De zon staat eigenlijk nog te hoog aan de hemel, maar An en Coby hadden geen zin om nog langer te rusten. Met een petje en een hoedje op en shirts, met een kraagje en lange mouwen aan, slaan ze spijkers in lange latten. Het zweet druppelt op het hout. Naast het terrein staat een boabab. Kleine dunne twijgjes bovenin en daaronder een massieve gedrongen stam. De bouw van de boom lijkt niet te kloppen. Een uurtje later komt Freek hen helpen, de slaap nog in zijn ogen. Ze werken tot de zon ondergaat. Ze zijn een huis voor onbehuisden aan het bouwen. Het is een project, dat ze zelf hebben opgezet, met wat geld van vrienden en kennissen. Na het werken nemen ze een koude douche uit de stortbak en gaan onder een tent een hapje eten. Veel rijst met wat aardappeltjes en groente. De zon gaat als een speer onder. 'Gaat het goed,' klinkt een stem in gebrekkig Engels vanuit de schemer. De vrouwen schrikken ervan. Er verschijnt een donker gezicht van een local in het schijnsel van de gaslamp, die op tafel staat. Het is een kleine magere donkere man met een knal rode wijde broek en een batik overhemd aan. ‘Ja, heel goed,’ antwoordt Coby. De local zegt dat de vrouwen niet zo hard moeten werken, en rust nemen. An antwoordt, dat dat niet nodig is. ‘U moet meer rusten, de zon is te sterk,’ antwoordt de local.
De volgende dag werken ze weer tot de siësta en na de siësta
tot zonsondergang. Weer verschijnt de local in het gaslicht. Hij gebaart Freek
mee te komen. Een uur later is hij terug. Freek zakt mokkend in een stoel neer.
‘Wat is er?’ vraagt An. Freek is even stil en zegt dan: ‘Baba zegt, dat het te zwaar werk is voor vrouwen. Jullie moeten meer rusten.’ An haalt haar schouders op, ‘wat een onzin.’
Na nog een dag hard werken maken de vrouwen zich op voor de
nacht. Ze lopen het dorp in naar de ruimte, die ze als slaapvertrek aangewezen
hebben gekregen. Het dorp bestaat voornamelijk uit een paar kralen met wat ronde rieten huizen eromheen en puntige daken, ook van riet, maar dan donkerder van kleur. Het slaapvertrek is echter van baksteen met een zinken dak. Moe van het harde werken, vallen de vrouwen al snel in slaap.
De volgende ochtend worden de vrouwen bij zonsopkomst wakker. Krekelgetjirp lijkt bijna uit een versterker te komen, zo hard. An staat op en wil naar buiten lopen om zich te wassen. Shit, de deur klemt. ‘Coby kom eens helpen, de deur klemt.’ Coby probeert de deur te openen. ‘Die klemt niet, die zit op slot.’ ‘Hè,’ reageert An verbaast. Ze trekt aan de deur: ‘Hallo! Kan er iemand open doen!’ Er is echter niemand te horen op het erf en haar roep blijft onbeantwoord. ‘Wat nu?’ ‘Wachten,’ zegt Coby. Een half uur later horen ze geluiden op het erf. An begint te roepen: ‘Kan iemand de deur opendoen!’ Er komt echter geen reactie en even later wordt het weer stil op het erf. Er gaan uren voorbij. 'Ik moet naar het toilet,' kreunt Coby. Ze begint te roepen. Na een tijdje verschijnt de kop van de local, die gisteren en eergisteren in het gaslicht bij de tent verscheen, in het raam. Coby roept naar hem: 'toilet. Ik moet naar het toilet.' De man verdwijnt weer. Na drie kwartier horen ze de sleutel in het slot draaien. De vrouwen willen naar buiten lopen en beginnen verontwaardigd tegen de local, die de sleutel heeft, te praten: ‘wat is dit? Wat heeft dit te betekenen?’ Een jongen in een wit gewaad schuift een po naar binnen. ‘Nee, nee,’ zegt de local. Hij duwt de vrouwen terug naar binnen en draait de deur weer op slot. ‘Krijg nou wat,’ reageert An.
Rond het middaguur wordt het heel heet onder het zinken dak
van het vertrek. De vrouwen besluiten om, als ze toch niet weg kunnen een
siësta te houden. Een uur na de siësta verschijnt Freek met de local, die de
deur opent. Freek ziet er vermoeid uit. De vrouwen mogen eruit en lopen met
Freek naar de bouwplaats. ‘Baba, wil niet dat jullie zoveel werken,’ zegt Freek
resoluut. ‘Fucking locals,’ bitst Coby: ‘Sluiten ze ons daarom op?’ ‘We zijn
afhankelijk van de medewerking van het stamhoofd,’ antwoordt Freek. ‘Hoeveel
willen ze dan dat we werken?’ Vraagt An. ‘Misschien moeten we hem een koe geven
of zo,’ oppert Coby. Freek zegt, dat hij nu absoluut niet wil dat de vrouwen
weer gaan werken. Hij heeft voor de avond nog een gesprek met Baba. An en Coby
gaan onder een tent bij het bouwterrein zitten. Er zit niets anders op dan te
wachten.
Na het eten duikt Freek, die een gesprek met Baba heeft
gehad, op uit de schemering. Hij ploft in een stoel neer. De stoel kraakt. ‘En?’ Vraagt An. ‘Hij zegt alleen, dat het te heet is voor vrouwen om te werken,’ zucht Freek. ‘We
gaan gewoon weer aan de slag morgen,’ zegt Coby resoluut. ‘Wil je weer opgesloten worden,’ reageert Freek fel. ‘Dit is toch belachelijk!’ zegt An. Ik zal met onze contactpersoon in de stad bellen, zucht Freek. Misschien heeft die nog suggesties. Freek zal morgen met de fourwheeldrive naar een stadje vijftig kilometer verderop rijden, waar een telefoon is. De vrouwen zijn geïrriteerd. Het is toch voor een goed doel, waar ze hier mee bezig zijn? Waarom worden ze zo tegengewerkt?
De vrouwen hangen de volgende dag geïrriteerd onder de tent.
Er is hier verder niets te doen en een wandelingetje maken buiten het dorp
mogen ze ook al niet alleen. An vraagt een meisje, dat af en toe schichtig maar
nieuwsgierig de bouwplaats komt bekijken - ze heeft discusvormige gouden oorringen in -, om aan Baba te vragen of er iemand kan komen om met ze te wandelen. Het meisje knikt. Ze zal het vragen, maar ze komt niet meer terug en er verschijnt verder ook niemand meer bij de bouwplaats. Een paar grote witte cactussen staan als fallussen tegen de staal blauwe hemel te dansen. Tegen de avond komt Freek terug. Zijn contactpersoon heeft gesuggereerd inderdaad twee koeien te geven. Freek zegt er niet eerlijk bij, dat de contactpersoon hem eigenlijk weinig kans geeft. Bovendien heeft de
local, die de sleutel heeft van het slaapvertrek van de vrouwen, ook gezegd dat
Baba pas eind van de week tijd heeft. ‘Wat kunnen we doen?’ zegt Coby wanhopig.
‘Niks, wachten,’ antwoordt Freek.
De uren en dagen gaan langzaam voorbij. Er is niet veel meer te doen dan de vliegen van je af slaan en je met een waaier wat koelte toe wuiven. De vrouwen zijn
geprikkeld, en opgelucht als het vrijdag is. Tegen de schemering komt de local
Freek halen om naar Baba te gaan. Freek is duidelijk gespannen. ‘s Avonds ploft
hij uitgeput in zijn stoel. Twee koeien en een illusie armer. Baba blijft bij
zijn standpunt. An wil nu zelf met Baba gaan praten. ‘Dat kan niet,’ zegt
Freek. Ze laten het schichtige meisje de local van de sleutel halen. Een uur
later komt hij rustig aangesloft. Zijn voeten stoffig en zijn sandalen versleten. An probeert rustig te blijven en vriendelijk aan hem uit te leggen, dat ze graag weer willen werken en dat het toch goed voor het dorp is, als er een tehuis komt voor daklozen. Ze vraagt hem, probeert niet te smeken, of ze Baba mogen spreken. De local antwoordt rustig dat dat niet kan, maar dat hij haar verhaal aan Baba zal overbrengen. Ze geven hem nog drie stukken verpakte Edamse kaas mee voor hij vertrekt. Ze horen de komende dagen niets meer van hem.
Dit heeft ook geen zin, zegt Coby op een morgen. Waar
wachten we eigenlijk op? Ze willen niet. Punt. Freek knikt vermoeid, maar
instemmend met zijn hoofd. ‘We gaan terug naar de stad,’ zucht Coby. De vrouwen
pakken met tegenzin hun spullen in en de volgende dag vertrekken ze voor een
lange oncomfortabele reis terug naar de stad. Freek blijft achter op de
bouwplaats, om op de spullen te letten. Ze worden opgehaald door een landrover, waarvan de linker deur uit de sponning hangt en de achterbumper bungelt aan de carrosserie. Als de motor na een aantal keer starten puffend aan slaat, vliegt er een zwerm halsbandparkieten op uit de boabab.
Na drie dagen door elkaar geschut te zijn, op onverharde
wegen, rusten ze uit in een hotel in de hoofdstad. Het hotel wordt omringd door onafgebouwde huizen en het ziet er niet naar uit dat er nog verder aan gebouwd gaat worden. Er is zelfs een zwembad in het hotel, maar er staat geen water in. Als de vrouwen twee dagen later op het punt staan een ticket naar Europa te boeken, klopt een kamerbediende aan de deur. Hij brengt ze een brief. De brief is gesteld in keurig Engels. Een dominee biedt de dames aan om in de stad een opvangtehuis te beginnen. Hij heeft contacten en weet misschien wel een ruimte. Er staat een telefoonnummer onder de brief. De vrouwen reageren verbaasd. Dit kan toch niet waar zijn? An belt het nummer. Een opgewekte vrolijke stem neemt het telefoontje aan. Vanmiddag heeft hij geen tijd, maar als het de dames uit komt, zal hij ze vanavond bezoeken. De vrouwen zijn zenuwachtig. Komt hun droom dan toch nog uit?
‘s Avonds klopt de dominee op de deur van de hotelkamer, waar An en Coby verblijven. Hij blijkt een leeg schoolgebouwtje te weten in een suburb van de stad. Als ze willen kunnen ze daar daklozen opvangen. En dan zegt hij lachend: 'ik heb jullie hele verhaal gehoord.' Hij begint nog harder te lachen: 'Haram, haram, daklozen zijn daar Haram.' Het duurt even voordat het kwartje valt. Coby en An kijken elkaar aan. Coby’s bovenlip trilt licht. An slaat haar handen voor het gezicht. 'Wat dom! Ontzettend, we hadden ons beter moeten laten voorlichten.' De Dominee haalt een fles wijn te voorschijn uit een vieze plastic zak, schenkt de morsige glazen, die op eeb gammel dressoir staan vol en ze klinken op de opvang, die ze binnen niet al te lange tijd zullen opstarten.







