoor!”, zegt Jan, terwijl hij de muntstukken vanaf de toonbank in zijn handpalm schuift. Mevrouw de Wit stopt de boodschappen in haar tas en kijkt Jan daarbij aandachtig van opzij aan. Het is alsof ze iets vermoedt en eigenlijk vragen wil: Waarom woon je nog steeds bij je moeder thuis, Jan? Waarom heb je geen vriendin, Jan? Vind je kleine kinderen leuk, Jan? Heb je al eens seks gehad met een vrouw, Jan? Wie ben jij eigenlijk, Jan? Als je hier even tekent, kun je zo dadelijk naar huis!
“Ben je wel helemaal fit, Jan? Je ziet vandaag wat bleekjes”, vraagt ze, terwijl ze hem halsstarrig blijft aankijken.
Jan wrijft over zijn kin en verschuift het kladblok nog eens dat voor hem op de toonbank ligt. Ze wacht op antwoord, maar hij weet niet wat hij zeggen moet.
“Ga maar eens vroeg naar bed vanavond hé!”, vervolgt de vrouw. “En drink een glas warme melk voor het slapengaan. Daar knap je vast van op!”
“Ja, dat zal ik zeker doen”, antwoordt Jan uiteindelijk. Hij draait zich daarbij behoedzaam van haar af en strekt zijn arm naar de pakjes shag die boven hem op de schap staan. Hoewel hij de vrouw niet aankijkt, weet hij dat ze geduldig staat te wachten op hét moment dat ze de waarheid in zijn ogen lezen kan. Die ene seconde die ze nodig heeft om zijn hart te doorgronden en hem, voor de rest van zijn leven, in een hokje te plaatsen. Een hokje waarboven met grote letters ‘PEDO’ staat geschreven. Jan krijgt het er warm van. Het ademhalen gaat hem steeds moeizamer af en zijn linker ooglid beweegt hinderlijk heen en weer, zonder dat hij het stoppen kan. Zou zij het zijn die gebeld heeft, vraagt hij zich af. Met zijn hand glijdt hij over de rand van de toonbank, een spoor van natte zweetvlekken achterlatend op het glimmende multiplex. De vrouw ziet het, kijkt hem vragend aan en zegt: “En anders moet je gewoon naar de dokter gaan, hé!” Hierna trekt ze haar handschoenen aan, pakt haar tas op en loopt weg. “En doe de groeten aan je moeder!” 

“Mijn bus lijkt wel een rijdende gevangenis!”, klinkt het zacht.  “Het is dat mijn moeder nog leeft, anders kon ik er net zo goed een eind aan maken. Als mijn klanten hier lucht van krijgen, kan ik de zaak wel sluiten.”  Voorzichtig kijkt hij door het zijraampje of de vrouw al uit het zicht verdwenen is. Andere klanten zijn er niet. De man die langs de wagen loopt reageert geërgerd wanneer er binnen hardop wordt gevloekt . “Was ik maar nooit geboren!”, volgt er nog, waarna de man hoofdschuddend zijn weg vervolgd”

Na alle emoties van gisteren, heeft Jan vannacht beter geslapen. Vandaag is het zaterdag en krijgt hij hulp van Peter, die al aan de keukentafel zit met een kop warme chocomel en een plak zelfgebakken cake. De kenmerkende lucht van het houtvuur dringt langzaam door in de nog kille keuken. Moeder smeert boterhammen en giet dampende koffie in een isoleerkan. Jan kent Peter al van jongs af aan en mag hem graag. Hij is veertien jaar en had wat leeftijd betreft evengoed zijn zoon kunnen zijn. Zonder weerwoord doet hij wat Jan hem opdraagt. Hij denkt nog vaak aan het moment dat hij voor het eerst een arm om zijn schouders sloeg en hem even stevig tegen zich aandrukte. Peter vond het prima en beantwoorde zijn toenadering met een brede glimlach. Sindsdien stoeien ze vaker met elkaar en is er een hechte band ontstaan.

“Zeg, kom je hier alleen om chocomel te drinken of gaan we nog wat doen vandaag?”
Peter reageert gelijk: “Ik zit op jou te wachten, hoor!” Hoofdschuddend grijnst hij gemaakt naar Jan, waarna hij extra langzaam opstaat en zijn kop en schotel netjes bij moeder op het aanrecht terugzet. “Bedankt voor de heerlijke chocomel”, zegt hij beleefd. Hierna schuift hij zijn stoel aan en loopt tergend langzaam naar de andere kant van de keuken, waar zijn zwartleren legerkisten staan. Terwijl hij gehurkt bezig is zijn schoenen dicht te knopen, kijkt hij een moment opzij en gelast: “Ga maar vast hoor!” Nu is het aan Jan om zijn hoofd te schudden. “Ik spreek jou buiten nog wel, ventje!”, bekt hij terug. Hij pakt zijn jas, negeert hem verder en loopt naar buiten. Moeder staat er genoeglijk bij te kijken en geeft Peter een knipoog wanneer hij met een grijns op zijn gezicht naar haar opkijkt.

De dag met Peter vloog voorbij, maar na het weekend wil het werk niet vlotten. Riek de Veer was niet thuis geweest en er stonden ook geen lege flessen bij de deur. Jan is nog naar de deur gelopen, maar er werd niet opengedaan. Nu is mevrouw van de Molen in de wagen, met haar dochtertje Ellen, die hem al een poosje verlegen aankijkt.
“Ik ben vandaag jarig!”, zegt ze dralend.
Mevrouw Van de Molen rekent de boodschappen af, ziet dat een reactie uitblijft en antwoordt dan spontaan: “Ja hé, de hele dag!”
Jan kijkt nu met andere ogen naar de kinderen die samen met hun ouders boodschappen komen doen. Hij lacht gemaakt naar hen en laat ze kiezen uit een pot met snoep die nog maar half gevuld is. Hij zou Ellen wel willen oppakken en boven op de toonbank zetten, zoals hij gewoon was te doen met kinderen die jarig zijn. Ze zou dan net zo groot als de melkboer zijn en iets mogen kiezen uit de doos met presentjes die onder de toonbank staat. Op het bureau hadden ze gevraagd waarom en wáár hij Mieke precies had vastgepakt. Nu is alles anders en durft hij dat niet meer.

Nadat al het werk gedaan is, zwerft Jan ’s vaak doelloos door de bossen. Buiten Peter heeft hij geen vrienden waarmee hij praten kan. Zijn aanwezigheid doet hem goed, maar het lichamelijk contact met deze jongen, die graag zijn krachten met hem meet, is verslavend. Zijn ontnuchterende openheid en de vele intieme momenten zijn voor Jan onweerstaanbaar geworden. Peter laat hem niet meer los en spookt ‘s nachts uren door zijn hoofd. Jan vraagt zich steeds vaker af of het wel natuurlijk is dat hij van een jongen houdt, terwijl hij weet dat hij geen homo is. Hij gaat zitten op een boomstronk en kijkt een moment naar het dubbelspoor beneden hem. ’s Avond zijn de treinen mooi verlicht, weet Jan. Soms loopt er een grazend reebokje of zweeft er een roofvogel in de lucht. “Pieeeuw” klinkt het dan. Terwijl hij daar zit, probeert hij zich een beeld te vormen van iemand die door de trein gegrepen wordt. Vorige week nog heeft een knaap van pas drieëntwintig jaar zich hier voor de trein geworpen.
“Ik kan het me wel voorstellen hoe iemand ertoe komt”, tobt Jan. “Treinen genoeg, en niemand die je hier stoort. Laats is er ook weer een pedofiel opgepakt. Heel Nederland sprak schande van de man. Tegenwoordig is alles kinderporno! Geef mij de dieren maar, die kennen tenminste geen vooroordeel!”
Als Jan zijn hart gelucht heeft, doolt hij verder door het bos. Zoals vaker stopt hij ook nu even bij een oude eikenboom, die ongenaakbaar op een open plek staat en mede door het vale schijnsel van de maan, vanavond extra indruk op hem maakt. Zo gaan er enkele weken van overpeinzing voorbij, totdat op een zaterdagmorgen de telefoon gaat.

“Met Peter, ik kan vandaag niet komen”, klinkt een zachte jongensstem.
“O, waarom niet? Ben je ziek?”, antwoordt Jan belangstellend, maar hij weet al dat het niet goed zit. Hij hoort het aan zijn stem. Een beklemmend gevoel ontneemt hem de moed om verder te vragen, bang voor het antwoord dat volgen zal.
“Nee, …”
Er praat nu iemand op de achtergrond, hoort Jan, het is zijn vader.
“Hallo Jan, met de vader van Peter”, klinkt het nu met luide stem.
“Peter komt vandaag niet werken. Gezien de omstandigheden vinden we het niet goed dat hij zaterdags nog bij je komt. Je snapt wel wat ik bedoel, hé!”
Zonder dat hij reageren kan, wordt het gesprek beëindigd en de verbinding
verbroken. Ontdaan legt Jan de hoorn terug op de haak. Dit had hij niet verwacht. Zijn hart bonst in zijn borst en met zijn hand zoekt hij steun aan de muur achter hem. “Zou Peter wat gezegd hebben?”, fluistert hij. “Zijn vader kent hem niet zoals ik hem ken. Hij weet niet half wat een leuk joch het is.” Ontgoocheld gaat hij zitten op de koude tegelvloer. “Ik heb niets gedaan waarvoor ik me schamen moet”, spreekt hij zichzelf moed in. “Ja, één keer heb ik hem een kus gegeven. Op zijn wang, maar dat had hij echt nodig en hij vond het helemaal niet erg. Mag je dan alleen van je eigen kinderen houden? Lekker makkelijk!”, reageert hij geëmotioneerd. Tranen lopen over zijn wangen en zijn benen doen zeer. “En wat, als je zelf geen kinderen hebt?”, stamelt hij. “Ik hou van hem, wat is daar nu mis mee?” Minutenlang zit Jan met zijn wang tegen de muur gedrukt, ontdaan, gekwetst, en diep teleurgesteld in de wereld waarin hij leven moet.

In de dagen die volgen is Jan eerder klaar met zijn wijk. Steeds vaker houdt hij brood over en moet hij producten weggooien die over de datum zijn. Het was moeder ook opgevallen dat hij al vroeg thuis was deze week, maar ze had hem er verder niet direct naar gevraagd.
“Vandaag is Mulder van het bureau nog langs geweest. Ik heb hem gezegd dat je naar het bureau zult gaan. Je bent tegenwoordig toch vroeger thuis”, had ze gezegd. Maar daar had hij de moed nog niet voor opgebracht. Op een stoel achter het huis overdenkt hij ’s avonds zijn leven. Met een lege beker in zijn hand geklemd, staart hij voor zich uit, over de oude vijver, naar het einde van de tuin. Zo ook deze avond. Het zal niet lang meer duren voordat het begint te regenen, weet Jan uit ervaring. Hij schopt zijn klompen uit en trekt zijn laarzen aan. Moeder slaapt reeds. Ze heeft een pot koffie klaargezet, waar hij nog nauwelijks van gedronken heeft. In gedachten verzonken en vol zelfmedelijden ziet hij de woorden weer staan die kinderen in het stof schreven, achterop zijn wagen. Hij weet wel dat het kinderspel is, maar toch heeft het hem opnieuw gekwetst en zijn zelfvertrouwen geen goed gedaan. Nadat hij een envelop met Franks naam erop heeft dichtgeplakt, pakt hij een tweede brief die hij vanavond heeft geschreven en leest hem nog eenmaal door.

Beste Peter”, staat erboven. Twee eenvoudige woorden, waar Jan zolang over getwijfeld heeft. “Als je dit leest”, gaat hij verder, “weet je dat ik er niet meer ben.“ Na het hardop lezen van deze zin, schieten de tranen hem opnieuw in de ogen. In gedachten ziet hij Peter zitten, met zijn brief in zijn handen. Onzeker over hoe de jongen het bericht van zijn dood zal oppakken, vervloekt hij God en zichzelf dat hij zo’n eenling is. “Wie had ooit kunnen denken dat ik nog eens zo’n brief zou schrijven, aan Peter nog wel? Als er een is die het niet begrijpen zal, is hij het wel. Hij is als een zoon voor mij, hoe durven ze daar wat van te zeggen! Stelletje klootzakken!”
Na het nemen van een slok lauwe koffie, leest hij geëmotioneerd verder: “Het spijt me dat ik je dit schrijven moet. Je hebt vast al gehoord wat ik heb gedaan. Misschien heb je er nu verdriet om en begrijp je het niet. Maar later als je ook zo oud ben als ik, moet je deze brief nog maar eens lezen. Misschien begrijp je dan beter waarom ik niet gelukkig was in dit leven. Jou mocht ik wel heel graag, hoor! Dat moet je nooit vergeten! Je bent een leuke jongen, Peter, en ik hoop dat je blijft zoals je bent en gelukkig wordt. Ik zou je willen vragen of je een keer naar mijn graf wilt gaan. Daarna moet je me maar vergeten en doorgaan met je leven. Het ga je goed. - Jan Hendriks”

Tevreden over de inhoud, plakt Jan ook deze envelop dicht. Een eerste regendruppel spat uiteen op de tafel voor hem. De bladeren aan de appelboom roeren zich en de donder laat steeds vaker van zich horen. Dit is de stilte voor de storm, weet Jan. Hij staat op, pakt zijn dubbelloops jachtgeweer en gaat naar boven. Zonder verder nog na te denken, drukt hij daar de loop tegen het laken waaronder zijn moeder ligt en schiet haar dood. De dreigende onweerslucht met haar oplichtende wolken verlicht zwak het met bloed bevlekte laken. Hij pakt een deken, bedekt emotieloos haar lichaam en zegt: “Het is beter zo, moeder. Ik kan je niet alleen achterlaten. God zal nu voor je zorgen.”
Buiten gaat hij naar de schuur waar hij nog een stuk touw pakt, neemt de hond mee en loopt het erf af. Nog een laatste maal blikt hij daar over zijn schouder, naar de boerderij die nu helemaal donker is.
“Kom Bas, we gaan!” De hond blaft en rent enthousiast voor hem uit. In het geweer dat over Jans arm hangt, bevindt zich nog één patroon. Hij heeft het goed doordacht, want meer heeft hij er niet nodig om de hond te doden, voordat hij zichzelf ophangt.

Wanneer Jan het bos nadert, lichten de bomen langs de weg plots op: er komt een auto aan. Hij besluit te wachten totdat de wagen hem gepasseerd is, draait zijn rug naar de weg en sluit zijn ogen, om ze te beschermen tegen het felle koplamplicht. Het duurt lang voordat de wagen dichterbij komt, merkt Jan. Hij draait zijn hoofd en ziet dat de auto vaart mindert.
“Zo Jan, nog laat op pad! Ga je op fazantenjacht, met dit weer?”
Nu hij geen hinder meer heeft van het felle licht, ziet hij dat het Frank is. Hij schrikt ervan, hangt het geweer over zijn schouder en draait zich naar de auto toe.
“Goed dat ik je zie, Jan.” Frank draait het raampje verder open en stop de wagen. “Ik ben laatst nog bij je aan de deur geweest, maar je was er niet.”
“Ja, klopt …, ik heb nog geen tijd gehad om langs te komen”, liegt hij.
“Je hoeft je geen zorgen te maken. Het gaat over die klacht van mevrouw De Veer, je weet wel, de weduwe van Teus. Ik ben bij haar langs geweest, omdat ze weer gebeld had. Nu over iemand anders. Ze is erg achterdochtig en vertrouwt niemand, vreemd mens. Van haar verhaal over jou bleek ook niets te kloppen. Sorry dat ik je laatst zo hard heb aangepakt. Maar het feit dat we bij elkaar in de klas hebben gezeten, mag daar geen invloed op hebben. Dat ben je toch met me eens, hé?”
“Ja”, klinkt het zacht na een korte aarzeling.
“Nou, succes met de jacht verder, ik zal je niet langer ophouden” knipoogt Frank hem vriendelijk toe. “En doe de groeten aan je moeder!”

.

 

Reacties

04-02-2012 20:42
@Ingrid - Goed punt. Ik moet nog meer uitgaan van de lezer. Dit jaar ben ik begonnen met het herschrijven van mijn verhalen. Als ik ze teruglees, kom ik veel punten tegen die ik nu anders zou doen. Ik leer nog steeds weer nieuwe dingen, mede dankzij lezers zoals jij. Ik vind mijn verhalen nog niet publiceer waardig. Of ik onder mijn eigen naam zou inzenden, weet ik nu nog niet. Er kleven wel risico’s aan, zeker als je als schrijver nog groeien kan. Op een site als deze kun je ze gewoon aanpassen of verwijderen, bij een tijdschrift ligt het voor altijd vast.

In de laatste versie heb ik het verhaal nog op veel punten aangepast. Ik heb geprobeerd wat meer begrip voor zijn daad te kweken. Het zijn vaak details die een verhaal maken of breken, zeker bij een beladen onderwerp als waarvoor ik nu gekozen heb. Het vraagt wel veel denkwerk, wat ik erg leuk vind om te doen. Het plot blijft voorlopig hetzelfde. Voor nu ben ik er tevreden mee. Op naar de volgende!
04-02-2012 05:11
I:
Ik leg de lat níét hoog, dat doe jij. Het verhaal dat je hier wilt brengen zou ik (nog) niet durven te schrijven hoewel ik psychologe ben van opleiding.

In je tegencommentaar maak je een kapitale verhaaltechnische fout. Ik citeer: mensen die zelfmoord plegen zijn vaak in zichzelf gekeerd. Het speelt vooral in hun hoofd af. Wanneer ze dan tot de daad overgaan, is iedereen vaak totaal verbijsterd. Men heeft het echt niet zien aankomen (Hadden we het maar geweten, dan …)

Wat je hier zegt klopt, maar potverdorie toch, wij zijn lezers die in het hoofd kunnen kijken van zo’n moordenaar, dat kunnen omstanders niet. Als lezer moeten we betrokken worden in de rijping van zijn plan om een moord en zelfmoord te plegen (of hij het uiteindelijk doet is een andere zaak, daar ligt stof voor een plot).

En nog dit: voor mezelf leg ik de lat na elke geslaagde sprong hoger. Ik heb in meerdere papieren literaire tijdschriften een kortverhaal gepubliceerd, altijd onder een schuilnaam. Zelfs die verhalen vind ik na verloop van tijd niet meer representatief voor mijn kunnen zodat ik ze aanpas en een nieuwe titel geef. Wat ik vandaag kan, kan ik morgen beter. Zolang ik dat denk, blijf ik een vermomde zwerver in de literaire wereld, misschien wel voor altijd.


03-02-2012 20:14
1,2,3,4,5,6,7,8,9, 10!

@Ingrid: Als ik van jou een reactie ontvang, moet ik altijd eerst even tot tien tellen voordat ik een weerwoord ga uitwerken. Ik dacht dat ik kritisch was, maar jij kunt er helemaal wat van. Ik heb even overwogen om te stoppen met schrijven, want niets lijkt goed te zijn!

Maar …, dat doe ik natuurlijk niet! :)
Nee, in tegendeel. Hoe kritischer, hoe beter. In vrijwel alle punten die je benoemd, kan ik me wel vinden. Knap dat je er zoveel weet uit te halen. Juist door de lat hoog te leggen, zal ik als schrijver verder kunnen groeien. Ik heb het erg leerzaam gevonden en weet zelf goed hoeveel tijd en energie het kost, dergelijke kritische reacties uit te werken. Bedankt!
_________________________________

I: -Twee keer ‘uiteindelijk’ te vlug na elkaar en te vaak ‘terwijl’. Lees hardop.
WVDB: Dat ik veel ‘terwijl’ gebruik, klopt. Het is alleen lastig het anders te doen, zonder allemaal korte zinnetjes te schijven. Veel alternatieven zijn er niet. Ik zal er nog eens naar kijken.

I - ‘vervolgt de vrouw’ moet al na haar eerste zin: “Ga maar eens vroeg naar bed vanavond hé!
WVDB: inderdaad

Hoewel hij de vrouw niet aankijkt, weet hij dat ze geduldig staat te wachten op hét moment dat ze de waarheid in zijn ogen lezen kan. (…) Hij geeft geen krimp en kijkt gespannen naar de druppel bloed die vanuit zijn rechtervuist op de vloer uiteenspat.
I: - je probeert hier met veel woorden weer te geven wat Jan voelt gedurende die enkele seconden, maar dat lukt niet. Schrap hier alles tot je enkele zinnen overhoudt.
WVDB: inderdaad, minder is hier meer. Ik heb inmiddels diverse zinnen geschrapt.

“En anders moet je gewoon naar de dokter gaan”, reageert de vrouw nog, terwijl (…) kon ik er rustig een eind aan maken. Niemand die me missen zal.”
I: - veel te veel: ‘hij’ ‘Jan’ ‘terwijl’, en ook te passief.
WVDB: Ja, heb ik ook geconstateerd. Blijft lastig om alternatief voor Jan / hij te bedenken. Ga ik nog nader bekijken.

I:- Jan zegt in de laatste zinnen heel erge dingen, maar die overtuigen niet. Ik voel niet met hem mee. Ik zie hem wel als een psychologisch geval die hulp nodig heeft, maar niet als iemand die mijn ziel raakt. Met iemand die vals beschuldigd wordt voelen we mee, maar alleen als die beschuldigingen het leven van die persoon kapot maken door zaken van buitenaf, niet door zelfbeklag en gezeur.
WVDB: Ik snap wat je bedoelt. Bij je laatste opmerking zal ik daar dieper op ingaan. De zin over de doodswens van moeder is inderdaad wat ‘onverwacht fel‘. Ik heb hem inmiddels herschreven (nog niet op de site).

De man die langs de wagen loopt reageert geërgerd wanneer Jan zijn zelfcontrole verliest en hardop vloekt. (…) “Zeg, kom je hier alleen om chocomel te drinken of gaan we nog wat doen vandaag?”
I: Halverwege het verhaal komt Peter op het toneel. Het lijkt te veel op een soap waar nu en dan acteurs verdwijnen en er anderen plots opdagen.
WVDB: Een terechte opmerking over de verhaalopbouw. Ik heb inderdaad de neiging om het verhaal in aparte hoofdstukjes op te delen, vaak per alinea. Ik zou ook meer samenhang willen bereiken, karakters grotere rollen geven, maar dan kan ik er beter een roman van maken. Dit laatste wil ik niet. Ik schrijf enkel korte verhalen, vaak over moeilijke onderwerpen, die kort en krachtig moeten overkomen. Dat het wel een soap lijkt, vind ik overdreven. Zoveel rollen zijn er niet.

Peter reageert gelijk: “Ik zit op jou te wachten, hoor!” (…) In de week die volgt staat Jan er alleen voor.
I: Hier lezen we voor het eerst de nefaste gevolgen van de valse beschuldiging. Voor het eerst komt Jan in een reële conflictsituatie. Hier zou het verhaal moeten beginnen, maar helaas, Jan legt zijn hoofd er letterlijk bij neer.
WVDB: Ja, de bekende druppel die de emmer doet overlopen: Peter die niet meer mag komen.

I: Ik vraag me af waarom je hier een Jan neerzet die erotische gevoelens heeft voor een knaap. Het ligt natuurlijk dicht bij pedofilie en je zou verwachten dat het een rol speelt in de valse beschuldiging, maar dat lees ik niet. Je had veel beter een Jan neergezet die zijn liefje, een meisje van zestien of ouder, kwijt raakt omdat hij beschuldigd wordt van pedofilie. Peter is dan een knaap die hij heel graag mag, maar meer niet. Ik heb de indruk dat je met dit verhaal iets wil zeggen of overbrengen, maar ik weet niet wat.
WVDB: Misschien komt het doordat je geen man bent, dat je dit niet weet/aanvoelt. Ook in dat geval zie ik het als een tekortkoming van de schrijver. Het verhaal moet duidelijk zijn voor iedereen. Het is niet zozeer dat Jan van buitenaf wordt aangevallen, het speelt meer in zijn hoofd af. Jan heeft altijd bij zijn moeder gewoond, is midden veertig (moet ik misschien nog ergens vermelden) en heeft vaderlijke gevoelens ontwikkeld voor Peter, wat opzicht niet ongewoon is. Peter vult een leegte in zijn leven: het ontbreken van een relatie met een vrouw. De klacht, die een eigen leven gaat leiden in het gehucht waar hij woont, en de gevoelens die hij niet goed plaatsen kan, isoleren hem verder van de samenleving.

I: Vervolgens schiet Jan zijn moeder dood, een vreselijke daad. Ik zie echter niets van zijn radeloosheid, ik zie hier alleen het besluit en het werk van een gestoorde gek. Wie tot zulke zaken overgaat, moet al een hele psychiatrische voorgeschiedenis hebben. Natuurlijk kan een valse beschuldiging je leven verwoesten, vooral als het om pedofilie gaat, maar ik moet als lezer die verwoesting lezen, ik moet het schrijnende verhaal lezen van iemand die, door het lot en door kwaadwilligheid van anderen, tot moord en zelfmoord wordt gedreven.
WVDB: Zoals jij het wenst, wordt het meer een Holly Wood-productie. Hier ga ik dus niet in mee. Mensen die zelfmoord plegen zijn vaak in zichzelf gekeerd. Het speelt vooral in hun hoofd af. Wanneer ze dan tot de daad overgaan, is iedereen vaak totaal verbijsterd. Men heeft het echt niet zien aankomen (Hadden we het maar geweten, dan …) Jan heeft genoeg van het leven, is depressief en van mening dat zijn moeder zo beter af is. Het mag voor omstanders een gruweldaad zijn, maar niet voor Jan. Een leven zonder liefde is geen leven. Zijn moeder wil hij zijn dood besparen.

I: De plot is ook niet geloofwaardig: als er nu één soort van valse beschuldiging is waar je niet met een vingerknip van af bent is het wel pedofilie. Diefstal bijvoorbeeld ligt makkelijker: de buit werd bij iemand anders gevonden, niemand die nog twijfelt aan de onschuld van de beschuldigde. Maar natuurlijk, die wending had je nodig om te eindigen met iets verrassends.
WVDB: Ja, het blijft een verhaal hé! Als ik alle gebaande wegen zou volgen, zou ik vast de opmerking krijgen dat het allemaal wel erg voorspelbaar was. Zo gaat dat nu eenmaal.

Ik ga er komend weekend nog eens flink mee stoeien en zal een nieuwe versie op de site aanmaken als ik tevreden ben!
03-02-2012 15:48
vervolg:

“Ben je wel helemaal fit, Jan? Je ziet vandaag wat bleekjes”, vraagt ze uiteindelijk, terwijl ze hem halsstarrig blijft aankijken.
Jan wrijft eens over zijn kin en verschuift het kladblok nog eens dat voor hem op de toonbank ligt. Ze wacht op antwoord, maar hij weet niet wat hij zeggen moet.
“Ga maar eens vroeg naar bed vanavond hé! En drink een glas warme melk voor het slapengaan. Daar knap je vast van op!”, vervolgt de vrouw.
“Ja, dat zal ik zeker doen”, antwoordt Jan uiteindelijk, terwijl hij zich behoedzaam van haar afdraait en zijn arm uitstrekt naar de pakjes shag die boven hem op de schap staan.
I:
-Twee keer ‘uiteindelijk’ te vlug na elkaar en te vaak ‘terwijl’. Lees hardop.
- ‘vervolgt de vrouw’ moet al na haar eerste zin: “Ga maar eens vroeg naar bed vanavond hé!


Hoewel hij de vrouw niet aankijkt, weet hij dat ze geduldig staat te wachten op hét moment dat ze de waarheid in zijn ogen lezen kan. (…) Hij geeft geen krimp en kijkt gespannen naar de druppel bloed die vanuit zijn rechtervuist op de vloer uiteenspat.
I:
- in deze passage ‘geduldig’ te vlug na elkaar
- je probeert hier met veel woorden weer te geven wat Jan voelt gedurende die enkele seconden, maar dat lukt niet. Schrap hier alles tot je enkele zinnen overhoudt.

“En anders moet je gewoon naar de dokter gaan”, reageert de vrouw nog, terwijl (…) kon ik er rustig een eind aan maken. Niemand die me missen zal.”
I:
- veel te veel: ‘hij’ ‘Jan’ ‘terwijl’, en ook te passief.
- Jan zegt in de laatste zinnen heel erge dingen, maar die overtuigen niet. Ik voel niet met hem mee. Ik zie hem wel als een psychologisch geval die hulp nodig heeft, maar niet als iemand die mijn ziel raakt. Met iemand die vals beschuldigd wordt voelen we mee, maar alleen als die beschuldigingen het leven van die persoon kapot maken door zaken van buitenaf, niet door zelfbeklag en gezeur.


De man die langs de wagen loopt reageert geërgerd wanneer Jan zijn zelfcontrole verliest en hardop vloekt. (…) “Zeg, kom je hier alleen om chocomel te drinken of gaan we nog wat doen vandaag?”
I:
Halverwege het verhaal komt Peter op het toneel. Het lijkt te veel op een soap waar nu en dan acteurs verdwijnen en er anderen plots opdagen.

Peter reageert gelijk: “Ik zit op jou te wachten, hoor!” (…) In de week die volgt staat Jan er alleen voor.
I:
Hier lezen we voor het eerst de nefaste gevolgen van de valse beschuldiging. Voor het eerst komt Jan in een reële conflictsituatie. Hier zou het verhaal moeten beginnen, maar helaas, Jan legt zijn hoofd er letterlijk bij neer.
Ik vraag me af waarom je hier een Jan neerzet die erotische gevoelens heeft voor een knaap. Het ligt natuurlijk dicht bij pedofilie en je zou verwachten dat het een rol speelt in de valse beschuldiging, maar dat lees ik niet. Je had veel beter een Jan neergezet die zijn liefje, een meisje van zestien of ouder, kwijt raakt omdat hij beschuldigd wordt van pedofilie. Peter is dan een knaap die hij heel graag mag, maar meer niet.
Ik heb de indruk dat je met dit verhaal iets wil zeggen of overbrengen, maar ik weet niet wat.
Vervolgens schiet Jan zijn moeder dood, een vreselijke daad. Ik zie echter niets van zijn radeloosheid, ik zie hier alleen het besluit en het werk van een gestoorde gek. Wie tot zulke zaken overgaat, moet al een hele psychiatrische voorgeschiedenis hebben. Natuurlijk kan een valse beschuldiging je leven verwoesten, vooral als het om pedofilie gaat, maar ik moet als lezer die verwoesting lezen, ik moet het schrijnende verhaal lezen van iemand die, door het lot en door kwaadwilligheid van anderen, tot moord en zelfmoord wordt gedreven.
De plot is ook niet geloofwaardig: als er nu één soort van valse beschuldiging is waar je niet met een vingerknip van af bent is het wel pedofilie. Diefstal bijvoorbeeld ligt makkelijker: de buit werd bij iemand anders gevonden, niemand die nog twijfelt aan de onschuld van de beschuldigde. Maar natuurlijk, die wending had je nodig om te eindigen met iets verrassends.

02-02-2012 20:00
@Ingrid - Je opmerking dat ik, nu het begin herschreven is, opmerkingen onderuit haal, deel ik niet. Het origineel is op het tweede tabblad terug te vinden. Ik heb na jouw eerste reactie gemeld dat de verbeterpunten zijn doorgevoerd, zie Remco. Als ik vind dat verbeterpunten die worden aangedragen de leesbaarheid van het verhaal ten goede komen, dan voer ik die zo snel mogelijk door. Waarom toekomstige lezers nog lastigvallen met ‘zwakke’ punten in het verhaal die al door iemand benoemd zijn? Het deel dat je nog niet gelezen hebt, is ongewijzigd gebleven. Dit even ter verduidelijking.
______________________

I: Waarom verwijzen naar vanmiddag? Laat vanmiddag gewoon weg.
I: De zin ‘Wanneer Frank…’ schrappen …
I: Dat het al zeven uur is, kun je in de zin die nu volgt wel kwijt.
I: Bestuurderstoel. Zeg gewoon: gaat hij achter zijn stuur zitten.
I: Ik mis hier iets. Hij probeert te bevatten wat hem overkomen is, maar wat eigenlijk?
Wvdb: Ik ga met je mee op alle punten. Ik heb het inmiddels herschreven naar:

Na het laten van een flinke boer kruipt hij achter het stuur.
“Ik ben gewoon vals beschuldigt”, stelt hij kwaad vast. “Zou het dat mens van Kuiper zijn? Of Van de Brink, die spoort immers niet.” Hij kijkt op het dasbordklokje en ziet dat het al zeven uur is geweest. Vertwijfeld start hij de motor, maar de lichten blijven uit.

I: Ik vind dat Peter hier uit de lucht valt, het zegt me niets, het maakt me niet nieuwsgierig naar Peter.
wvdb: Ja,de introductie van Peter komt hier wat geforceerd over. Ik heb het verplaatst en ook gelijk je opmerkingen over moeder gelijk meegenomen:

Allemaal van die stomme vragen die nergens op slaan. Het was Frank, die heeft van alles opgeschreven, en toen mocht ik weg.“
Moeder kent haar jongen en heeft gemerkt dat hij de laatste tijd niet lekker in zijn vel zit. Behalve als Peter er is, zijn zaterdaghulpje, dan fleurt hij helemaal op. Maar de rest van de week zegt hij weinig en heeft hij steeds vaker depressieve buien. Het doet haar veel verdriet dat hij nog steeds alleen is. Ze is zelf al op leeftijd en vreest de dag dat ze er niet meer voor hem zijn zal.
"Je hebt toch niets gedaan waarvoor je je schamen moet, of wel?”
"Nee”, antwoordt hij vertwijfeld, terwijl hij bij zichzelf te rade gaat.
“Het zal vast een misverstand zijn. Mulder vond het ook een moeilijke kwestie, zei hij aan de telefoon.” Jan vindt troost in de woorden van zijn moeder.
“Kom,”zegt ze, “ik zal het eten opwarmen en dan moet je maar eens vroeg naar bed toe gaan. Je zult zien dat het morgen weer beter gaat.”


“Ze hebben gebeld, Jan. Dat je op het bureau bent geweest, vanmiddag.”
Jan kijkt op. Hij hoeft niets te zeggen, ze weet het al.
I: Dat begrijp ik niet. Zijn moeder weet al alles, maar vraagt bij zijn thuiskomst wat eraan de hand is.
wvdb: Herschreven naar:

Bij de boerderij staat de hond hem al op te wachten. Jan parkeert zijn bestelbus, blikt nog een laatste maal in de spiegel en stapt naar buiten, waar de hond hem kwispelend komt begroeten. Moeder is in de keuken bezig, maar krijgt niet de kans om iets te zeggen als Jan binnenkomt. Hij ontwijkt haar blik, mort bij het passeren iets onverstaanbaars en gaat zitten op de bruinleren bank in de voorkamer. Met zijn ellebogen steunend op zijn knieën tuurt hij naar de grond. Moeder hangt haar schort op aan de keukenstoel en gaat naast hem zitten. Zijn lip trilt. Zijn lichaam schokt. Jan huilt opnieuw hardop.
“Het is wel goed zo, jongen”, zegt moeder nu, terwijl ze zijn hoofd tegen haar schouder drukt.
“Wil je er over vertellen?”
Een antwoord komt er niet.
“Ze hebben gebeld, Jan. Dat je op het bureau bent geweest, vanmiddag.”
Jan kijkt op. Hij hoeft niets te zeggen, ze weet het al.

Tot zo ver! Je tweede reactie zal ik ook nog beantwoorden en verwerken. Opnieuw bedankt voor je scherpe blik en tijd!
02-02-2012 18:25
Vervolg, jammer dat je het voorgaande al hebt aangepast, zo haal je sommige opmerkingen die nog volgen onderuit.


De volgende dag is Jan al vroeg wakker. Hij heeft onrustige geslapen en is vroeger dan normaal opgestaan om de houtkachel aan te maken. Het is een koude nacht geweest en de gedachte dat iemand hem vals beschuldigd heeft, laat hem niet los.
I:
Dat hij onschuldig is zegt de verteller. Ik wil dat in de gedachtengang van Jan zien: zijn woede, zijn vragen hoe men ertoe komt, zijn verweer, enzovoort.


Veel tijd om er over na te denken geeft hij zichzelf echter niet. (…) Mevrouw de Wit stopt de boodschappen in haar tas en kijkt Jan daarbij aandachtig van opzij aan. Het is alsof ze iets vermoedt en eigenlijk vragen wil: Waarom woon je nog steeds bij je moeder thuis, Jan? Waarom heb je geen vriendin, Jan? Vind je kleine kinderen leuk, Jan? Heb je al eens seks gehad met een vrouw, Jan? Wie ben jij eigenlijk, Jan? Als je hier even tekent, kun je zo dadelijk naar huis!
I:
Véél te passief. Beter volgens mij:
Mevrouw de Wit stopt de boodschappen in haar tas. Jan voelt hoe ze hem van opzij bekijkt. Het is alsof ze iets vermoedt, denkt hij. Misschien doet het gerucht al de ronde. Ze wil me van alles vragen. Ze wil weten waarom ik nog steeds bij mijn moeder woon en natuurlijk of ik een vriendin heb. Of ik kleine kinderen leuk vind zal me niet durven te vragen, ook niet of ik al eens seks heb gehad met een vrouw, maar ze denkt het wel, ja ze denkt het, ik zag het meteen aan die heimelijk grimas op haar gezicht.
02-02-2012 14:07
Dag Remco,
Jouw reactie tovert een brede en tevreden glimlach op mijn gezicht! Bedankt voor het lezen en het achterlaten van een reactie.
_______________________

Ik heb het begin van het verhaal inmiddels aangepast en een nieuwe versie aangemaakt, waar ik ook toekomstige verbeterpunten direct op verwerken zal.
02-02-2012 12:58
Dag wvdb,

Je kunt van alles verbeteren aan je verhaal, maar vooral wil ik je laten weten dat het een goed verhaal is, verrassend, met een venijnig staartje. Een sterk plot, goed uitgewerkt, en dat in een kort verhaal. Het was een feestje om te lezen!
02-02-2012 09:28
Ik ben erg benieuwd waar je nog meer mee op de proppen komt, schiet het maar aan gort! Ik waardeer het zeer en zal later nog reageren op je opmerkingen als je het helemaal gelezen hebt. Je bent zo goed als het laatste wat je geschreven hebt, zeg ik altijd. Beter dan dit heb ik momenteel niet in huis. Het is fijn dat er lezers zijn die kritisch kunnen lezen en hun opmerkingen willen delen met de schrijver!
02-02-2012 08:09
“Er ligt een klacht op mijn bureau, Jan’, zegt Frank Mulder. ‘Ik kan en mag die niet negeren. Kindermisbruik is een gevoelige zaak. Ik hoop dat je de ernst van de situatie inziet.” (…) Wanneer Frank op de klok kijkt, ziet hij dat het al zeven uur is en besluit Jan naar huis te laten gaan.
“Als je hier even tekent, dan kun je daarna je wagen ophalen en naar huis toegaan.”
I:
-Goede openingszinnen, maar wees consequent met je aanhalingstekens ( “ en ’).
-Jan zit in het kantoor van Mulder. Waarom verwijzen naar vanmiddag? Laat vanmiddag gewoon weg.
-De zin ‘Wanneer Frank…’ schrappen: als alles netjes op papier staat, volgt logischerwijze onmiddellijk wat Mulder hier zegt. Dat het al zeven uur is, kun je in de zin die nu volgt wel kwijt.

Aangeslagen loopt Jan door de straten. (…) Na het laten van een flinke boer gaat hij zitten op de bestuurdersstoel.
I:
Bestuurderstoel. Zeg gewoon: gaat hij achter zijn stuur zitten. Trouwens, wie in een auto achter het stuur zit is een bestuurder, als het om een bestelwagen of een bus gaat spreekt men over een chauffeur.

“Zou het dat mens van Kuiper zijn? Of Van de Brink, die spoort immers niet.” Vertwijfeld start hij de motor, maar de lichten blijven uit. Minutenlang staart hij verdwaast door de zwarte voorruit, nog niet goed bevattend wat hem overkomen is.
I:
Ik mis hier iets. Hij probeert te bevatten wat hem overkomen is, maar wat eigenlijk? Is hij op heterdaad betrapt, compleet vals beschuldigd of heeft hij iets stoms gedaan dat aanleiding geeft tot deze valse beschuldiging? Ik moet een inkijk hebben in wat hij probeert te vatten.

“Ik moet naar huis!“, prevelt hij tenslotte. “Moeder zal ongerust zijn en morgenvroeg is Peter er ook weer.” Denkend aan Peter, zijn zaterdaghulpje, vervloekt hij zichzelf en het isolement waarin hij is opgegroeid. De tranen groeien in zijn ogen en voor het eerst sinds zijn kindertijd huilt hij hardop. Achter zijn ogen brandt een vuur van twijfel en onvervuld verlangen. “Was ik maar als Peter, dan zou alles anders zijn!”, mompelt hij verbitterd, en rijdt weg.
I:
Denkend: opgepast voor naamwoordstijl en werkwoordstijl.
Ik vind dat Peter hier uit de lucht valt, het zegt me niets, het maakt me niet nieuwsgierig naar Peter.

Bij de boerderij staat de hond hem al op te wachten. (…) “Wat is er toch met je aan de hand?”
Een antwoord komt er niet.
I:
Jan is een volwassen man, maar zoals zijn moeder reageert lijkt het wel of het om een jochie van acht jaar gaat die wenend van school komt. Als ik de moeder zou zijn van een volwassen man die wenend van zijn werk komt, zou mijn hart stilstaan. Er moet dan wel iets ernstigs gebeurd zijn, of komt Jan dikwijls wenend thuis, een psychologisch geval?

“Ze hebben gebeld, Jan. Dat je op het bureau bent geweest, vanmiddag.”
Jan kijkt op. Hij hoeft niets te zeggen, ze weet het al.
“Ik ben opgepakt”, begint hij kwaad. “Dat stomme mens van Kuiper zal ze wel gebeld hebben. Dat kutwijf!”
I:
Dat begrijp ik niet. Zijn moeder weet al alles, maar vraagt bij zijn thuiskomst wat eraan de hand is.

“Jan toch! Dat kun je zo niet zeggen, dat weet je immers niet.” (…) "Je hebt toch niets gedaan waarvoor je schamen moet, of wel?”
I:
Dat vraagt ze nu pas.

"Nee”, antwoordt hij vertwijfeld, terwijl hij bij zichzelf te rade gaat.
“Nou dan!”, probeert moeder hem op te beuren. “Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen zorgen, zei oma altijd. Ik zal het eten opwarmen en dan moet je maar eens vroeg naar bed gaan vanavond. Je zult zien dat het morgen weer beter gaat.”
I:
Je zoon wordt van een ernstig vergrijp beschuldigd. Hij zegt onschuldig te zijn en je zegt daarop ‘nou dan’.
Dat is toch geen verantwoorde psychologische reactie. Als moeder ben je dan toch woedend op die lasteraar.

(tot daar voor vandaag, maar ik lees verder)
Deze site wordt mede mogelijk gemaakt door
Volg ons via