Wachtwoord vergeten Registreren
Zoeken
uitgebreid zoeken

Reageren

Reageren en commentaar geven op dit literair werk? Favoriet maken of alle commentaren, reacties en wijzigingen automatisch volgen?

Log dan in.
Zien welk commentaar al gegeven is? Klik dan op 'Toon commentaarvlaggen'

Toon commentaarvlaggen

IJs

Vriendschap en andere ongemakken
profielfoto
22 februari 2012
2 reacties
95 keer gelezen
0
Copyrightkeuze:
Volledig copyright

Werk is leesbaar voor:
iedereen

IJs

 

Vanaf mijn vroege jeugd werden mijn vader, moeder, ooms, tantes, neven, nichten, buren, vrienden, verre en nabije kennissen en ieder die zich maar over het onderwerp wilde uitlaten niet moede om mij te verzekeren dat stelen sportief en in orde is, mits het ten koste gaat van de rijken en misdadigen en ten goede komt aan de armen en rechtschapenen, tot welke laatsten wij onszelf mochten rekenen. Het mag dan ook geen verwondering wekken dat ik reeds op geringe leeftijd hier en daar in de betere middenstand werd gesignaleerd als eentje die je in de gaten moest houden. Ik zal van een van mijn toenmalige exploten verslag doen met het oogmerk enige kennis te verbreiden omtrent dit te weinig bekende onderwerp.

    In onze kleine provinciestad werden de notabelen gewonnen uit de middenstand, zoals dat in elke   kleine stad gebruikelijk is. B & W en raadsleden kunnen een dermate grote invloed uitoefenen op de gemeentebegroting dat je wel een sufferd moet zijn om niet in te zien dat je daarvan kunt profiteren als je zelf maar een vinger in de pap houdt. Een van de dikste vingers in dezen was de plaatselijke juwelier, Terwisga, ook uiterlijk een opvallende verschijning, over wie twijfel werd uitgesproken of er een weegschaal bestond die opgewassen was tegen zijn volume. De plaatselijke apotheker, die een weegschaal in zijn zaak had staan, waarop iedereen in het stadje wel eens zijn gewicht kontroleerde, aangezien de mening heerste dat deze, de apothekersweegschaal, krachtens zijn lokatie de enig betrouwbare uitslag gaf, bewaarde hierover het stilzwijgen. Zeker is dat ik in mijn jeugd geen dikkere klootzak kende dan Terwisga. Als hij, trottoirbreed, door de Voorstraat schuifelde, was geen jonge vrouw veilig voor zijn priemende blikken, maar met name jongens van mijn leeftijd, omstreeks tienjarigen, konden in het voorbijgaan een klap verwachten. Dit laatste klinkt buitensporig, ik weet het, en het gebeurde ook niet vaak, maar het gebeurde, het is zeker éen keer gebeurd – en dat was genoeg om  Terwisga onder ons jongens tot de vijand te bestempelen.

    Daarnaast was het ook algemeen bekend, althans aangenomen, dat hij zijn fortuin niet op eerlijke wijze had verkregen. Dat hij een van de rijkste ingezetenen van ons stadje was bleek wel uit het aantal huizen dat hij bezat, en vooral uit de villa die hij bewoonde, even buiten de stad, op een terrein dat door een muur was omgeven. Deze muur was langs de hele bovenrand voorzien van glasscherven, die in de zon glinsterend als een halo van het kwaad het huis omringden. Het monumentale hek was alleen van binnen te openen door een serviele bediende, Jansma, die uit de portiersloge kroop op het moment dat zijn heer in zijn auto, de enige Jaguar die er toen in Friesland rondreed, arriveerde. Ter meerdere afschrikking van de buitenwereld was er ook een hond aanwezig, wiens merk nooit tot mij is doorgedrongen, maar die een ruig zwart borstelig uiterlijk vertoonde met daarin veel aandacht voor blootliggende hagelwitte tanden.

    Het was voor elke eerder genoemde rechtschapene duidelijk dat geld op deze wijze beschermd  niet kon bogen op een onbesmette herkomst. De schijn werd opgehouden door zijn juweliersbedrijf, gelegen aan een watertje in het centrum van ons stadje. In de, eveneens geducht beschermde, etalage van deze winkel lagen niet alleen fraaie moderne horloges en juwelen, maar ook antieke kettingen, ringen en armbanden van grote schoonheid en duizelingwekkende prijs. Terwisga reisde stad en land af om kunstschatten in te zamelen en naar men zei deinsde hij er niet voor terug om arme, halfblinde, oude vrouwtjes met suiker hun voor het laatste hongerstadium bewaarde familie-erfstukken afhandig te maken.

    Een van de eerste akties die wij, als leeftijdsgenoten, en verzameld in een klubje dat, traditioneel getooid met de naam De Zwarte Hand, zijn leden aanspoorde van zich te laten weten, ondernamen om een einde te maken aan zijn verderfelijke invloed was het projekt Aanplakbiljet. Ons lid Heini Bruinsma was de zoon van de plaatselijke drukker en in die hoedanigheid aardig op de hoogte van de kunst van het zetten. Zijn vader liet hem wel eens kleine tekstjes in grote letters zetten en drukken voor onze School met de Bijbel. Die kwamen dan op grote vellen geel papier achter de ramen van de school te hangen, vermeldende: zaTERDaG 31 OKTOBER GROTE ROMMELMaRKT IN DE SCHOOL MET DE BIJBEL. aaNVaNG 10 UUR. De letterkasten van de drukkerij vertoonden enkele hiaten.

    Niet zonder bescheidenheid moet ik hier aantekenen dat degene die met het projekt Aanplakbiljet op de proppen kwam ikzelf was en niemand anders. Altijd geïnteresseerd geweest in tekenen en drukken en ander grafisch gedoe. Op een van onze bijeenkomsten vroeg ik Heini of hij stiekem dingen zou kunnen drukken. Hij keek gewichtig bedenkelijk, maar zei dat dat wel zou lukken als er verder niemand in huis was en dat wij hem moesten helpen met het bedienen van de pers. Het verhaal van hoe wij er in slaagden de pers zodanig geraffineerd te bedienen dat er een leesbaar eindprodukt uitrolde en daarbij geen opzien te baren zal ik wellicht een andere keer doen, maar het is een feit dat wij in een donkere vrijdagnacht twaalf bomen in het centrum van ons stadje voorzagen van een groot geel affiche met daarop in dikke biljetletters de tekst: JUWELIER TERWISG UITVERKOOP 75  PROCENT KORTING. De a van Terwisga hadden we op aandrang van Heini niet uit de onderkast aangevuld, want, zei hij, “dan weten ze meteen dat het van hier komt”.

    De zaterdag die volgde bezorgde Terwisga en zijn personeel de ene na de andere rolberoerte, aangezien Friezen een weliswaar zeer bescheiden, maar naar rechtvaardigheid dorstend en van de geldigheid van alles wat op schrift gesteld is overtuigd volkje zijn. Van deze elementaire levensbeschouwing uitgaande namen zij geen genoegen met de aanvankelijk lacherige maar al spoedig woedende verklaringen van Terwisga zelf en zijn winkeljuffrouw Sijtje dat zij nergens vanaf wisten en dat het hier ongetwijfeld om een grap, een zeer slechte grap, ging. “Niks geen grap”, hoorden wij, die ons onopvallend in de buurt ophielden, een vastberaden klant verbeten uitroepen, “dat zijn toch zekers echte aanplakbiljetten! Dat wil jij toch niet ontkennen ja, Terwisga!” Tenslotte  sloot Terwisga zijn winkel en reed met zijn goudkleurige Jaguar het hele stadje door om persoonlijk alle affiches van de bomen te scheuren. De rest van die zaterdag bleef zijn winkel gesloten.

    Het zal hem niet veel denkwerk gekost hebben om te bepalen uit welke hoek de wind woei. Diezelfde avond stond hij bij Drukkerij Bruinsma op de stoep. Bij Heini's vader vond hij echter weinig gehoor, omdat deze niet alleen erg genoten had van de verhalen die over het oproer bij de juwelierszaak tot hem doorgedrongen waren, maar tevens een van de velen was die geen moment twijfelden aan de kwade faam van de juwelier. Hij vond het daarom wel fijn om zich zeer verontwaardigd te betonen over de aantijging van Terwisga dat die biljetten vanzelfsprekend uit zijn drukkerij afkomstig waren, en ging, daar hij een geoefend en onbevreesd sportman was, bijna met de dikke op de vuist. Terwisga, blijkbaar geen slecht psycholoog, noemde, stikkend van woede, Heini, die achter de deur stond te luisteren, als dader, en drong aan op zware lichamelijke tuchtiging. Dit voorstel werd door Heini's vader begroet met luid gelach en Terwisga droop woordeloos schuimbekkend af.

 

Ook de juwelier deed wel degelijk aan lichaamsbeweging, al was dat niet aan zijn gestalte af te zien. Hij maakte elke morgen in de vroegte, voordat hij zijn winkel opende, een fikse wandeling, die hem door het centrum van de plaats voerde, langs de havens en de singels naar het bolwerk, waar in de 18e eeuw het stadspark, de Tuinen, was aangelegd, en zo weer terug naar het centrum waar hij zijn zaak had. In ons verdorven kinderbrein kwam die winter een plan op om, gebruikmakend van deze gewoonte, de juwelier een onvergetelijke verrassing te bezorgen.

    Er was een zware vorstperiode geweest met een gemene oostenwind, ijs was ontstaan en dikker en dikker geworden, er was sneeuw gevallen en weer van het ijs geblazen, maar op het land blijven liggen, en het werd aarzelend en terughoudend en met horten en stoten duidelijk dat er een Elfstedentocht ophanden was. Niet voor niets zouden wij die winter geleefd hebben. Wij zetten ons geld, een kwartje, in op Jeen Nauta. De dikke maakte zijn wandelingen ondanks de kou en wij kenden zijn gangen. De Zwarte Hand kwam wekelijks bijeen en verheugde zich over wat komen ging; een waarlijk briljant plan was ons ingevallen, des te briljanter vanwege zijn eenvoud. Het enige wat wij nodig hadden was een slee en uithoudingsvermogen.

    's Morgens in de vroegte lagen wij met z'n drieën achter de struiken van de Tuinen met tussen ons in de slee van Siepie Talsma, een lust voor het oog, met glimmend ijzeren banden op de glijders, waarin de schroeven onzichtbaar waren weggewerkt. Het houtwerk was zwaarder dan dat van de goedkope sleetjes van Heini en mijzelf en wij hadden al vaak benijdende blikken geworpen op dit in vrolijke kleuren geschilderde, en ongetwijfeld dure glijtuig. Er zat een lang rood en wit gevlochten trektouw aan. Wat deze slee in onze ogen extra begerenswaardig maakte was dat de glijders aan de voorkant niet zo maar gewoon met een lange luie boog omhoog liepen, maar boven het platte bovenvlak uitkwamen en daar uitmondden in twee fraaie krullen. Wij hadden dit bij geen enkele andere slee gezien en achtten het een teken van grote bijzonderheid.

    In de ijzig koude februarimorgen hoorden we, na geruime tijd dooiplekken in de sneeuw te hebben gelegen, voetstappen naderen in de verlatenheid van het park. Door de kale takken van onze struiken heen loerend zagen wij de vijand met zijn typische agressieve pas naderbij komen. Hij liep, stoompluimen ademend, tegen de helling op naar wat ik later heb leren onderscheiden als de saillant van het bolwerk, de punt van waaruit men uitzicht heeft over de singel in de diepte en de bebouwing aan de overkant. Op die vooruitgeschoven post hield Terwisga elke ochtend zijn rek- en strekoefeningen met zijn gezicht naar de stad en zijn rug naar de struiken, waarachter Siepie Talsma, Heini Bruinsma, Siepie's slee en ik ons hadden verstopt.

    Op het moment dat hij, molenwiekend met zijn armen, verdiept was in zijn oefeningen, en zijn adem zich groot en wit aftekende tegen de grijze ochtendhemel, slopen wij tevoorschijn. Siepie en ik schoven de slee voor ons uit door de sneeuw en op twee, drie meter achter de steunende gestalte van de juwelier, gaven we hem een zet, waardoor hij met grote vaart vooruitschoot, zijn krullen in de knieholten van de gymnast boorde en deze aldus zijn evenwicht deed verliezen. De dikke zakte log achterover en schoot met sleetje en al over de rand van het bolwerk de steile helling af. Toen hij halverwege was, kwam het touw, dat Heini al die tijd had vastgehouden, strak te staan, zodat de dikke op zijn achterwerk verder gleed, op het wandelpad onderaan een koddig stuitertje maakte, over de rand wipte en daar waar een paar dagen daarvoor een roeibootje uit het ijs was gehaald omdat het als een noot gekraakt dreigde te worden, met een plof neerkwam op het dunne versgevormde ijs, dat het onder zijn kolossale gewicht meteen begaf, waarna hij zonder een kik te geven in het donkere water verdween.

    Wij stonden bovenaan het bolwerk en keken in de diepte.  De ijsschotsen hadden zich al weer over het wak gelegd. Er bewoog niets.

    Wij hadden niet aan dat roeibootje gedacht.

De volgende dag trok de Elfstedentocht op die plaats langs. Hij werd gewonnen door Jeen van den Berg. Jeen Nauta uit Wartena werd teleurstellend vierde. Ik zie Terwisga liggen onder de ijsvloer, omhoog kijkend met een star oog. Twintig centimeter boven hem rijden scherpe ijzers over zijn gezicht en wemelen de kleuren van de opgewonden winter.

 

                                                                                                                                                      0212

    

 

   

 

 

 

 

Reacties

23-02-2012 10:41
Dank voor je kommentaar. Opmerkelijk, die Friese namen, gezien mijn herkomst.
Er komt meer.
Groet, Yarp
23-02-2012 10:08
Ouderwets, fijn verslag van een onvergeeflijke jeugdzonde. Door de fijne lardering van de details soms wat stroef, maar de smaak van Heere Heeresma proef ik, maar mis ook een beetje Tommy Wieringa. Wil meer lezen!
Bon Dia,
paul
Deze site wordt mede mogelijk gemaakt door
Volg ons via