Wachtwoord vergeten Registreren
Zoeken
uitgebreid zoeken

Upload

Literair werk uploaden

Reageren

Reageren en commentaar geven op dit literair werk? Favoriet maken of alle commentaren, reacties en wijzigingen automatisch volgen?

Log dan in.
Zien welk commentaar al gegeven is? Klik dan op 'Toon commentaarvlaggen'

Toon commentaarvlaggen

Juffrouw Brouwer: hospita

Kort verhaal
profielfoto
29 nov 2015
7 reacties
740 keer gelezen
5
Toelichting van de auteur bij deze versie:
Flink wat aanpassingen gepleegd, mede op basis van het advies van onze Gouden Gieter.

Copyrightkeuze:
Volledig copyright

Werk is leesbaar voor:
iedereen

Twee maanden geleden had Eddie Driessen het grote en donkere ouderlijk huis in het bos verruild voor een klein en donker kamertje in een woning aan de Utrechtse Burgemeester Reigerstraat. Een bedompt hok met uitzicht op een morsig achterplaatsje waar de natuur met succes alle sporen van menselijke beschaving had uitgewist. Wat zijn kamer aan omvang te kort kwam, had juffrouw Brouwer, zijn bazige en hoogst nieuwsgierige hospita, zijn surrogaatmoeder for the time being, te veel. Haar forse gestalte dwong haar tot een schommelende tred die door een geforceerde ademhaling op gang werd gehouden. Juffrouw Brouwer leefde niet zozeer boven haar stand als wel boven haar boezem. Wat zich daaronder afspeelde was voor haar onzichtbaar en van ondergeschikt belang. Bij gebrek aan andere vrouwelijke kenmerken was haar boezem in de loop van de tijd uitgezakt tot de kern van haar identiteit. Zij leunde er zwaar op, figuurlijk maar vooral ook letterlijk bij haar favoriete vermaak, klaverjassen, waar haar huurders regelmatig bij betrokken werden als er een vierde man tekort kwam. Zij sprak op een toon die bij Eddie krachtige herinneringen opriep aan de houtzagerij van zijn vader. In vol bedrijf dan. Daarbij deed ze duidelijk haar best om in haar taalgebruik en in haar uitspraak aan te sluiten bij dat van haar huurders. Die huurders waren bij de entree van Eddie in volgorde van anciënniteit: Adriaan Zwinkels, zevendejaars medicijnen, Casper van Tilburg, vierdejaars medicijnen en Herman Blijleven, derdejaars medicijnen. Juffrouw Brouwer was een door de wol geverfde hospita en dus bijzonder. Maar pas echt uniek was de nevel waarin zij al vroeg in de ochtend gehuld ging. Een optrekkende grondmist die gevoed werd vanuit vochtige huidgedeelten en die zich op een penetrante wijze manifesteerde. Ontmoetingen met haar huurders kregen er vaak een wat afstandelijk en gejaagd karakter door.

 ‘Je moet kiezen,’ had juffrouw Brouwer bij het eerste contact met Eddie gezegd. ‘Heren of Dames. Samen is onverantwoord. Je moet de kat nooit op het spek binden. Ik maak van mijn huis geen konijnenhok.’

Eddie had instemmend geknikt. De gedachte alleen al dat er in de kamer naast hem een meisje woonde. En dat hij dan, door de scheuren in het eensteensmuurtje iedere zuchtje, iedere snikje, iedere lachje zou opvangen. Het snoerde hem bijna de adem af.

‘Ik verhuur alleen aan de Heren,’ had ze er volledigheidshalve aan toegevoegd. Het liefst Heren die geneeskunde studeerden. Eventueel diergeneeskunde, maar liever niet. Eddie durfde niet naar de achtergrond van deze studiekeuze te vragen.

‘Je moet nu eenmaal kiezen en de Dames maken me gewoon te veel rotzooi. Die willen wasjes doen. En ze koken zelf. En ze krijgen de hele dag bezoek omdat ze koffie kunnen zetten. En thee. En soms hebben ze port in huis. Stroop is het, waar de hele dag de vliegen op af komen. Alleen al voor de buren zou ik er nooit aan beginnen.' Ze had duidelijk voor de vliegen en niet voor de stroop gekozen.

Enigszins gegeneerd had Eddie het volgende pijnpunt moeten aanhoren: de maandelijkse periode. Een onderwerp waar hij weinig zicht op had. Maar hij wilde graag aannemen dat de maandelijkse periode niet ongemerkt voorbij ging. Zo bij elkaar was het bij de Dames inderdaad een opeenstapeling van ongemakken en ongerief.

‘Ze hebben het ook altijd koud en ze willen allemaal de muren verven. Toen ik die verhalen hoorde van mijn tante Anna, die zit ook met een hok vol aan de Nieuwe Gracht, heb ik direct gezegd, daar begin ik niet aan. Als het dan toch moet, dan maar de Heren.’

 Nee, de Heren waren volgens haar in huis een stuk beter te verdragen. Die gingen in het weekend met hun vuile zooi naar huis en die aten in de mensa of op de sociëteit. Die waren alleen thuis om te studeren en te slapen. Dus eigenlijk alleen om te slapen. Afwassen deden ze niet. Met om het half jaar een nieuw ontbijtbordje gaven ze de schimmels weinig kans.

 ‘De Heren hebben misschien een grote bek, maar niet bij mij. Ze weten dat ik daar een hekel aan heb. En als het echt moet, heb ik de grootste…Het zijn natuurlijk ook geen lieverdjes, wat dacht je wat. Het zou me een lief ding waard zijn als ze ’s nachts wat minder herrie maken als ze uit de kroeg komen. Ik schaam me vaak dood, want dit is altijd een nette buurt geweest. De hele straat geniet mee als ze voor de deur staan te brallen omdat ze hun sleutel weer eens kwijt zijn. Wat een rampenplan. Hoe vaak ik het slot van de voordeur al niet heb vervangen.’

Maar haar zwak voor de Heren was onmiskenbaar. Echt boos op ze worden kon ze eigenlijk niet. Zelfs voor de nachtelijke dronkenmanscapriolen toonde ze begrip. ‘Na een lange nacht op de sociëteit zijn de Heren nu eenmaal voor korte tijd ontoerekeningsvatbaar.’ Aldus haar verlichte visie op de misdragingen. ‘En die artsenbul krijg je niet voor niks. Maar het stoort me wel,’ had ze er voor alle zekerheid toch maar aan toegevoegd.

 Wat niet alleen stoorde maar ook nog gemeen meurde, was zo’n buitenshuis genuttigde maaltijd gevolgd door veel bier, die ze soms de volgende ochtend op de trap aantrof. Zo’n grote plens niet- of halfverteerde nasiboemboem of hoe dat spul ook heette. (Waar kwamen de laatste tijd toch al die Chinezen vandaan? Waren die lui wel te vertrouwen?)

‘Tja, dan is de lol voor mij er wel even van af, wil je dat geloven. Op de stoep voor de deur is nog tot daar aan toe. Dan krijg je van mij een emmer sop en een platte boender en dan mag je even lekker schrobben. Heel leerzaam.’

Straks, op de OK moest er immers ook geschrobd worden. Maar op de traploper was vervelender. Dat moest echt met een sopje en met beleid want anders hield ze geen loper over. Dat deed ze dan toch maar liever zelf. Adriaan Zwinkels had daar, door ervaring wijs geworden, een krachtige stelling op gebaseerd: De Klaploper is de vijand van de Traploper. Van Adriaan kon ze het hebben. Van Adriaan kon ze veel hebben, zo werd Eddie in de loop van de tijd wel duidelijk. Maar wat ze de Heren in ieder geval met klem verbood was de verse jachtschotel van Restaurant Chez Marianne (Voorstraat) of de aangebrande stamppot van het Neude in een wasbakje te laten verdwijnen. Daar konden die zwanenhalsjes echt niet tegen. Die sloegen dan gelijk dicht.

‘Dus Eddie, beloof me, als je nog helder genoeg bent om te kiezen tussen traploper of wasbak, denk dan aan mij en kies voor de traploper.’

‘Maar dat spreekt voor zich,’ had Eddie geantwoord.

 En zo ratelde juffrouw Brouwer, als ze Eddie in het vizier kreeg, maar door. Volgens Adriaan Zwinkels duurde het gemiddeld een maand of drie voordat je de techniek beheerste om je op een onopvallende en elegante wijze te onttrekken aan het bedwelmende optreden van de hospita. Essentie was dat je je onopgemerkt tussen de borsten, waarmee juffrouw Brouwer je tegen de muur in de gang had ingesloten, omlaag liet zakken om dan tijgerend een goed heenkomen te zoeken. Eenmaal in de slagschaduw der memmen (Adriaan Zwinkels in een sinterklaasgedicht) was je onzichtbaar en kon je onder de radar door via de vestibule de trap bereiken. Maar de eerlijkheid gebiedt om daar bij aan te tekenen dat, ook al had Eddie deze techniek wel onder de knie gehad, het hem als jongste en laagste in de huurdershiërarchie eenvoudigweg niet was toegestaan om zich aan contact met de hospita te onttrekken. Zijn drie oudere huisgenoten hadden nu eenmaal het ouderejaarsrecht om juffrouw Brouwer ‘aan hem over te laten of te doen’ zodat ze zelf van haar tijdrovende en nietszeggende betogen verschoond bleven. ‘Eddie, kom eens even, juffrouw Brouwer wil wat kwijt over prijsverhoging bij de GEVU (of over de nieuwe broodjeszaak van ben Bril, of over een scheur in de brug over het kanaal, of over …..)’ En dan had Eddie maar te komen.

 Meest gênant vond Eddie nog dat ze haar litanie vaak afsloot met het theatraal optrekken van haar schortjurk tot ver boven de knie, zodat de Heren, in de praktijk dus Eddie, zelf konden zien dat het niet echt lekker ging met haar spataderen.

‘Vorige maand zaten ze nog tot hier,’ wees juffrouw Brouwer dan, terwijl ze haar wijsvinger in het witte vlees duwde. ‘Ze kruipen duidelijk omhoog.’ Op de dij was een reeks van putjes te zien, ontstaan bij eerdere presentaties, die blijkbaar niet meer wegtrokken.

Een huiveringwekkende scène die alles miste om ’s nachts bij de Heren broeierige fantasieën op te roepen. De eerste keer dat Eddie getuige was van deze ‘ontsluiting’, probeerde hij zich eruit te redden door op te merken dat spataderen volgens hem pas na het kandidaats werden behandeld, onder het bekende pedagogische motto: dat hoeven we niet te kennen, want dat hebben we niet gehad.

‘Als je het niet weet, vraag je het maar aan Adriaan. Je denkt toch niet dat ik ga wachten tot jij eindelijk je kandidaats hebt gehaald,’ aldus een mondige patiënte die zich niet door een eerstejaars liet afschepen. ‘Hoe hoog denk je dat ze zitten tegen de tijd dat jij jekandidaats hebt?’

Om een of andere reden moest Eddie gelijk aan het Speulder- en Sprielderbos denken, de lommerrijke omgeving waar hij zijn jeugd had doorgebracht.

 Bij de eerste bezichtiging van zijn kamer was het Eddie duidelijk geworden dat juffrouw Brouwer geen enkele moeite had gedaan om de sporen van eerdere bewoning uit te wissen. Hij betrad een archeologisch pretpark. Het vergeelde jaren-vijftigbehang had zijn maagdelijke ongereptheid al lang geleden verloren, afgezien van de rechthoekige hangplekken waar de langjarige aanwezigheid van affiches in verschillende formaten de verkleuring hadden vertraagd. Het resultaat van dit alles was een soort reis door de tijd, vastgelegd door verschillende generaties amateurkunstenaars, meestal met weinig talent, maar als collage de moeite waard. Overal waren handgeschreven teksten, sommige vrijwel onleesbaar andere meer dan duidelijk. Boodschappenlijstjes, tellingen van toeppartijen, pikante versjes uit de Middeleeuwen en telefoonnummers. Een dwarsdoorsnede van de wervelkolom en de hobby’s van sommige hoogleraren. Op de plekken waar de affiches hadden gehangen waren eenvoudige tekeningen zichtbaar geworden, variërend van dubbelzinnig tot onverhuld pornografisch. Grottekeningen met een thematiek die aan duidelijkheid niets te wensen overliet en die ook verklaarde waarom de decoraties door latere bewoners achter posters verborgen waren. Grote, realistische fallussen, sommige met een olijke oogopslag of een hoofddeksel, ook wel afgebeeld als hoogleraar (in toga), soms voorzien van de naam van een beklagenswaardige bekende, afgewisseld met onhandige schetsen van het vrouwelijk geslachtsorgaan. Dronkenmanswerk van aankomende artsen die nog veel moesten leren.

Een van de muren werd ontsierd door een beschadiging die deed denken aan het gebruik van zware wapens. De stuclaag was hier over een groot oppervlak verdwenen zodat het rode metselwerk zichtbaar was geworden. Volgens juffrouw Brouwer veroorzaakt door veelvuldig maar niet al te doelgericht pijltjeswerpen. Hoe vaak had ze er niet wat van gezegd. ‘Maar de Heren luisteren slecht,’ had ze er bozig maar ook gelaten aan toegevoegd. Zorgelijk oogde ook een wandcontactdoos die nog maar aan één dun draadje hing. De voor een correcte werking onmisbare tweede draad hing los. Huisoudste Adriaan Zwinkels had Eddie met klem ontraden daar tegenaan te zeiken. ‘220 volt op je tampeloeres kost je in ieder geval je zwellichamen.’ Uit deze zonder de minste aarzeling uitgesproken goede raad sprak het zelfvertrouwen van de ouderejaars student medicijnen.

 Later, op de sociëteit, was Eddie vaak van nabij getuige geweest van de warme banden tussen Adriaan Zwinkels en zijn Hongaarse vrienden die na de Hongaarse opstand in 1956 naar Nederland waren gevlucht. Als Zwinkels een borrel op had, sprak hij steevast over die “Goulashnikovs”. Tot niet geringe ergernis van Adriaans trotse vrienden. Die ontbrandden dan in grote woede, vielen direct en massaal aan als moesten ze zo’n gehate Russische T-34 uitschakelen, en konden alleen met veel gratis bier, of nog beter Palinka, gekalmeerd worden.

‘Godverdegodver, wat hebben jullie allejezus weinig gevoel voor humor,’ hield Zwinkels ze dan geïrriteerd voor terwijl hij de losgetrokken mouwen van zijn colbert onder hun neus hield. Maar Ferenc, Antal, Janos en hoe ze ook allemaal heetten, zagen dat net even anders. Als de mouwen van Zwinkels kroegcolbert netjes langs de naden waren losgeraakt, was het voor juffrouw Brouwer niet al te moeilijk om ze weer in het gareel te krijgen. Zwinkels vaste grap was dan om daar een chirurgische draai aan te geven.

‘Houdt u wel rekening met eerdere cicatrices, juffrouw Brouwer?’

De hospita genoot zichtbaar van deze aanwijzing van een aanstaande arts. Zij wist intussen dat cicatrix jargon was voor litteken.

‘Misschien kunt u de sutuur iets verleggen?’ suggereerde Zwinkels dan op een vriendelijke doch dringende toon. Op zo’n moment keek ze hem liefdevol en begrijpend aan, als een assistente die de operatie met een paar ferme hechtingen tot een goed einde mag brengen terwijl meneer de chirurg al een vriendje staat te bellen voor een avondje stappen.

Eddie bedacht dat hij ooit in de positie van Adriaan Zwinkels zou komen. Huisoudste en favoriet van de hospita. Dan zou ze speciaal voor hem een restje vanillevla op de trap zetten. Naast De Telegraaf van gisteren. Maar dan moest het met de spataderen niet te snel bergopwaarts gaan.

 

 

Reacties

02-12-2015 00:07
Dag Ben,
Zie het als een poging om de sfeer te schetsen waar een beginnende medicijnenstudent zo'n 50 jaar geleden in terecht kon komen. Een beetje opgeleukt en aangedikt, maar voor mijn generatiegenoten herkenbaar en voor jongere generaties hopelijk vertederend of om van te gruwen. Zelf heb ik er in ieder geval niet onder geleden en ik beleef veel genoegen aan het spelen met de geheugenflarden die zich nog laten vangen.
01-12-2015 15:51
Espunt, omdat je uitgebreid aan het vertellen bent valt het me op dat het niet genoeg is, mij niet althans. Als je in het begin de afslag Reigerstraat had genomen, waar op de één of andere manier genoeg over te vertellen valt. En ons niet had vastgehaakt op dat donkere kamertje en daaruit volgende gebeurtenissen. Dan had er veel meer licht in het verhaal geschenen en de kans had bestaan dat het dan ook nog boven zichzelf uitgetild was geworden. Je begint vaak miraculeus, om het - hoe jammer - in langdradigheid te laten verzanden. Geef jezelf eens de kans om het naar een hoger plan te brengen!
29-11-2015 22:42
Heel goed Jan P. Eens zien hoe we niet de minsten onder ons een stem kunnen geven.

Dank voor deze waardevolle reactie.
29-11-2015 19:45
Espunt,
Het is anekdotisch, als gevolg daarvan is vooral de verteller aan het woord en blijven Eddie en de hospita een beetje zonder eigen stem. Als je een paar scenes inlast waarin Eddie en de hospita handelend optreden, komt het geheel meer tot leven. En daar is stof genoeg voor in de Burgemeester Reigerstraat. (ook paar vlaggetjes gezet)

Groet,
29-11-2015 13:54
Dank voor jullie reactie en suggesties. En vlaggetjes. Even bezinken.
Ik heb met verschillende hospita's voor kortere of langere tijd 'samengeleefd'. Na zo veel jaren mengen de vage herinneringen zich tot een soepje waar juffrouw Brouwer als een Venus uit verrijst. Er zijn wat soepdruppels blijven hangen maar het is toch vooral het archetype dat ik met de nodige fantasie tot leven heb proberen te wekken.
De Heren rommelden natuurlijk ook maar een eind weg, maar ze leefden vaak in een hok waar een blind paard nog geen schade kon aanrichten. De Dames hadden meer behoefte aan een eigen bedoeninkje. De hospita's voelden waarschijnlijk intuïtief aan dat de Heren, ondanks hun grote bek, meer liefde en verzorging nodig hadden. Het werd pas echt ingewikkeld als de hospita meende dat die aandacht ook van de andere kant moest komen.
29-11-2015 12:47
De Heren maken er anders ook een behoorlijke puinhoop van. Er zitten mooie stukken in je verhaal, Gerard. Aan de andere kant probeer je misschien te veel in één kort verhaal te stoppen. Misschien hier en daar wat normaal afwisselen met bijzonder, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik heb een paar vlaggetjes gezet.
29-11-2015 10:50
Weer een fraai tableau heb je geschilderd, Espunt.
Hier en daar een een tikkeltje te barok om soepel te lezen, zoals de beschrijving van het behang.
De dialoogzinnen brengen rust, de mogelijkheden daartoe zou ik maximaal benutten.
Eén vlaggetje.
Graag gelezen.
groet, Hilde
Deze site wordt mede mogelijk gemaakt door
Volg ons via