raar knoopjesharen door wind bewogen
vol vuur in spillepoten, gesneld
door lavendel luchten de rode maan
geschilderd met beren groen, op
mijn pad, allerminst vreemd,
bezien ik dat met wonderogen
Gekroonde leeuw met rastamanen
sluit zich aan
‘wij gekke wezens’
en heel spontaan mijn handen
zacht, strelen verenvacht,
maar kopstoot zijn kroon
vliegen gieren, aasgieren aan,
die brengen ons honingzoet
broodjes en blauw thee een
plotseling diner met vreemde dieren
de koning mij het schilderij gegeven vervolg ik mijn
dwaaspad roept hij nog na;’je weet wel waarom’
glimlachend tuimel ik verder
langs vallend stofsterren
daar aanschouw ik rank elfen
die vliegeren met vloeipapiermuzen,
gelaatloos, doorschijnend zo teer
geef ik gezicht wat ons verbindt,
de dropjesogen en rozebladmond,
blinken tranen maar terstond, kijk ik weg
want schoonheid verblindt
de elf mij de vleugels gegeven donder ik naar benee
zij roept mij nog na;’je weet wel waarom’
weloverwogen mijn stappen gezet
voor springend kabouters en gnomen,
kuieren we door bos van zilv’ren bomen
met blad diamant, de smaragdbloemen
schitteren duizend kleuren
waar snoepvogels geuren voordat ik vang
een hangmat gekaapt van spinrag, ragfijn,
kauw lijzig zoet vleugels en loom,
waag ik mij wiegend sloom aan sluimerslaap
de nacht mij de ochtend gegeven en
roept nog eens na;’je weet wel waarom’
ochtendgeuren, koffie, brood een sigaret
schilderij en vleugels gezet, in een kast van glas









