Niet voor lang
Met een goed gevoel bekijk ik mijn wit geschilderde en als nieuw ogende voordeur. Niet één vergeten plekje, geen streep of traan, een werkje dat gezien mag worden.
‘Verrek!’
Oeps, het was eruit zonder nadenken. Ik blik links en rechts over mijn schouder en ook achterom. Gelukkig geen mens in de buurt.
‘Riep je schat?’ klinkt het in de gang.
Met een ‘nee,’ maak ik me ervan af. Ik staar nijdig naar een vlieg die vastgelijmd zit in de natte verf. Bij iedere poging om op te stijgen overstemt hij met een nijdig vleugelgezoem het achtergrondlawaai van de straat. Zijn zes poten strekken zich als touwtjes die op afknappen staan. Iedere keer als het zoemen ophoudt, zakt het vliegenlijf tot op een millimeter van de kleverige verflaag.
Ik blijf kalm. Afblijven heeft een vakman me ooit gezegd. Als de verf droog is kan ik de boosdoener met een vingerknip weg katapulteren. Niemand die de zes achtergebleven stipjes terugvindt.
Hij spreidt zijn doorzichtige vleugels en etaleert zijn ranke lijf. Kleur en vorm zeggen me dat het geen gewone vlieg is. In het paars van zijn ogen, hoog op zijn kop, lopen grillige lijnen die me aan de bliksemflits doen denken.
Ik voel de middagzon in mijn rug. De deur, maar ook de nog te schilderen ramen liggen niet langer in de dakschaduw van de overkant. Voor vandaag mag ik mijn verfborstels opbergen.
Ik ga naar binnen en neem mijn loep uit een la, stiekem. Ik wil voorkomen dat mijn vrouw vraagt wat ik ga doen. ‘Niets’ klinkt onvriendelijk en zeggen ‘er zit een vlieg op de deur’ is vragen om een spotlach.
Door de loep heen kijk ik op het uitvergrote vliegenlijf. Het ragfijne zilverdons waarmee het bedekt is glinstert in het goudgele zonlicht. Opnieuw gezoem en zes gestrekte pootjes. Hij geeft het blijkbaar nog niet op.
Ik raak er niet op uitgekeken. Een schepsel met zulke levenswil mag geen wrede dood sterven. Gehaast ga ik naar binnen; mijn vrouw is nergens te bekennen. Ik pak een aardappelschiller uit de keukenla. En waarom niet vlug zijn naam opzoeken? Niet elke dag kleeft er een natuurwonder op mijn deur.
Op Google type ik ‘kleurrijke vliegen’. Enkele zoekseconden later prijkt op mijn scherm de afbeelding van een soortgenoot. Ik lees:
De regendaas, ook wel paardenvlieg genoemd, kan mens en dier pijnlijk bijten. Evenals muggen hebben dazen bloed nodig om eitjes te kunnen maken. Ze hebben vlijmscherpe kaken waarmee ze het vlees van hun slachtoffer stuk scheuren. Het bloed wordt met hun zuigtong opgezogen.
Volgens de afbeeldingen heb ik met een vrouwtje te maken. Ik ga naar buiten. Veel zin om als redder op te treden heb ik niet meer.
Met dezelfde minachting als bij de eerste aanblik bekijk ik de vlieg die nu een naam heeft. Een kleine, sadistische vampier gaat voor mijn ogen een pijnlijke dood sterven: een bevredigende gedachte. Ik vraag me af hoeveel ruiters er door deze gevleugelde sluipmoordenaar al van hun paard geworpen zijn en de dood vonden.
Opnieuw probeert hij, beter gezegd zij, op te vliegen, twee tellen lang, en dan weer roerloos stil.
De zon steekt in mijn nek. Ik realiseer me dat de verf die het kleine monster gevangen houdt binnen een halfuur stofdroog is, de deur voelt dan aan als een bakplaat.
Een plotse vertwijfeling overvalt me. Waarom die negatieve houding tegenover dit merkwaardige creatuurtje? Zonder haar scherpe kaken geen bloed, en zonder bloed geen eitjes en dus geen nageslacht. Kan zij het verhelpen dat de Schepper haar deze rol heeft toebedeeld?
Ik laat de schaduw van mijn hoofd op haar oververhitte lijf vallen. Voorzichtig duw ik om de beurt de mespunt onder haar wonderbare voetjes. Plots is ze weg, jammer, bijna was de klus geklaard. Hoog in de lucht vind ik haar terug. Geschoeid met vijf witte laarsjes maakt ze de gekste tuimelingen. Wellicht niet voor lang.
--------
type op google: The garden safari Regendaas (Haematopota pluvialis)







