Leida
Zo zou het zijn, een binnenbrand van alles verzengende aanwezigheid. Een versmelting met alles wat kan bestaan, een verzuipen in vergaan. Het was verdrinken, onderdompelen, overgave aan de overgave.
Het waren de niet uitgesproken woorden, het was de zin van alle zinnen, het had geen stem, letter , woord, oor, oog, geen begrip meer nodig.
Het was een worden.
Zo dacht Hans dat het zou zijn telkens als hij een boek zou herlezen.
Dat gevoel had hij ook ervaren bij films van Tarkovski, Sam Mendes en de muziek van Mobi.
Dat onbeschrijflijke sterven en weer geboren worden. Nieuw licht zien als schittering van een facet in diamant. Dat opgaan in de eenheid probeerde hij ook uit door zelf te schrijven te schilderen en ’s-nachts tot laat in de kroeg de intellectueel uit te hangen.
De schare belangstellenden zaten allen te wachten op zijn rondjes, want geld had Hans wel. Zijn pa had hem een klein vermogen nagelaten wat Shell uit de rijkdommen van Afrika had geperst, waar zijn vader een aardig pakketje aandelen van bezat.
Niet dat zijn verhalen of schilderingen slecht waren, maar het had teveel weg van wat er al door anderen (beter) was gedaan. Het was wel geen kopie, wel echt, maar niet, net niet de inhoud had wat beter stond boven mooi.
Net niet was het adagio wat aan hem kleefde.
Net niet knap genoeg.
Net niet slim genoeg.
Net niet was altijd nooit goed bij meisjes.
Hans was altijd alleen, soms met een nachtelijk avontuurtje, maar doorgaans alleen.
Geld bracht hem daar in alleen op rijkdom beluste vrouwen in zijn leven. Niet meer dan dat.
Kortdurende relaties en een hardnekkige druiper van zijn geiltste avontuur.
Meer is het nooit geworden tot Leida in zijn leven kwam.
Sindsdien zie ik hem dagelijks voorbijgaan. Leida braaf aan de lijn en in Hans zijn hand een hondendrollenzakje.







