“Er ligt een klacht op mijn bureau, Jan”, zegt Frank Mulder. “Ik kan en mag die niet negeren. Kindermisbruik is een gevoelige zaak. Ik hoop dat je de ernst van de situatie inziet.”
Zenuwachtig tikt Jan met zijn linkervoet op de grond. Als een kleine jongen zit hij voorovergebogen op zijn stoel. Stil en met tranen in zijn ogen staart hij gespannen naar de metalen tafelpoot. Hoofdagent Mulder heeft hem hard aangepakt en hem zijn vragen op verschillende manieren voorgelegd. Jan heeft alles toegegeven, het staat allemaal netjes op papier. “Als je hier even tekent, dan kun je daarna je wagen ophalen en naar huis toegaan.”
Aangeslagen loopt Jan door de straten. Hij zou Marieke, het dochtertje van een van zijn klanten, onzedelijk hebben betast. Er was een getuige, maar wie wilden ze niet zeggen. Klote, zo’n verhoor, denkt hij. Wie denken ze wel dat ze voor zich hebben, ik ben er echt ziek van. Met de mouw van zijn jas veegt hij zijn wang droog, trekt zijn kraag op en loopt gehaast verder in de richting van zijn melkwagen. Een enkele lantaarnpaal verlicht het dorpsplein. Jan mijdt het schijnsel ervan en kijkt schichtig om zich heen wanneer hij oversteekt. “Opgepakt voor kindermisbruik,’ prevelt hij. ‘Wie had dat ooit kunnen denken!”
Buiten het centrum gekomen, slaat hij zijn ogen op naar de heldere sterrenlucht. Het besef dat het heelal oneindig is, heeft hem altijd geïntrigeerd. Er staan er duizenden, ziet Jan. Hoe langer hij kijkt, hoe meer sterren er verschijnen. “U hebt mij toch gemaakt, God?”, zegt hij uiteindelijk. “Waarom ben ik dan altijd alleen, als er zoveel mensen als sterren zijn?” Gefascineerd door het fraaie uitspansel vraagt hij zich af of God daar echt zal zijn en moet daarbij ook aan zijn vader denken, die veel te jong gestorven is. Jan weet niet beter dan dat hij de man in huis is. Samen met zijn moeder runt hij een buurtsuper, de enige die het gehucht rijk is. Terug bij de wagen duwt hij de schuifdeur open en gaat naar binnen. Op de tast schuifelt hij naar voren, langs de rollen beschuit en het onverkochte brood, op zoek naar een zaklamp. Geërgerd schopt hij een doos opzij, pakt een blikje frisdrank en drinkt er gulzig van. “Wat een klerezooi ook! Shitlamp!” Na het laten van een flinke boer kruipt hij achter het stuur.
“Ik ben gewoon vals beschuldigt”, stelt hij kwaad vast. “Echt schandalig! Ik vraag me af wie het geweest is?” Gekwetst kijkt hij op het dasbordklokje en start daarna de motor, maar de lichten blijven uit. “Zeven uur al, en ik heb de wijk niet eens af”, verzucht hij. Minutenlang staart hij verdwaast door de zwarte voorruit, nog niet goed bevattend wat hem overkomen is. “Ik moet naar huis!“, prevelt hij tenslotte. “Moeder zal ongerust zijn.” De tranen groeien in zijn ogen en voor het eerst sinds zijn kindertijd huilt hij hardop. Achter zijn ogen brandt een vuur van twijfel en onvervuld verlangen. “Zie mij nou zitten, veertig jaar, te janken als een klein kind. Als ik gewoon een vriendin zou hebben, zou alles anders zijn!”, mompelt hij verbitterd, en rijdt weg.
Bij de boerderij parkeert hij zijn bestelbus, blikt nog een laatste maal in de spiegel en stapt naar buiten, waar de hond hem kwispelend komt begroeten. Moeder is in de keuken bezig, maar krijgt niet de kans om iets te zeggen. Hij ontwijkt haar blik, mort bij het passeren iets onverstaanbaars en gaat zitten op de bruinleren bank in de voorkamer. Met zijn ellebogen steunend op zijn knieën tuurt hij naar de grond. Moeder hangt haar schort op aan de keukenstoel en gaat naast hem zitten. Zijn lip trilt. Zijn lichaam schokt en Jan huilt opnieuw hardop.
“Het is wel goed zo, jongen”, zegt moeder en legt daarbij haar hand op zijn bovenbeen.
“Wil je er over vertellen?”
Een antwoord komt er niet.
“Ze hebben gebeld, Jan. Dat je op het bureau bent geweest, vanmiddag.”
Jan kijkt op. Hij hoeft niets te zeggen, ze weet het al.
“Ik ben opgepakt”, begint hij kwaad. “Dat stomme mens van Kuiper zal ze wel gebeld hebben. Dat kutwijf!”
“Jan toch! Dat kun je zo niet zeggen, dat weet je immers niet.” Hij kijkt zijn moeder aan, en weet dat ze gelijk heeft. De hond die naast hem is komen zitten, legt trouw zijn kop op zijn knie. Met zijn bruine ogen staart hij zijn baasje afwachtend aan, net zolang totdat deze hem een aai geeft. Jan zucht eens diep en gaat rechtop zitten. Na een moment gezwegen te hebben, vervolgt hij zijn verslag: “Ze denken dat ik … Ze vroegen of er ook kinderen alleen op de wagen kwamen. Zonder de ouders erbij. Allemaal van die stomme vragen die nergens op slaan. Het was Frank, die heeft van alles opgeschreven, en toen mocht ik weg.“
Moeder kent haar jongen en heeft gemerkt dat hij de laatste tijd niet lekker in zijn vel zit. Behalve als Peter er is, zijn zaterdaghulpje, dan fleurt hij helemaal op. Maar de rest van de week zegt hij weinig en heeft hij steeds vaker depressieve buien. Het doet haar veel verdriet dat hij nog steeds alleen is. Ze is zelf al op hoge leeftijd en vreest de dag dat ze er niet meer zijn zal.
"Je hebt toch niets gedaan waarvoor je je schamen moet, of wel?”
"Nee”, antwoordt hij vertwijfeld, terwijl hij bij zichzelf te rade gaat.
“Het zal vast een misverstand zijn. Mulder vond het ook een moeilijke kwestie, zei hij aan de telefoon”, probeert ze haar zoon op te monteren. “Kom, ik zal het eten opwarmen en dan moet je maar eens vroeg naar bed gaan. Je zult zien dat het morgen weer beter gaat.”
De volgende dag is Jan al vroeg wakker. Hij heeft onrustig geslapen en is vroeger dan normaal opgestaan om de houtkachel aan te maken. Na het nuttigen van een botterham en een sterke bak koffie trekt hij zijn jas aan en gaat naar buiten.
“Shit, wat een kou. ‘k Was liever thuis gebleven”, moppert hij, en loopt met grote stappen naar de bus om de motor alvast te laten warmlopen. Door de vorst klemt de deur en Jan ontsteekt in woede wanneer hij hem niet gelijk open krijgt. Moeder is inmiddels ook beneden en schudt haar hooft wanneer ze Jan hoort vloeken. Door het keukenraam ziet ze hoe haar zoon een flinke trap tegen de deur van de melkwagen geeft. Nadat hij eindelijk de kratten met extra voorraad op het bagagerek heeft vastgesjord, stapt hij in en smijt de deur hard achter zich dicht. Het gaspedaal wordt enkele malen flink ingetrapt om de nog koude dieselmotor versneld op te warmen. Hierna groet hij zijn moeder door kort zijn hand op te steken en gaat op weg.
“Twee melk, een halfje wit, één fijn volkoren en een pakje boter. Dat is dan zes gulden en vijfentachtig cent, alstublieft.”
Mevrouw de Wit betaalt gepast: zes guldens, twee kwartjes, drie dubbeltjes en een stuiver.
“En bedankt maar weer hoor!”, zegt Jan, terwijl hij de muntstukken vanaf de toonbank in zijn handpalm schuift. Mevrouw de Wit stopt de boodschappen in haar tas en kijkt Jan daarbij aandachtig van opzij aan. Het is alsof ze iets vermoedt en eigenlijk vragen wil: Waarom woon je nog steeds bij je moeder thuis, Jan? Waarom heb je geen vriendin, Jan? Vind je kleine kinderen leuk, Jan? Heb je al eens seks gehad met een vrouw, Jan? Wie ben jij eigenlijk, Jan? Als je hier even tekent, kun je zo dadelijk naar huis!
“Ben je wel helemaal fit, Jan? Je ziet vandaag wat bleekjes”, vraagt ze, terwijl ze hem halsstarrig blijft aankijken.
Jan wrijft over zijn kin en verschuift het kladblok nog eens dat voor hem op de toonbank ligt. Ze wacht op antwoord, maar hij weet niet wat hij zeggen moet.
“Ga maar eens vroeg naar bed vanavond hé!”, vervolgt de vrouw. “En drink een glas warme melk voor het slapengaan. Daar knap je vast van op!”
“Ja, dat zal ik zeker doen”, antwoordt Jan uiteindelijk. Hij draait zich daarbij behoedzaam van haar af en strekt zijn arm naar de pakjes shag die boven hem op de schap staan. Hoewel hij de vrouw niet aankijkt, weet hij dat ze geduldig staat te wachten op hét moment dat ze de waarheid in zijn ogen lezen kan. Die ene seconde die ze nodig heeft om zijn hart te doorgronden en hem, voor de rest van zijn leven, in een hokje te plaatsen. Een hokje waarboven met grote letters ‘PEDO’ staat geschreven. Jan krijgt het er warm van. Het ademhalen gaat hem steeds moeizamer af en zijn linker ooglid beweegt hinderlijk heen en weer, zonder dat hij het stoppen kan. Zou zij het zijn die gebeld heeft, vraagt hij zich af. Met zijn hand glijdt hij over de rand van de toonbank, een spoor van natte zweetvlekken achterlatend op het glimmende multiplex. De vrouw ziet het, kijkt hem vragend aan en zegt: “En anders moet je gewoon naar de dokter gaan, hé!” Hierna trekt ze haar handschoenen aan, pakt haar tas op en loopt weg. “En doe de groeten aan je moeder!”
“Mijn bus lijkt wel een rijdende gevangenis!”, klinkt het zacht. “Het is dat mijn moeder nog leeft, anders kon ik er net zo goed een eind aan maken. Als mijn klanten hier lucht van krijgen, kan ik de zaak wel sluiten.” Voorzichtig kijkt hij door het zijraampje of de vrouw al uit het zicht verdwenen is. Andere klanten zijn er niet. De man die langs de wagen loopt reageert geërgerd wanneer er binnen hardop wordt gevloekt . “Was ik maar nooit geboren!”, volgt er nog, waarna de man hoofdschuddend zijn weg vervolgd”
Na alle emoties van gisteren, heeft Jan vannacht beter geslapen. Vandaag is het zaterdag en krijgt hij hulp van Peter, die al aan de keukentafel zit met een kop warme chocomel en een plak zelfgebakken cake. De kenmerkende lucht van het houtvuur dringt langzaam door in de nog kille keuken. Moeder smeert boterhammen en giet dampende koffie in een isoleerkan. Jan kent Peter al van jongs af aan en mag hem graag. Hij is veertien jaar en had wat leeftijd betreft evengoed zijn zoon kunnen zijn. Zonder weerwoord doet hij wat Jan hem opdraagt. Hij denkt nog vaak aan het moment dat hij voor het eerst een arm om zijn schouders sloeg en hem even stevig tegen zich aandrukte. Peter vond het prima en beantwoorde zijn toenadering met een brede glimlach. Sindsdien stoeien ze vaker met elkaar en is er een hechte band ontstaan.
“Zeg, kom je hier alleen om chocomel te drinken of gaan we nog wat doen vandaag?”
Peter reageert gelijk: “Ik zit op jou te wachten, hoor!” Hoofdschuddend grijnst hij gemaakt naar Jan, waarna hij extra langzaam opstaat en zijn kop en schotel netjes bij moeder op het aanrecht terugzet. “Bedankt voor de heerlijke chocomel”, zegt hij beleefd. Hierna schuift hij zijn stoel aan en loopt tergend langzaam naar de andere kant van de keuken, waar zijn zwartleren legerkisten staan. Terwijl hij gehurkt bezig is zijn schoenen dicht te knopen, kijkt hij een moment opzij en gelast: “Ga maar vast hoor!” Nu is het aan Jan om zijn hoofd te schudden. “Ik spreek jou buiten nog wel, ventje!”, bekt hij terug. Hij pakt zijn jas, negeert hem verder en loopt naar buiten. Moeder staat er genoeglijk bij te kijken en geeft Peter een knipoog wanneer hij met een grijns op zijn gezicht naar haar opkijkt.
De dag met Peter vloog voorbij, maar na het weekend wil het werk niet vlotten. Riek de Veer was niet thuis geweest en er stonden ook geen lege flessen bij de deur. Jan is nog naar de deur gelopen, maar er werd niet opengedaan. Nu is mevrouw van de Molen in de wagen, met haar dochtertje Ellen, die hem al een poosje verlegen aankijkt.
“Ik ben vandaag jarig!”, zegt ze dralend.
Mevrouw Van de Molen rekent de boodschappen af, ziet dat een reactie uitblijft en antwoordt dan spontaan: “Ja hé, de hele dag!”
Jan kijkt nu met andere ogen naar de kinderen die samen met hun ouders boodschappen komen doen. Hij lacht gemaakt naar hen en laat ze kiezen uit een pot met snoep die nog maar half gevuld is. Hij zou Ellen wel willen oppakken en boven op de toonbank zetten, zoals hij gewoon was te doen met kinderen die jarig zijn. Ze zou dan net zo groot als de melkboer zijn en iets mogen kiezen uit de doos met presentjes die onder de toonbank staat. Op het bureau hadden ze gevraagd waarom en wáár hij Mieke precies had vastgepakt. Nu is alles anders en durft hij dat niet meer.
Nadat al het werk gedaan is, zwerft Jan ’s vaak doelloos door de bossen. Buiten Peter heeft hij geen vrienden waarmee hij praten kan. Zijn aanwezigheid doet hem goed, maar het lichamelijk contact met deze jongen, die graag zijn krachten met hem meet, is verslavend. Zijn ontnuchterende openheid en de vele intieme momenten zijn voor Jan onweerstaanbaar geworden. Peter laat hem niet meer los en spookt ‘s nachts uren door zijn hoofd. Jan vraagt zich steeds vaker af of het wel natuurlijk is dat hij van een jongen houdt, terwijl hij weet dat hij geen homo is. Hij gaat zitten op een boomstronk en kijkt een moment naar het dubbelspoor beneden hem. ’s Avond zijn de treinen mooi verlicht, weet Jan. Soms loopt er een grazend reebokje of zweeft er een roofvogel in de lucht. “Pieeeuw” klinkt het dan. Terwijl hij daar zit, probeert hij zich een beeld te vormen van iemand die door de trein gegrepen wordt. Vorige week nog heeft een knaap van pas drieëntwintig jaar zich hier voor de trein geworpen.
“Ik kan het me wel voorstellen hoe iemand ertoe komt”, tobt Jan. “Treinen genoeg, en niemand die je hier stoort. Laats is er ook weer een pedofiel opgepakt. Heel Nederland sprak schande van de man. Tegenwoordig is alles kinderporno! Geef mij de dieren maar, die kennen tenminste geen vooroordeel!”
Als Jan zijn hart gelucht heeft, doolt hij verder door het bos. Zoals vaker stopt hij ook nu even bij een oude eikenboom, die ongenaakbaar op een open plek staat en mede door het vale schijnsel van de maan, vanavond extra indruk op hem maakt. Zo gaan er enkele weken van overpeinzing voorbij, totdat op een zaterdagmorgen de telefoon gaat.
“Met Peter, ik kan vandaag niet komen”, klinkt een zachte jongensstem.
“O, waarom niet? Ben je ziek?”, antwoordt Jan belangstellend, maar hij weet al dat het niet goed zit. Hij hoort het aan zijn stem. Een beklemmend gevoel ontneemt hem de moed om verder te vragen, bang voor het antwoord dat volgen zal.
“Nee, …”
Er praat nu iemand op de achtergrond, hoort Jan, het is zijn vader.
“Hallo Jan, met de vader van Peter”, klinkt het nu met luide stem.
“Peter komt vandaag niet werken. Gezien de omstandigheden vinden we het niet goed dat hij zaterdags nog bij je komt. Je snapt wel wat ik bedoel, hé!”
Zonder dat hij reageren kan, wordt het gesprek beëindigd en de verbinding
verbroken. Ontdaan legt Jan de hoorn terug op de haak. Dit had hij niet verwacht. Zijn hart bonst in zijn borst en met zijn hand zoekt hij steun aan de muur achter hem. “Zou Peter wat gezegd hebben?”, fluistert hij. “Zijn vader kent hem niet zoals ik hem ken. Hij weet niet half wat een leuk joch het is.” Ontgoocheld gaat hij zitten op de koude tegelvloer. “Ik heb niets gedaan waarvoor ik me schamen moet”, spreekt hij zichzelf moed in. “Ja, één keer heb ik hem een kus gegeven. Op zijn wang, maar dat had hij echt nodig en hij vond het helemaal niet erg. Mag je dan alleen van je eigen kinderen houden? Lekker makkelijk!”, reageert hij geëmotioneerd. Tranen lopen over zijn wangen en zijn benen doen zeer. “En wat, als je zelf geen kinderen hebt?”, stamelt hij. “Ik hou van hem, wat is daar nu mis mee?” Minutenlang zit Jan met zijn wang tegen de muur gedrukt, ontdaan, gekwetst, en diep teleurgesteld in de wereld waarin hij leven moet.
In de dagen die volgen is Jan eerder klaar met zijn wijk. Steeds vaker houdt hij brood over en moet hij producten weggooien die over de datum zijn. Het was moeder ook opgevallen dat hij al vroeg thuis was deze week, maar ze had hem er verder niet direct naar gevraagd.
“Vandaag is Mulder van het bureau nog langs geweest. Ik heb hem gezegd dat je naar het bureau zult gaan. Je bent tegenwoordig toch vroeger thuis”, had ze gezegd. Maar daar had hij de moed nog niet voor opgebracht. Op een stoel achter het huis overdenkt hij ’s avonds zijn leven. Met een lege beker in zijn hand geklemd, staart hij voor zich uit, over de oude vijver, naar het einde van de tuin. Zo ook deze avond. Het zal niet lang meer duren voordat het begint te regenen, weet Jan uit ervaring. Hij schopt zijn klompen uit en trekt zijn laarzen aan. Moeder slaapt reeds. Ze heeft een pot koffie klaargezet, waar hij nog nauwelijks van gedronken heeft. In gedachten verzonken en vol zelfmedelijden ziet hij de woorden weer staan die kinderen in het stof schreven, achterop zijn wagen. Hij weet wel dat het kinderspel is, maar toch heeft het hem opnieuw gekwetst en zijn zelfvertrouwen geen goed gedaan. Nadat hij een envelop met Franks naam erop heeft dichtgeplakt, pakt hij een tweede brief die hij vanavond heeft geschreven en leest hem nog eenmaal door.
Beste Peter”, staat erboven. Twee eenvoudige woorden, waar Jan zolang over getwijfeld heeft. “Als je dit leest”, gaat hij verder, “weet je dat ik er niet meer ben.“ Na het hardop lezen van deze zin, schieten de tranen hem opnieuw in de ogen. In gedachten ziet hij Peter zitten, met zijn brief in zijn handen. Onzeker over hoe de jongen het bericht van zijn dood zal oppakken, vervloekt hij God en zichzelf dat hij zo’n eenling is. “Wie had ooit kunnen denken dat ik nog eens zo’n brief zou schrijven, aan Peter nog wel? Als er een is die het niet begrijpen zal, is hij het wel. Hij is als een zoon voor mij, hoe durven ze daar wat van te zeggen! Stelletje klootzakken!”
Na het nemen van een slok lauwe koffie, leest hij geëmotioneerd verder: “Het spijt me dat ik je dit schrijven moet. Je hebt vast al gehoord wat ik heb gedaan. Misschien heb je er nu verdriet om en begrijp je het niet. Maar later als je ook zo oud ben als ik, moet je deze brief nog maar eens lezen. Misschien begrijp je dan beter waarom ik niet gelukkig was in dit leven. Jou mocht ik wel heel graag, hoor! Dat moet je nooit vergeten! Je bent een leuke jongen, Peter, en ik hoop dat je blijft zoals je bent en gelukkig wordt. Ik zou je willen vragen of je een keer naar mijn graf wilt gaan. Daarna moet je me maar vergeten en doorgaan met je leven. Het ga je goed. - Jan Hendriks”
Tevreden over de inhoud, plakt Jan ook deze envelop dicht. Een eerste regendruppel spat uiteen op de tafel voor hem. De bladeren aan de appelboom roeren zich en de donder laat steeds vaker van zich horen. Dit is de stilte voor de storm, weet Jan. Hij staat op, pakt zijn dubbelloops jachtgeweer en gaat naar boven. Zonder verder nog na te denken, drukt hij daar de loop tegen het laken waaronder zijn moeder ligt en schiet haar dood. De dreigende onweerslucht met haar oplichtende wolken verlicht zwak het met bloed bevlekte laken. Hij pakt een deken, bedekt emotieloos haar lichaam en zegt: “Het is beter zo, moeder. Ik kan je niet alleen achterlaten. God zal nu voor je zorgen.”
Buiten gaat hij naar de schuur waar hij nog een stuk touw pakt, neemt de hond mee en loopt het erf af. Nog een laatste maal blikt hij daar over zijn schouder, naar de boerderij die nu helemaal donker is.
“Kom Bas, we gaan!” De hond blaft en rent enthousiast voor hem uit. In het geweer dat over Jans arm hangt, bevindt zich nog één patroon. Hij heeft het goed doordacht, want meer heeft hij er niet nodig om de hond te doden, voordat hij zichzelf ophangt.
Wanneer Jan het bos nadert, lichten de bomen langs de weg plots op: er komt een auto aan. Hij besluit te wachten totdat de wagen hem gepasseerd is, draait zijn rug naar de weg en sluit zijn ogen, om ze te beschermen tegen het felle koplamplicht. Het duurt lang voordat de wagen dichterbij komt, merkt Jan. Hij draait zijn hoofd en ziet dat de auto vaart mindert.
“Zo Jan, nog laat op pad! Ga je op fazantenjacht, met dit weer?”
Nu hij geen hinder meer heeft van het felle licht, ziet hij dat het Frank is. Hij schrikt ervan, hangt het geweer over zijn schouder en draait zich naar de auto toe.
“Goed dat ik je zie, Jan.” Frank draait het raampje verder open en stop de wagen. “Ik ben laatst nog bij je aan de deur geweest, maar je was er niet.”
“Ja, klopt …, ik heb nog geen tijd gehad om langs te komen”, liegt hij.
“Je hoeft je geen zorgen te maken. Het gaat over die klacht van mevrouw De Veer, je weet wel, de weduwe van Teus. Ik ben bij haar langs geweest, omdat ze weer gebeld had. Nu over iemand anders. Ze is erg achterdochtig en vertrouwt niemand, vreemd mens. Van haar verhaal over jou bleek ook niets te kloppen. Sorry dat ik je laatst zo hard heb aangepakt. Maar het feit dat we bij elkaar in de klas hebben gezeten, mag daar geen invloed op hebben. Dat ben je toch met me eens, hé?”
“Ja”, klinkt het zacht na een korte aarzeling.
“Nou, succes met de jacht verder, ik zal je niet langer ophouden” knipoogt Frank hem vriendelijk toe. “En doe de groeten aan je moeder!”
.
“Er ligt een klacht op mijn bureau, Jan”, zegt Frank Mulder. “Ik kan en mag die niet negeren. Kindermisbruik is een gevoelige zaak. Ik hoop dat je de ernst van de situatie inziet.”
Zenuwachtig tikt Jan met zijn linkervoet op de grond. Als een kleine jongen zit hij voorovergebogen op zijn stoel. Stil en met tranen in zijn ogen staart hij gespannen naar de metalen tafelpoot. Hoofdagent Mulder heeft hem hard aangepakt en hem zijn vragen op verschillende manieren voorgelegd. Jan heeft alles toegegeven, het staat allemaal netjes op papier.
“Als je hier even tekent, dan kun je daarna je wagen ophalen en naar huis toegaan.”
Aangeslagen loopt Jan door de straten. Hij zou Marieke, het dochtertje van een van zijn klanten, onzedelijk hebben betast. Er was een getuige, maar wie wilden ze niet zeggen. Klote, zo’n verhoor, denkt hij. Wie denken ze wel dat ze voor zich hebben, ik ben er echt ziek van. Met de mouw van zijn jas veegt hij zijn wang droog, trekt zijn kraag op en loopt gehaast verder in de richting van zijn melkwagen. Een enkele lantaarnpaal verlicht het dorpsplein. Jan mijdt het schijnsel ervan en kijkt schichtig om zich heen wanneer hij oversteekt. “Opgepakt voor kindermisbruik,’ prevelt hij. ‘Wie had dat ooit kunnen denken!”
Buiten het centrum gekomen, slaat hij zijn ogen op naar de heldere sterrenlucht. Het besef dat het heelal oneindig is, heeft hem altijd geïntrigeerd. Er staan er duizenden, ziet Jan. Hoe langer hij kijkt, hoe meer er verschijnen. “U hebt mij toch gemaakt, God?”, zegt hij uiteindelijk. “Waarom ben ik dan altijd alleen, als er zoveel mensen als sterren zijn?” Gefascineerd door het fraaie uitspansel vraagt hij zich af of God daar echt zal zijn en moet daarbij ook aan zijn vader denken, die veel te jong gestorven is. Jan weet niet beter dan dat hij de man in huis is. Samen met zijn moeder runt hij een buurtsuper, de enige die het dorp rijk is. Terug bij de wagen duwt hij de schuifdeur open en gaat naar binnen. Op de tast schuifelt hij naar voren, langs de rollen beschuit en het onverkochte brood, op zoek naar een zaklamp. Geërgerd schopt hij een doos opzij, pakt een blikje frisdrank en drinkt er gulzig van. “Wat een klerezooi ook! Shitlamp!” Na het laten van een flinke boer kruipt hij achter het stuur.
“Ik ben gewoon vals beschuldigt”, stelt hij kwaad vast. “Zou het dat mens van Kuiper zijn? Of Van de Brink, die spoort immers niet.” Hij kijkt op het dasbordklokje en ziet dat het al zeven uur is geweest. Vertwijfeld start hij de motor, maar de lichten blijven uit. Minutenlang staart hij verdwaast door de zwarte voorruit, nog niet goed bevattend wat hem overkomen is. “Ik moet naar huis!“, prevelt hij tenslotte. “Moeder zal ongerust zijn.” Hij vervloekt zichzelf en het isolement waarin hij is opgegroeid. De tranen groeien in zijn ogen en voor het eerst sinds zijn kindertijd huilt hij hardop. Achter zijn ogen brandt een vuur van twijfel en onvervuld verlangen. “Was ik maar als Peter, dan zou alles anders zijn!”, mompelt hij verbitterd, en rijdt weg.
Bij de boerderij staat de hond hem al op te wachten. Jan parkeert zijn bestelbus, blikt nog een laatste maal in de spiegel en stapt naar buiten, waar de hond hem kwispelend komt begroeten. Moeder is in de keuken bezig, maar krijgt niet de kans om iets te zeggen als Jan binnenkomt. Hij ontwijkt haar blik, mort bij het passeren iets onverstaanbaars en gaat zitten op de bruinleren bank in de voorkamer. Met zijn ellebogen steunend op zijn knieën tuurt hij naar de grond. Moeder hangt haar schort op aan de keukenstoel en gaat naast hem zitten. Zijn lip trilt. Zijn lichaam schokt. Jan huilt opnieuw hardop.
“Het is wel goed zo, jongen”, zegt moeder nu, terwijl ze zijn hoofd tegen haar schouder drukt.
“Wil je er over vertellen?”
Een antwoord komt er niet.
“Ze hebben gebeld, Jan. Dat je op het bureau bent geweest, vanmiddag.”
Jan kijkt op. Hij hoeft niets te zeggen, ze weet het al.
“Ik ben opgepakt”, begint hij kwaad. “Dat stomme mens van Kuiper zal ze wel gebeld hebben. Dat kutwijf!”
“Jan toch! Dat kun je zo niet zeggen, dat weet je immers niet.” Hij kijkt zijn moeder aan, en weet dat ze gelijk heeft. De hond die naast hem is komen zitten, legt trouw zijn kop op zijn knie. Met zijn bruine ogen staart hij zijn baasje afwachtend aan, net zolang totdat deze hem een aai geeft. Jan zucht eens diep en gaat rechtop zitten. Na een moment gezwegen te hebben, vervolgt hij zijn verslag: “Ze denken dat ik … Ze vroegen of er ook kinderen alleen op de wagen kwamen. Zonder de ouders erbij. Allemaal van die stomme vragen die nergens op slaan. Het was Frank, die heeft van alles opgeschreven, en toen mocht ik weg.“
Moeder kent haar jongen en heeft gemerkt dat hij de laatste tijd niet lekker in zijn vel zit. Behalve als Peter er is, zijn zaterdaghulpje, dan fleurt hij helemaal op. Maar de rest van de week zegt hij weinig en heeft hij steeds vaker depressieve buien. Het doet haar veel verdriet dat hij nog steeds alleen is. Ze is zelf al op leeftijd en vreest de dag dat ze er niet meer voor hem zijn zal.
"Je hebt toch niets gedaan waarvoor je je schamen moet, of wel?”
"Nee”, antwoordt hij vertwijfeld, terwijl hij bij zichzelf te rade gaat.
“Het zal vast een misverstand zijn. Mulder vond het ook een moeilijke kwestie, zei hij aan de telefoon”, probeer ze haar zoon op te monteren. “Kom, ik zal het eten opwarmen en dan moet je maar eens vroeg naar bed gaan. Je zult zien dat het morgen weer beter gaat.”
De volgende dag is Jan al vroeg wakker. Hij heeft onrustig geslapen en is vroeger dan normaal opgestaan om de houtkachel aan te maken. Na het nuttigen van een botterham en een sterke bak met koffie trekt hij zijn jas aan en gaat naar buiten. “Shit, wat een kou. ‘k Was liever thuis gebleven”, moppert hij, terwijl hij naar de bus loopt om de motor alvast te laten warmlopen. Door de vorst klemt de deur en Jan ontsteekt in woede wanneer hij hem niet gelijk open krijgt. Moeder is inmiddels ook beneden en schudt haar hooft wanneer ze Jan hoort vloeken. Door het keukenraam ziet ze hoe hij een flinke trap tegen de melkwagen geeft. Nadat hij eindelijk de kratten met extra voorraad op het bagagerek heeft vastgesjord, smijt hij de deur dicht. Binnen trapt hij enkele malen flink op het gaspedaal om de nog koude dieselmotor versneld op te warmen. Hierna groet hij zijn moeder door kort zijn hand op te steken en gaat op weg.
“Twee melk, een halfje wit, één fijn volkoren en een pakje boter. Dat is dan zes gulden en vijfentachtig cent, alstublieft.”
Mevrouw de Wit betaalt gepast: zes guldens, twee kwartjes, drie dubbeltjes en een stuiver.
“En bedankt maar weer hoor!”, zegt Jan, terwijl hij de muntstukken vanaf de toonbank in zijn handpalm schuift. Mevrouw de Wit stopt de boodschappen in haar tas en kijkt Jan daarbij aandachtig van opzij aan. Het is alsof ze iets vermoedt en eigenlijk vragen wil: Waarom woon je nog steeds bij je moeder thuis, Jan? Waarom heb je geen vriendin, Jan? Vind je kleine kinderen leuk, Jan? Heb je al eens seks gehad met een vrouw, Jan? Wie ben jij eigenlijk, Jan? Als je hier even tekent, kun je zo dadelijk naar huis!
“Ben je wel helemaal fit, Jan? Je ziet vandaag wat bleekjes”, vraagt ze uiteindelijk, terwijl ze hem halsstarrig blijft aankijken.
Jan wrijft over zijn kin en verschuift het kladblok nog eens dat voor hem op de toonbank ligt. Ze wacht op antwoord, maar hij weet niet wat hij zeggen moet.
“Ga maar eens vroeg naar bed vanavond hé! En drink een glas warme melk voor het slapengaan. Daar knap je vast van op!”, vervolgt de vrouw.
“Ja, dat zal ik zeker doen”, antwoordt Jan uiteindelijk, terwijl hij zich behoedzaam van haar afdraait en zijn arm uitstrekt naar de pakjes shag die boven hem op de schap staan. Hoewel hij de vrouw niet aankijkt, weet hij dat ze geduldig staat te wachten op hét moment dat ze de waarheid in zijn ogen lezen kan. Die ene seconde die ze nodig heeft om zijn hart te doorgronden en hem, voor de rest van zijn leven, in een hokje te plaatsen. Een hokje waarboven met grote letters ‘PEDO’ staat geschreven. Jan krijgt het er warm van. Het ademhalen gaat hem steeds moeizamer af en zijn linker ooglid beweegt hinderlijk heen en weer, zonder dat hij het stoppen kan. Zijn maag draait om bij het ruiken van de zoetigheid die voor hem op de schap staat. Zou zij het zijn die gebeld heeft, vraagt hij zich af. Het kriebelt binnen in zijn keel, maar kuchen durft hij niet, laat staan dat hij het zweet van zijn voorhoofd durft te vegen. Nog even en dan zal de vrouw eindelijk weggaan, weet Jan. Met zijn hand glijdt hij over de rand van de toonbank, een spoor van natte zweetvlekken achterlatend op het glimmende multiplex. De vrouw ziet het. Het potlood dat hij krampachtig vasthoudt, breekt met een droge ‘knak’ in tweeën. Hij geeft geen krimp en kijkt gespannen naar de druppel bloed die vanuit zijn rechtervuist op de vloer uiteenspat.
“En anders moet je gewoon naar de dokter gaan”, reageert de vrouw nog, terwijl ze voorzichtig uit de wagen stapt. “En doe de groeten aan je moeder!”
Nu hij weer alleen is, voelt Jan zich een gevangene in zijn eigen wagen. Voorzichtig kijkt hij door het zijraampje of de vrouw al uit het zicht verdwenen is. Andere klanten ziet hij niet. Hij klap het portierraampje open om eens diep adem te halen. Hierna gaat hij zitten op de bestuurdersstoel, waar hij het laatste randje van zijn nagel scheurt. "Ik wou dat moeder al dood was", mompelt Jan gefrustreerd, "dan kon ik er rustig een eind aan maken. Niemand die me missen zal." De man die langs de wagen loopt reageert geërgerd wanneer Jan zijn zelfcontrole verliest en hardop vloekt. "Donder allemaal maar op!", voegt hij er nog aan toe, terwijl hij een harde trap tegen het bordes van zijn auto geeft. "Was ik maar nooit geboren. Klootzakken!"
Zaterdag. Na de vermoeiende dag van gisteren, heeft Jan vannacht beter geslapen. Vandaag zal hij niet alleen op de wagen staan. Peter komt hem helpen en zit al aan de keukentafel met een kop warme chocomel en een plak zelfgebakken cake. De kenmerkende lucht van het houtvuur dringt langzaam door in de nog kille keuken. Moeder smeert boterhammen en giet dampende koffie in een isoleerkan. Jan kent Peter al van jongs af aan en mag hem graag. Peter is de jongen die hijzelf wel had willen opvoeden, waar hij een zwak voor heeft. Een jongen die zijn kinderlijke onschuld nog niet verloren heeft, met een rijke fantasie en een zelfvertrouwen waar Jan alleen maar bewondering voor kan opbrengen. Alles wat hij doet is naturel en wat hij zegt is waar. Zonder weerwoord doet hij wat Jan hem opdraagt. Peter is het kind waarmee hij zonder schroom praten kan. Jan observeert hem terwijl hij zijn beker leegdrinkt. Het is wel een schone jongen, weet Jan. Hij denkt nog vaak aan het moment dat hij voor het eerst een arm om zijn schouders sloeg en hem even stevig tegen zich aandrukte. Hij vond het prima en beantwoorde zijn toenadering met een brede glimlach. Sindsdien stoeien ze vaker met elkaar en is er een hechte band ontstaan.
“Zeg, kom je hier alleen om chocomel te drinken of gaan we nog wat doen vandaag?”
Peter reageert gelijk: “Ik zit op jou te wachten, hoor!” Hoofdschuddend grijnst hij gemaakt naar Jan, waarna hij extra langzaam opstaat en zijn kop en schotel netjes bij moeder op het aanrecht terugzet. “Bedankt voor de heerlijke chocomel”, zegt hij beleefd. Hierna schuift hij zijn stoel aan en loopt tergend langzaam naar de andere kant van de keuken, waar zijn zwartleren legerkisten staan. Terwijl hij gehurkt bezig is zijn schoenen dicht te knopen, kijkt hij een moment opzij en gelast: “Ga maar vast hoor!” Nu is het aan Jan om zijn hoofd te schudden. “Ik spreek jou buiten nog wel, ventje!”, bekt hij terug. Hij pakt zijn jas, negeert hem verder en loopt naar buiten. Moeder staat er genoeglijk bij te kijken en geeft Peter een knipoog wanneer hij met een grijns op zijn gezicht naar haar opkijkt.
De dag met Peter vloog voorbij, maar na het weekend help Jan zonder veel te zeggen zijn klanten aan verse melk en fijngesneden brood. Mevrouw Kuiper is op de wagen geweest, maar leek nergens vanaf te weten. Ze reageerde net zo koel en afstandelijk als voorheen. Riek de Veer was niet op de wagen geweest. Er hadden ook geen lege flessen bij de deur gestaan. Jan is nog naar de deur gelopen, maar er werd niet opengedaan.
“Ik ben vandaag jarig!”
Twee glunderende kinderogen kijken hem aan. Mevrouw Van de Molen rekent de boodschappen af en antwoordt haar dochtertje: “Ja hé, de hele dag!”
Jan kijkt nu met andere ogen naar de kinderen, die samen met hun ouders boodschappen komen doen. Hij lacht gemaakt naar Ellen en laat haar kiezen uit een pot met snoep die nog maar half gevuld is. Hij zou haar willen oppakken en boven op de toonbank zetten, zoals hij wel vaker deed met kinderen die jarig zijn. Ze zou dan net zo groot als de melkboer zijn en iets mogen kiezen uit de doos met presentjes die onder de toonbank staat. Op het bureau had hij moeten uitleggen waarom en wáár hij Mieke precies had vastgepakt. Nu is alles anders en durft hij dat niet meer.
Nadat al het werk gedaan is, zwerft Jan ’s vaak doelloos door de bossen. Buiten Peter heeft hij geen vrienden waarmee hij praten kan. Zijn aanwezigheid doet hem goed, maar het lichamelijk contact met deze jongen, die graag zijn krachten met hem meet, is verslavend. Zijn ontnuchterende openheid en de vele intieme momenten zijn voor Jan onweerstaanbaar geworden. Peter laat hem niet meer los en spookt ‘s nachts uren door zijn hoofd. Jan vraagt zich steeds vaker af of het wel natuurlijk is dat hij van een jongen houdt, terwijl hij weet dat hij geen homo is. Hij gaat zitten op een boomstronk en kijkt een moment naar het dubbelspoor beneden hem. ’s Avond zijn de treinen mooi verlicht, weet Jan. Soms loopt er een grazend reebokje of zweeft er een roofvogel in de lucht. “Pieeeuw” klinkt het dan. Terwijl hij daar zit, probeert hij zich een beeld te vormen van iemand die door de trein gegrepen wordt. Vorige week nog heeft zich hier, niet ver vanwaar Jan zit, een jongenman voor de trein geworpen. Drieëntwintig jaar was hij pas, stond er in de krant te lezen.
“Ik kan het me wel voorstellen hoe iemand ertoe komt”, tobt Jan. “Treinen genoeg, en niemand die je hier stoort. Laats is er ook weer een pedofiel opgepakt. Heel Nederland sprak schande van de man. Tegenwoordig is alles kinderporno! Geef mij de dieren maar, die kennen tenminste geen vooroordeel!”
Als Jan zijn hart gelucht heeft, doolt hij verder door het bos. Zoals vaker stopt hij ook nu even bij een oude eikenboom, die ongenaakbaar op een open plek staat en mede door het vale schijnsel van de maan, vanavond extra indruk op hem maakt. Zo gaan er enkele weken van overpeinzing voorbij, totdat op een zaterdagmorgen de telefoon gaat.
“Met Peter, ik kan vandaag niet komen”, klinkt een zachte jongensstem.
“O, waarom niet? Ben je ziek?”, antwoordt Jan belangstellend, maar hij weet al dat het niet goed zit. Hij hoort het aan zijn stem. Een beklemmend gevoel ontneemt hem de moed om verder te vragen, bang voor het antwoord dat volgen zal.
“Nee, …”
Er praat nu iemand op de achtergrond, hoort Jan, het is zijn vader.
“Hallo Jan, met de vader van Peter”, klinkt het nu met luide stem.
“Peter komt vandaag niet werken. Gezien de omstandigheden vinden we het niet goed dat hij zaterdags nog bij je komt. Je snapt wel wat ik bedoel, hé!”
Zonder dat hij reageren kan, wordt het gesprek beëindigd en de verbinding verbroken. Ontdaan legt Jan de hoorn terug op de haak. Dit had hij niet verwacht. Zijn hart bonst in zijn borst en met zijn hand zoekt hij steun aan de muur achter hem. “Zou Peter wat gezegd hebben?”, fluistert hij. “Zijn vader kent hem niet zoals ik hem ken. Hij weet niet half wat een leuk joch het is.” Ontgoocheld gaat hij zitten op de koude tegelvloer. “Ik heb niets gedaan waarvoor ik me schamen moet”, spreekt hij zichzelf moed in. “Ja, één keer heb ik hem een kus gegeven. Op zijn wang, maar dat had hij echt nodig en hij vond het helemaal niet erg. Mag je dan alleen van je eigen kinderen houden? Lekker makkelijk!”, reageert hij geëmotioneerd. Tranen lopen over zijn wangen en zijn benen doen zeer. “En wat, als je zelf geen kinderen hebt?”, stamelt hij. “Ik hou van hem, wat is daar nu mis mee?” Minutenlang zit Jan met zijn wang tegen de muur gedrukt, ontdaan, gekwetst, en diep teleurgesteld in de wereld waarin hij leven moet.
In de week die volgt staat Jan er alleen voor. Hoofdagent Mulder is nog wel langs geweest, toen hij niet thuis was. Aan moeder had hij gezegd dat hij naar het bureau moest komen, maar daar had hij de moed nog niet voor opgebracht. Op een stoel achter het huis overdenkt hij ’s avonds zijn leven. Met een lege beker in zijn hand geklemd, staart hij voor zich uit, over de oude vijver, naar het einde van de tuin. Zo ook deze avond. Het zal niet lang meer duren voordat het begint te regenen, weet Jan uit ervaring. Hij schopt zijn klompen uit en trekt zijn laarzen aan. Moeder slaapt reeds. Ze heeft een pot koffie klaargezet, waar hij nog nauwelijks van gedronken heeft. In gedachten verzonken en vol zelfmedelijden ziet hij de woorden weer staan die kinderen in het stof schreven, achterop zijn wagen. Hij weet wel dat het kinderspel is, maar toch heeft het hem opnieuw gekwetst en zijn zelfvertrouwen geen goed gedaan. Nadat hij een envelop met Franks naam erop heeft dichtgeplakt, pakt hij een tweede brief die hij vanavond heeft geschreven en leest hem nog eenmaal door.
“Beste Peter”, staat erboven. Het zijn twee woorden die Jan al vaak herschreven heeft. “Als je dit leest”, gaat hij verder, “weet je dat ik er niet meer ben.“ Steeds opnieuw wordt Jan emotioneel na het lezen van deze zin. In gedachten ziet hij Peter zitten, met zijn brief in zijn handen. “Zal hij me missen zoals ik hem mis?”, vraagt Jan zich af. “Waarschijnlijk niet. Hoe kan ik hem dit nu aandoen, het blijft hem de rest van zijn leven waarschijnlijk achtervolgen. Moet ik hem toch schrijven hoeveel ik van hem hou, zodat hij het beter begrijpen kan, of toch maar niet?” Jan twijfelt opnieuw en probeert zich te verplaatsen in een kind van veertien en zijn emoties opzij te schuiven. Hij haalt een aantal keer diep adem en leest dan verder: “Het spijt me dat ik je dit schrijven moet. Je hebt vast al gehoord wat ik heb gedaan. Misschien heb je er nu verdriet om en begrijp je het niet. Maar later als je ook zo oud ben als ik, moet je deze brief nog maar eens lezen. Misschien begrijp je dan beter waarom ik niet gelukkig was in dit leven. Jou mocht ik wel heel graag, hoor! Dat moet je nooit vergeten! Je bent een leuke jongen, Peter, en ik hoop dat je blijft zoals je bent en gelukkig wordt. Ik zou je willen vragen of je een keer naar mijn graf wilt gaan. Daarna moet je me maar vergeten en doorgaan met je leven. Het ga je goed. - Jan Hendriks”
Tevreden over de inhoud, plakt Jan ook deze envelop dicht. Een eerste regendruppel spat uiteen op de tafel voor hem. De bladeren aan de appelboom roeren zich en de donder laat steeds vaker van zich horen. Dit is de stilte voor de storm, weet Jan. Hij staat op, pakt zijn dubbelloops jachtgeweer en gaat naar boven. Zonder verder nog na te denken, drukt hij daar de loop tegen het laken waaronder zijn moeder ligt en schiet haar dood. De dreigende onweerslucht met haar oplichtende wolken verlicht zwak het met bloed bevlekte laken. Hij pakt een deken, bedekt emotieloos haar lichaam en zegt: “Het is beter zo, moeder. Ik kan je niet alleen achterlaten. God zal nu voor je zorgen.”
Buiten gaat hij naar de schuur waar hij nog een stuk touw pakt, neemt de hond mee en loopt het erf af. Nog een laatste maal blikt hij daar over zijn schouder, naar de boerderij die nu helemaal donker is.
“Kom Bas, we gaan!” De hond blaft en rent enthousiast voor hem uit. In het geweer dat over Jans arm hangt, bevindt zich nog één patroon. Hij heeft het goed doordacht, want meer heeft hij er niet nodig om de hond te doden, voordat hij zichzelf ophangt.
Wanneer Jan het bos nadert, lichten de bomen langs de weg plots op, er komt een auto aan. Hij besluit te wachten totdat de wagen hem gepasseerd is, draait zijn rug naar de weg en sluit zijn ogen, om ze te beschermen tegen het felle koplamplicht. Het duurt lang voordat de wagen dichterbij komt, merkt Jan. Hij draait zijn hoofd en ziet dat de auto vaart mindert.
“Zo Jan, nog laat op pad! Ga je op fazantenjacht, met dit weer?”
Nu hij geen hinder meer heeft van het felle licht, ziet hij dat het Frank is. Hij schrikt ervan, hangt het geweer over zijn schouder en draait zich naar de auto toe.
“Goed dat ik je zie, Jan.” Frank draait het raampje verder open en stop de wagen. “Ik ben laatst nog bij je aan de deur geweest, maar je was er niet.”
“Ja, klopt …, ik heb nog geen tijd gehad om langs te komen”, liegt hij.
“Je hoeft je geen zorgen te maken. Het gaat over die klacht van mevrouw De Veer, je weet wel, de weduwe van Teus. Ik ben bij haar langs geweest, omdat ze weer gebeld had. Nu over iemand anders. Ze is erg achterdochtig en vertrouwt niemand, vreemd mens. Van haar verhaal over jou bleek ook niets te kloppen. Sorry dat ik je laatst zo hard heb aangepakt. Maar het feit dat we bij elkaar in de klas hebben gezeten, mag daar geen invloed op hebben. Dat ben je toch met me eens, hé?”
“Ja”, klinkt het zacht na een korte aarzeling.
“Nou, succes met de jacht verder, ik zal je niet langer ophouden” knipoogt Frank hem vriendelijk toe. “En doe de groeten aan je moeder!”
.
“Er ligt een klacht op mijn bureau, Jan’, zegt Frank Mulder. ‘Ik kan en mag die niet negeren. Kindermisbruik is een gevoelige zaak. Ik hoop dat je de ernst van de situatie inziet.”
Zenuwachtig tikt Jan met zijn linkervoet op de grond. Als een kleine jongen zit hij voorovergebogen op zijn stoel. Stil en met tranen in zijn ogen staart hij gespannen naar de metalen tafelpoot. Hoofdagent Mulder heeft hem vanmiddag hard aangepakt en hem zijn vragen op verschillende manieren voorgelegd. Jan heeft alles toegegeven, het staat allemaal netjes op papier. Wanneer Frank op de klok kijkt, ziet hij dat het al zeven uur is en besluit Jan naar huis te laten gaan.
“Als je hier even tekent, dan kun je daarna je wagen ophalen en naar huis toegaan.”
Aangeslagen loopt Jan door de straten. Hij zou Marieke, het dochtertje van een van zijn klanten, onzedelijk hebben betast. Er was een getuige, maar wie wilden ze niet zeggen. Klote, zo’n verhoor, denkt hij. Wie denken ze wel dat ze voor zich hebben, ik ben er echt ziek van. Met de mouw van zijn jas veegt hij zijn wang droog, trekt zijn kraag op en loopt gehaast verder in de richting van zijn melkwagen. Een enkele lantaarnpaal verlicht het dorpsplein. Jan mijdt het schijnsel ervan en kijkt schichtig om zich heen wanneer hij oversteekt. “Opgepakt voor kindermisbruik,’ prevelt hij. ‘Wie had dat ooit kunnen denken!”
Buiten het centrum gekomen, slaat hij zijn ogen op naar de heldere sterrenlucht. Het besef dat het heelal oneindig is, heeft hem altijd geïntrigeerd. Er staan er duizenden, ziet Jan. Hoe langer hij kijkt, hoe meer er verschijnen. “U hebt mij toch gemaakt, God?”, zegt hij uiteindelijk. “Waarom ben ik dan altijd alleen, als er zoveel mensen als sterren zijn?” Gefascineerd door het fraaie uitspansel vraagt hij zich af of God daar echt zal zijn en moet daarbij ook aan zijn vader denken, die veel te jong gestorven is. Jan weet niet beter dan dat hij de man in huis is. Samen met zijn moeder runt hij een buurtsuper, de enige die het dorp rijk is. Terug bij de wagen duwt hij de schuifdeur open en gaat naar binnen. Op de tast schuifelt hij naar voren, langs de rollen beschuit en het onverkochte brood, op zoek naar een zaklamp. Geërgerd schopt hij een doos opzij, pakt een blikje frisdrank en drinkt er gulzig van. “Wat een klerezooi ook! Shitlamp!” Na het laten van een flinke boer gaat hij zitten op de bestuurdersstoel.
“Zou het dat mens van Kuiper zijn? Of Van de Brink, die spoort immers niet.” Vertwijfeld start hij de motor, maar de lichten blijven uit. Minutenlang staart hij verdwaast door de zwarte voorruit, nog niet goed bevattend wat hem overkomen is.
“Ik moet naar huis!“, prevelt hij tenslotte. “Moeder zal ongerust zijn en morgenvroeg is Peter er ook weer.” Denkend aan Peter, zijn zaterdaghulpje, vervloekt hij zichzelf en het isolement waarin hij is opgegroeid. De tranen groeien in zijn ogen en voor het eerst sinds zijn kindertijd huilt hij hardop. Achter zijn ogen brandt een vuur van twijfel en onvervuld verlangen. “Was ik maar als Peter, dan zou alles anders zijn!”, mompelt hij verbitterd, en rijdt weg.
Bij de boerderij staat de hond hem al op te wachten. Moeder heeft de wagen ook gehoord en staat bij de achterdeur. Jan parkeert zijn bestelbus, blikt nog een laatste maal in de spiegel en stapt naar buiten, waar de hond hem kwispelend komt begroeten.
“Wat ben je laat, jongen”, merkt moeder op.
Jan ontwijkt haar blik, mort bij het passeren iets onverstaanbaars en gaat zitten op de bruinleren bank in de voorkamer. Met zijn ellebogen steunend op zijn knieën tuurt hij naar de grond. Moeder hangt zijn jas op en gaat naast hem zitten. Zijn lip trilt. Zijn lichaam schokt. Jan huilt opnieuw hardop.
“Het is wel goed zo, jongen”, zegt moeder nu, terwijl ze zijn hoofd tegen haar schouder drukt.
“Wat is er toch met je aan de hand?”
Een antwoord komt er niet.
“Ze hebben gebeld, Jan. Dat je op het bureau bent geweest, vanmiddag.”
Jan kijkt op. Hij hoeft niets te zeggen, ze weet het al.
“Ik ben opgepakt”, begint hij kwaad. “Dat stomme mens van Kuiper zal ze wel gebeld hebben. Dat kutwijf!”
“Jan toch! Dat kun je zo niet zeggen, dat weet je immers niet.” Hij kijkt zijn moeder aan, en weet dat ze gelijk heeft. De hond die naast hem is komen zitten, legt trouw zijn kop te rusten op zijn knie. Met zijn bruine ogen staart hij zijn baasje afwachtend aan, net zolang totdat deze hem een aai geeft. Jan zucht eens diep en gaat rechtop zitten. Na een moment gezwegen te hebben, vervolgt hij zijn verslag: “Ze denken dat ik … Ze vroegen of er ook kinderen alleen op de wagen kwamen. Zonder de ouders erbij. Allemaal van die stomme vragen die nergens op slaan. Het was Frank, die heeft van alles opgeschreven, en toen mocht ik weg.“
"Je hebt toch niets gedaan waarvoor je schamen moet, of wel?”
"Nee”, antwoordt hij vertwijfeld, terwijl hij bij zichzelf te rade gaat.
“Nou dan!”, probeert moeder hem op te beuren. “Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen zorgen, zei oma altijd. Ik zal het eten opwarmen en dan moet je maar eens vroeg naar bed gaan vanavond. Je zult zien dat het morgen weer beter gaat.”
De volgende dag is Jan al vroeg wakker. Hij heeft onrustige geslapen en is vroeger dan normaal opgestaan om de houtkachel aan te maken. Het is een koude nacht geweest en de gedachte dat iemand hem vals beschuldigd heeft, laat hem niet los. Veel tijd om er over na te denken geeft hij zichzelf echter niet. Na een karig ontbijt en een sterke bak met koffie laat Jan de motor vast warmlopen. Terwijl moeder hem door het keukenraam gadeslaat, sjort hij kratten met extra voorraad op het bagagerek. Hierna groet hij zijn moeder door kort zijn hand op te steken en gaat op weg.
“Twee melk, een halfje wit, één fijn volkoren en een pakje boter. Dat is dan zes gulden en vijfentachtig cent, alstublieft.”
Mevrouw de Wit betaalt gepast: zes guldens, twee kwartjes, drie dubbeltjes en een stuiver.
“En bedankt maar weer hoor!”, zegt Jan, terwijl hij de muntstukken vanaf de toonbank in zijn handpalm schuift. Mevrouw de Wit stopt de boodschappen in haar tas en kijkt Jan daarbij aandachtig van opzij aan. Het is alsof ze iets vermoedt en eigenlijk vragen wil: Waarom woon je nog steeds bij je moeder thuis, Jan? Waarom heb je geen vriendin, Jan? Vind je kleine kinderen leuk, Jan? Heb je al eens seks gehad met een vrouw, Jan? Wie ben jij eigenlijk, Jan? Als je hier even tekent, kun je zo dadelijk naar huis!
“Ben je wel helemaal fit, Jan? Je ziet vandaag wat bleekjes”, vraagt ze uiteindelijk, terwijl ze hem halsstarrig blijft aankijken.
Jan wrijft eens over zijn kin en verschuift het kladblok nog eens dat voor hem op de toonbank ligt. Ze wacht op antwoord, maar hij weet niet wat hij zeggen moet.
“Ga maar eens vroeg naar bed vanavond hé! En drink een glas warme melk voor het slapengaan. Daar knap je vast van op!”, vervolgt de vrouw.
“Ja, dat zal ik zeker doen”, antwoordt Jan uiteindelijk, terwijl hij zich behoedzaam van haar afdraait en zijn arm uitstrekt naar de pakjes shag die boven hem op de schap staan. Hoewel hij de vrouw niet aankijkt, weet hij dat ze geduldig staat te wachten op hét moment dat ze de waarheid in zijn ogen lezen kan. Die ene seconde die ze nodig heeft om zijn hart te doorgronden en hem, voor de rest van zijn leven, in een hokje te plaatsen. Een hokje waarboven met grote letters ‘PEDO’ staat geschreven. Jan krijgt het er warm van. Het ademhalen gaat hem steeds moeizamer af en zijn linker ooglid beweegt hinderlijk heen en weer, zonder dat hij het stoppen kan. Hij snuift en zucht, zijn tong voelt aan als leer. Geduldig wacht hij tot de vrouw klaar is en weg zal gaan. Zijn maag draait om bij het ruiken van de zoetigheid die voor hem op de schap staat uitgestald. Zou zij het zijn die gebeld heeft, vraagt Jan zich af. Zijn mond zit vol met speeksel, maar slikken kan hij niet, laat staan dat hij het zweet van zijn voorhoofd durft te vegen. Nog even en dan zal de vrouw eindelijk weggaan, weet Jan. Met zijn hand glijdt hij over de rand van de toonbank, een spoor van natte zweetvlekken achterlatend op het glimmende multiplex. De vrouw ziet het. Het potlood dat hij krampachtig vasthoudt, breekt met een droge ‘knak’ in tweeën. Hij geeft geen krimp en kijkt gespannen naar de druppel bloed die vanuit zijn rechtervuist op de vloer uiteenspat.
“En anders moet je gewoon naar de dokter gaan”, reageert de vrouw nog, terwijl ze voorzichtig uit de wagen stapt. “En doe de groeten aan je moeder!”
Nu hij weer alleen is, voelt Jan zich een gevangene in zijn eigen wagen. Hij krijgt het er benauwd van. Voorzichtig kijkt hij door het zijraampje, of de vrouw al uit het zicht verdwenen is. Andere klanten ziet Jan niet. Hij klap het portierraampje open om eens diep adem te halen. Hierna gaat hij zitten op de bestuurdersstoel, waar hij het laatste restje van zijn vingernagel bijt. “Ik wou dat moeder al dood was”, mompelt Jan gefrustreerd, “dan kon ik er rustig een eind aan maken. Niemand die me missen zal.”
De man die langs de wagen loopt reageert geërgerd wanneer Jan zijn zelfcontrole verliest en hardop vloekt. “Donder allemaal maar op!”, voegt Jan er nog aan toe, terwijl hij een harde trap tegen het bordes van zijn auto geeft. “Was ik maar nooit geboren. Klootzakken!”
Zaterdag. Na de vermoeiende dag van gisteren, heeft Jan vannacht beter geslapen. Vandaag zal hij niet alleen op de wagen staan. Peter komt hem helpen en zit al aan de keukentafel met een kop warme chocomel en een plak zelfgebakken cake. De kenmerkende lucht van het houtvuur dringt langzaam door in de nog kille keuken. Moeder smeert boterhammen en giet dampende koffie in een isoleerkan. Jan kent Peter al van jongs af aan en mag hem graag. Peter is de jongen die hijzelf wel had willen opvoeden, waar hij een zwak voor heeft. Een jongen die zijn kinderlijke onschuld nog niet verloren heeft, met een rijke fantasie en een zelfvertrouwen waar Jan alleen maar bewondering voor kan opbrengen. Alles wat hij doet is naturel en wat hij zegt is waar. Zonder weerwoord doet hij wat Jan hem opdraagt. Peter is het kind waarmee hij zonder schroom praten kan. Jan observeert hem terwijl hij zijn beker leegdrinkt. Het is wel een schone jongen, weet Jan. Hij denkt nog vaak aan het moment dat hij voor het eerst een arm om zijn schouders sloeg en hem even stevig tegen zich aandrukte. Hij vond het prima en beantwoorde zijn toenadering met een brede glimlach. Sindsdien stoeien ze vaker met elkaar en is er een hechte band ontstaan.
“Zeg, kom je hier alleen om chocomel te drinken of gaan we nog wat doen vandaag?”
Peter reageert gelijk: “Ik zit op jou te wachten, hoor!” Hoofdschuddend grijnst hij gemaakt naar Jan, waarna hij extra langzaam opstaat en zijn kop en schotel netjes bij moeder op het aanrecht terugzet. “Bedankt voor de heerlijke chocomel”, zegt hij beleefd. Hierna schuift hij zijn stoel aan en loopt tergend langzaam naar de andere kant van de keuken, waar zijn zwartleren legerkisten staan. Terwijl hij gehurkt bezig is zijn schoenen dicht te knopen, kijkt hij een moment opzij en gelast: “Ga maar vast hoor!” Nu is het aan Jan om zijn hoofd te schudden. “Ik spreek jou buiten nog wel, ventje!”, bekt hij terug. Hij pakt zijn jas, negeert hem verder en loopt naar buiten. Moeder staat er genoeglijk bij te kijken en geeft Peter een knipoog wanneer hij met een grijns op zijn gezicht naar haar opkijkt.
De dag met Peter vloog voorbij, maar na het weekend staat Jan er weer alleen voor. Zonder veel te zeggen helpt hij zijn klanten aan verse melk en fijngesneden brood. Mevrouw Kuiper is op de wagen geweest, maar leek nergens vanaf te weten. Ze reageerde net zo koel en afstandelijk als voorheen. Riek de Veer was niet op de wagen geweest. Er hadden ook geen lege flessen bij de deur gestaan. Jan is nog naar de deur gelopen, maar er werd niet opengedaan.
“Ik ben vandaag jarig!”
Twee glunderende kinderogen kijken hem aan. Mevrouw Van de Molen rekent de boodschappen af en antwoordt haar dochtertje: “Ja hé, de hele dag!”
Jan kijkt nu met andere ogen naar de kinderen, die samen met hun ouders boodschappen komen doen. Hij lacht gemaakt naar Ellen en laat haar kiezen uit een pot met snoep die nog maar half gevuld is. Hij zou haar willen oppakken en boven op de toonbank zetten, zoals hij wel vaker deed met kinderen die jarig zijn. Ze zou dan net zo groot als de melkboer zijn en iets mogen kiezen uit de doos met presentjes die onder de toonbank staat. Op het bureau had hij moeten uitleggen waarom en wáár hij Mieke precies had vastgepakt. Nu is alles anders en durft hij dat niet meer.
Nadat al het werk gedaan is, zwerft Jan ’s vaak doelloos door de bossen. Buiten Peter heeft hij geen vrienden waarmee hij praten kan. Zijn aanwezigheid doet hem goed, maar het lichamelijk contact met deze jongen, die graag zijn krachten met hem meet, is verslavend. Zijn ontnuchterende openheid en de vele intieme momenten zijn voor Jan onweerstaanbaar geworden. Peter laat hem niet meer los en spookt ‘s nachts uren door zijn hoofd. Jan vraagt zich steeds vaker af of het wel natuurlijk is dat hij van een jongen houdt, terwijl hij weet dat hij geen homo is. Hij gaat zitten op een boomstronk en kijkt een moment naar het dubbelspoor beneden hem. ’s Avond zijn de treinen mooi verlicht, weet Jan. Soms loopt er een grazend reebokje of zweeft er een roofvogel in de lucht. “Pieeeuw” klinkt het dan. Terwijl hij daar zit, probeert hij zich een beeld te vormen van iemand die door de trein gegrepen wordt. Vorige week nog heeft zich hier, niet ver vanwaar Jan zit, een jongenman voor de trein geworpen. Drieëntwintig jaar was hij pas, stond er in de krant te lezen.
“Ik kan het me wel voorstellen hoe iemand ertoe komt”, tobt Jan. “Treinen genoeg, en niemand die je hier stoort. Laats is er ook weer een pedofiel opgepakt. Heel Nederland sprak schande van de man. Tegenwoordig is alles kinderporno! Geef mij de dieren maar, die kennen tenminste geen vooroordeel!”
Als Jan zijn hart gelucht heeft, doolt hij verder door het bos. Zoals vaker stopt hij ook nu even bij een oude eikenboom, die ongenaakbaar op een open plek staat en mede door het vale schijnsel van de maan, vanavond extra indruk op hem maakt. Zo gaan er enkele weken van overpeinzing voorbij, totdat op een zaterdagmorgen de telefoon gaat.
“Met Peter, ik kan vandaag niet komen”, klinkt een zachte jongensstem.
“O, waarom niet? Ben je ziek?”, antwoordt Jan belangstellend, maar hij weet al dat het niet goed zit. Hij hoort het aan zijn stem. Een beklemmend gevoel ontneemt hem de moed om verder te vragen, bang voor het antwoord dat volgen zal.
“Nee, …”
Er praat nu iemand op de achtergrond, hoort Jan, het is zijn vader.
“Hallo Jan, met de vader van Peter”, klinkt het nu met luide stem.
“Peter komt vandaag niet werken. Gezien de omstandigheden vinden we het niet goed dat hij zaterdags nog bij je komt. Je snapt wel wat ik bedoel, hé!”
Zonder dat hij reageren kan, wordt het gesprek beëindigd en de verbinding verbroken. Ontdaan legt Jan de hoorn terug op de haak. Dit had hij niet verwacht. Zijn hart bonst in zijn borst en met zijn hand zoekt hij steun aan de muur achter hem. “Zou Peter wat gezegd hebben?”, fluistert hij. “Zijn vader kent hem niet zoals ik hem ken. Hij weet niet half wat een leuk joch het is.” Ontgoocheld gaat hij zitten op de koude tegelvloer. “Ik heb niets gedaan waarvoor ik me schamen moet”, spreekt hij zichzelf moed in. “Ja, één keer heb ik hem een kus gegeven. Op zijn wang, maar dat had hij echt nodig en hij vond het helemaal niet erg. Mag je dan alleen van je eigen kinderen houden? Lekker makkelijk!”, reageert hij geëmotioneerd. Tranen lopen over zijn wangen en zijn benen doen zeer. “En wat, als je zelf geen kinderen hebt?”, stamelt hij. “Ik hou van hem, wat is daar nu mis mee?” Minutenlang zit Jan met zijn wang tegen de muur gedrukt, ontdaan, gekwetst, en diep teleurgesteld in de wereld waarin hij leven moet.
In de week die volgt staat Jan er alleen voor. Hoofdagent Mulder is nog wel langs geweest, toen hij niet thuis was. Aan moeder had hij gezegd dat hij naar het bureau moest komen, maar daar heeft Jan de moed nog niet voor opgebracht. Op een stoel achter het huis overdenkt hij ’s avonds zijn leven. Met een lege beker in zijn hand geklemd, staart hij voor zich uit, over de oude vijver, naar het einde van de tuin. Zo ook deze avond. Het zal niet lang meer duren voordat het begint te regenen, weet Jan uit ervaring. Hij schopt zijn klompen uit en trekt zijn laarzen aan. Moeder slaapt reeds. Ze heeft een pot koffie klaargezet, waar hij nog nauwelijks van gedronken heeft. In gedachten verzonken en vol zelfmedelijden ziet hij de woorden weer staan die kinderen in het stof schreven, achterop zijn wagen. Hij weet wel dat het kinderspel is, maar toch heeft het hem opnieuw gekwetst en zijn zelfvertrouwen geen goed gedaan. Nadat hij een envelop met Franks naam erop heeft dichtgeplakt, pakt hij een tweede brief die hij vanavond heeft geschreven en leest hem nog eenmaal door.
“Beste Peter”, staat erboven. Het zijn twee woorden die Jan al vaak herschreven heeft. “Als je dit leest”, gaat hij verder, “weet je dat ik er niet meer ben.“ Steeds opnieuw wordt Jan emotioneel na het lezen van deze zin. In gedachten ziet hij Peter zitten, met zijn brief in zijn handen. “Zal hij me missen zoals ik hem mis?”, vraagt Jan zich af. “Waarschijnlijk niet. Hoe kan ik hem dit nu aandoen, het blijft hem de rest van zijn leven waarschijnlijk achtervolgen. Moet ik hem toch schrijven hoeveel ik van hem hou, zodat hij het beter begrijpen kan, of toch maar niet?” Jan twijfelt opnieuw en probeert zich te verplaatsen in een kind van veertien en zijn emoties opzij te schuiven. Hij haalt een aantal keer diep adem en leest dan verder: “Het spijt me dat ik je dit schrijven moet. Je hebt vast al gehoord wat ik heb gedaan. Misschien heb je er nu verdriet om en begrijp je het niet. Maar later als je ook zo oud ben als ik, moet je deze brief nog maar eens lezen. Misschien begrijp je dan beter waarom ik niet gelukkig was in dit leven. Jou mocht ik wel heel graag, hoor! Dat moet je nooit vergeten! Je bent een leuke jongen, Peter, en ik hoop dat je blijft zoals je bent en gelukkig wordt. Ik zou je willen vragen of je een keer naar mijn graf wilt gaan. Daarna moet je me maar vergeten en doorgaan met je leven. Het ga je goed. - Jan Hendriks”
Tevreden over de inhoud, plakt Jan ook deze envelop dicht. Een eerste regendruppel spat uiteen op de tafel voor hem. De bladeren aan de appelboom roeren zich en de donder laat steeds vaker van zich horen. Dit is de stilte voor de storm, weet Jan. Hij staat op, pakt zijn dubbelloops jachtgeweer en gaat naar boven. Zonder verder nog na te denken, drukt hij daar de loop tegen het laken waaronder zijn moeder ligt en schiet haar dood. De dreigende onweerslucht met haar oplichtende wolken verlicht zwak het met bloed bevlekte laken. Hij pakt een deken, bedekt emotieloos haar lichaam en zegt: “Het is beter zo, moeder. Ik kan je niet alleen achterlaten. God zal nu voor je zorgen.”
Buiten gaat hij naar de schuur waar hij nog een stuk touw pakt, neemt de hond mee en loopt het erf af. Nog een laatste maal blikt hij daar over zijn schouder, naar de boerderij die nu helemaal donker is.
“Kom Bas, we gaan!” De hond blaft en rent enthousiast voor hem uit. In het geweer dat over Jans arm hangt, bevindt zich nog één patroon. Hij heeft het goed doordacht, want meer heeft hij er niet nodig om de hond te doden, voordat hij zichzelf ophangt.
Wanneer Jan het bos nadert, lichten de bomen langs de weg plots op, er komt een auto aan. Hij besluit te wachten totdat de wagen hem gepasseerd is, draait zijn rug naar de weg en sluit zijn ogen, om ze te beschermen tegen het felle koplamplicht. Het duurt lang voordat de wagen dichterbij komt, merkt Jan. Hij draait zijn hoofd en ziet dat de wagen vaart mindert.
“Zo Jan, nog laat op pad! Ga je op fazantenjacht, met dit weer?”
Nu hij geen hinder meer heeft van het felle licht, ziet hij dat het Frank is. Hij schrikt ervan, hangt het geweer over zijn schouder en draait zich naar de auto toe.
“Goed dat ik je zie, Jan.” Frank draait het raampje verder open en stop de wagen. “Ik ben laatst nog bij je aan de deur geweest, maar je was er niet.”
“Ja, klopt …, ik heb nog geen tijd gehad om langs te komen”, liegt hij.
“Je hoeft je geen zorgen te maken. Het gaat over die klacht van mevrouw De Veer, je weet wel, de weduwe van Teus. Ik ben bij haar langs geweest omdat ze weer gebeld had. Nu over iemand anders. Ze is erg achterdochtig en vertrouwt niemand, vreemd mens. Van haar verhaal over jou bleek ook niets te kloppen. Sorry dat ik je laatst zo hard heb aangepakt. Maar het feit dat we bij elkaar in de klas hebben gezeten, mag daar geen invloed op hebben. Dat ben je toch met me eens, hé?”
“Ja”, klinkt het zacht na een korte aarzeling.
“Nou, succes met de jacht verder, ik zal je niet langer ophouden” knipoogt Frank hem vriendelijk toe. “En doe de groeten aan je moeder!”
.