Ik was al bijna vier jaar dood. De vezelige massa onder in mijn lege schedel, ooit mijn hersenen, voelde aan als droge mest. En zo hing mijn geest er ook rond, sterk verdund maar scherp en onuitwisbaar als de geur van uitwerpselen. De wereld was aan het veranderen. Ik bespeurde al geruime tijd warmte in het vochtige bladerdek. Ze verzamelde zich in de holtes rond mijn wiggebeen en op een dag brak er een zonnestraal door. Hij viel door het kabelgat in mijn linkeroogkas en drong diep in de vezels door, als een vinger Gods. Dezelfde warmte die je ruiten ook verwarmt en die je beeldscherm doet oplichten. Denk je nog wel eens aan me?
Het was lente en de aarde van mijn ondiepe graf werkte mij langzaam naar boven, uit haar schoot. Waar mijn verdere resten waren wist ik niet. We waren elkaar kwijtgeraakt toen de laatste vezels van mijn vlees smolten. Ik nam aan dat we weldra allemaal ergens tussen de bladeren zouden liggen. De grond duwde: langzame weeën, langzaam ontwaken.
Ik had er gerust jarenlang kunnen liggen. Ik was tevreden met kleine dingen. Trillingen in de bodem, als er wandelaars tussen de bomen liepen. Een vossentong die aan mijn beige huis likte bracht me urenlang in extase. Soms renden er kleine kinderen voorbij bovenaan de helling. Het dunne been boven mijn neusholte kriebelde dan, resonerend met hun hoogfrequente gegiechel en als ik de eeuwige grijns van mijn tanden had kunnen poetsen, had ik geglimlacht. Maar het ging anders. Ik had een zwakke plek voor je, weet je nog? Boven mijn linkerslaap? Daar waar je me vaak kuste en waar je, o ironie, ook toesloeg. Op die plek zat een botbreuk en die breuk stortte langzaam in, tot er een gat in mijn prachtige schedel zat. Een gat met de hoek van jouw favoriete fles Johnny Walker.
De halvemaanvormige opening bleef niet onopgemerkt. Op een morgen kroop er een wesp door naar binnen. Het effect van haar gezoem in mijn holte en het tasten van haar voelsprieten langs de substantie onderin was verrassend. Ik had gehuild en gezucht als ik nog traanklieren of stembanden had gehad. Ik vroeg me af wat ze zocht. Een onderkomen, zo bleek. Na een aantal bezoekjes verleende de jonge koningin mij permanent audiëntie en begon aan de bouw van haar nest. Ze voedde zich met nectar en sappen uit het bos. Mijn craniale ruimte werd langzaam gevuld met muren van wespenpapier. Mijn leegte werd gevuld met een mengsel van fijngeknaagd hout, plantenvezels en wespenspeeksel.
En, o vreugde, daarna begon ze te leggen. Het eerste legsel kwam al binnen een paar dagen uit. Mijn raten waren vol met wriemelende witte wespenkindertjes. Ik las hun kleine gedachten en zij lazen de mijne. Hun moeder voerde hen gemalen insecten en stukjes vlees tot de kinderlarven zijden cocons begonnen te maken, waarin ze zich verpopten. Hun poppendromen waren hard en doeltreffend en ik droomde mee. Vijf weken later verschenen de eerste werksters.
We waren allemaal vrouwtjes, iets kleiner dan onze koningin. We namen de bouw van het nest over en legden verbindingen met de zwarte substantie, waar die dat vroeg. We gingen op zoek naar voedsel en verzorgden onze opgroeiende kinderen. Onze koningin was soezerig geworden en legde nu alleen nog maar eitjes.
Toen we uitzwermden, gingen we op zoek naar jou. We vonden je in ons oude huis. Je zat achter het computerscherm te typen, met een fles Johnny Walker bij de hand. We vlogen in een vloeiende beweging naar je toe, maar het raam was van glas en onze lichaampjes tikten ertegenaan als hagel. Je keek op en je werd wit om je neus. Je holde naar de andere kant van de kamer om het raam daar te sluiten. En wij zochten zoemend een ingang, een gaatje.
Wist je wie wij waren, dat ik het was? Dan had je kunnen weten dat je niet bang hoeft te zijn. Want al zien we er misschien wat anders uit, we houden nog steeds van je.
We willen bij je zijn. Bij je binnendringen zoals je bij ons binnendrong, met je lichaam en je strelingen en met die fles. Een nest bouwen op de plek waar nu je hart is. We willen je geliefde gezicht met onze kaken beroeren. De kinderen willen je lippen proeven, mijn honingdauw.
We zwermen dagelijks langs je ramen en zien de wanhoop in je mooie ogen groeien. Waarom toch? We willen je ogen zien en voelen. We willen je. Ach kom, mijn schat. Toe, open het raam nu even, op een kiertje maar? Kom, laat ons binnen en geef ons wat je hebt. We hongeren naar je.
Lief, het wordt straks herfst en we hebben nog altijd geen opening kunnen vinden. Zelfs de schoorsteen zit dicht. En jij komt je huis niet meer uit en bestelt pizza door de brievenbus. Daar kunnen we niet goed bij. En dat is jammer.
Zo meteen wordt het winter, en in de winter gaan we dood. Maar dat geeft niks. Als je nu in mijn hoofd kon kijken, zou je het zien. We metselen druk verder, dragen larven van raat naar raat. Binnenkort komen de mannetjes uit, om nieuwe koninginnen te bevruchten, die allemaal hun eigen nest zullen bouwen, vol met eitjes en larven. Ontelbare larven, die allemaal jouw naam kennen.
Maar eerst gaan de dames op zoek naar een plaats om te overwinteren. Onder je dakgoot, in de spouw van je muren of of onder je vloer. Komende zomer tik ik weer tegen je raam, mijn appelboom. En de zomer daarop. En ik zal met steeds meer zijn. Totdat de zon verdwijnt achter een zoemende wolk van mij. Totdat je me binnenlaat. Tot we weer samen zijn.












