Afgelopen 26 februari was het Johnny Cash' 79ste geboortedag. Niet echt een mooi getal om bij stil te staan, maar ik doe het wel, juist omdat DWDD, het programma dat zijn nalatenschap middels derderangsartiesten zo vakkundig verkracht, het niet deed.
Zo herinner ik me de onweerszwangere middag van 12 september 2003 toen ik met de auto de Zeeburgertunnel indook. Een radiodiostem bracht een halve onheilstijding: “De
Amerikaanse countryzanger Johnny Cash is…” Het bericht werd chirurgisch afgesneden door het tunneldak, maar de boodschap was niettemin volkomen helder. Ik kon zijn dood nog enkele honderden meters uitstellen, maar ik moest me verder geen illusies
maken. The man in black was niet meer. Ik keek mijn moeder aan, maar zij keek
onbewogen voor zich uit. Hoe kon ik haar in hemelsnaam uitleggen wat Cash voor
mij betekende; een moment vroeg ik me werkelijk af hoe het nu verder met mij
moest. Dat rook naar pathos, naar dramatiek van de kouwe grond, en dat was het
misschien ook. Maar toch was Cash in zekere zin een baken. Wat je ook overkwam of deed, er was altijd de belofte dat er vroeg of laat een plaat van Johnny Cash uitkwam. Dat alleen al was de moeite waard om het leven te leven, vond ik. Met zijn dood was iets onvervangbaars verloren was gegaan. Er stond geen andere ouwe rukker klaar om zijn nalatenschap over te nemen. Neil Diamond probeerde het, aangestoken door de succesvolle metamorfose van zijn fellow-American, maar faalde jammerlijk. Cash was een monument van kwetsbare waarachtigheid, een man wiens leven en muziek onbedoeld en ongewild tot een groot kunstwerk samenvielen, daar vond je in je leven geen tweede van.
Ik moet wel expliciet bij vertellen dat het mij om de ‘nieuwe’ Johnny Cash ging, de man van American Recordings; van de oude, traditionele Cash moest ik zo goed als niks hebben. De nieuwe Cash die ouder was dan de oude, de Johnny Cash die zichzelf aan de hand van die lelijke baardaap Rick Rubin in 1994 opnieuw had uitgevonden, die Johnny Cash was in mijn ogen een halfgod. Ik ben altijd al fan van oude knarren geweest zoals Bob Dylan, Neil Young, en Van Morrison maar niet onvoorwaardelijk, eigenlijk vooral om wat zij in hun gloriedagen hebben gepresteerd. Johnny Cash is de eerste en enige op wiens trein ik in zijn nadagen ben gesprongen.
Ik vroeg mijn moeder of ze het dashboardkastje wilde openen en de cd American IV: The Man Comes Around (prachtig toch, die Romeinse cijfers) uit het cd-tasje wilde vissen. Enkele minuten later liet ik haar zien hoe ik kippenvel kreeg terwijl het in een kerk opgenomen The First Time Ever I Saw Your Face werd gespeeld – ook in de herhaling. Vanaf dat moment was mijn moeder ook fan.
"Wie is die man?" vroeg ze?
"Johnny Cash was een diep-religieus man," zei ik. "In dezelfde adem dat hij God zijn liefde verklaarde richtte hij zijn dubbelloops geweer ten hemel en schoot een buizerd uit de lucht."
Zijn dood kwam niet helemaal uit de hemel vallen: hij was ziek, ten prooi gevallen aan verwaarloosde diabetes en volkomen versleten - wat zijn platen overigens juist zo wonderschoon en breekbaar maakte. Zijn opnamen waren een race tegen de dood, daar maakte hij geen geheim van. Maar toen zijn vrouw June Carter zonder wie hij eigenlijk geen minuut kon, vier maanden ervoor overleed hield ik al mijn hart vast. Hij had een portret van haar op de deur van de opnamestudio geplakt hoewel hij eigenlijk al blind was. Zijn gehele carrière, maar vooral het laatste deel zong hij veel over de
bijbel en over god. Het was zonneklaar dat Johnny naar de hemel zou gaan. Al vroeg ik me bij nader inzien af of hij daar wel wilde verblijven. Ik denk dat hij er regelmatig uit ontsnapt om op de meest onchristelijke tijden terug te keren en aan zijn lotgenoten te vertellen wat ie nu weer in de hel heeft meegemaakt.
Van een man die zo’n groot verteller was zou je eigenlijk moeten weten wat zijn laatste woorden waren. Een kleine speurtocht over internet leerde dat ik niet de enige was die zich dit afvroeg. Op zich deed me dat goed, Johnny Cash wordt niet vergeten. Maar het antwoord stelde enigszins teleur:
“Unfortunately, we don't know his last words or if anyone was with him when he died. He died at 2 am in a hospital, so he might have been alone. It's not been reported if anyone was with him or what his final words were, so it's safe to assume he was probably alone.”
Een afgepast, onopgesmukt maar onbevredigend antwoord. Het deed me ook realiseren dat er twee soorten laatste woorden zijn: de echte laatste woorden en de laatst opgetekende. Uiteindelijk gaat het gaat niet om iemands laatste woorden sec, want die zijn meestal van het kaliber ugh, aagh, pfff of wat onverstaanbaar gemurmel, maar om diens laatst opgetekende woorden, al zou het mooi zijn als deze met elkaar samenvielen. Volgens andere bronnen was er wel degelijk familie bij hem op de avond van zijn dood en waren zijn laatste woorden:
"I hear a train comin."
Daar kan ik mee leven. Als het verzonnen is, dan is het goed verzonnen; beter dan “Geef de steek nog eens aan” of "I pissed my pants once again."
Johnny stond klaar op het perron en hoorde de trein komen. Met zijn lange desperadojas en gitaarkoffer in zijn hand waarvan het niet duidelijk was of er een geweer of een gitaar in zat, enkele reis eeuwige jachtvelden.








