Wachtwoord vergeten Registreren
Zoeken
uitgebreid zoeken

Reageren

Reageren en commentaar geven op dit literair werk? Favoriet maken of alle commentaren, reacties en wijzigingen automatisch volgen?

Log dan in.
Zien welk commentaar al gegeven is? Klik dan op 'Toon commentaarvlaggen'

Toon commentaarvlaggen

Huiver

Kort verhaal
profielfoto
5 oktober 2011
8 reacties
268 keer gelezen
3
Copyrightkeuze:
Volledig copyright

Werk is leesbaar voor:
iedereen

Het is nu op de kop af vier maanden geleden, dat de jonge moeder met haar kind bij de bushalte stond. Ze klemde het kind, dat ze in een felroze plaid had gewikkeld tegen zich aan en was totaal overstuur. Twee schooljongens keken af en toe tersluiks naar haar, stootten elkaar aan en gniffelden. Een bejaarde man staarde na een eerste langdurige blik nadrukkelijk voor zich uit. Gerd, net uitgestapt, aarzelde even. Toen de bus verder reed en de vrouw achterbleef, liep Gerd naar haar toe. Ze huilde schokkend. Gerd bood haar aan een kop koffie bij hem te drinken. Moeder en kind maakten een verkleumde indruk, alsof ze al lang in de ijskoude herfstwind hadden gestaan. Eenmaal in zijn flat draaide Gerd de radiatoren hoog en zette een mok sterke koffie voor de vrouw neer. Onder veel snikken kwam ze met haar verhaal. Ze woonde alleen en had het kind per ongeluk gekregen. Ze wilde het jongetje heel zeker niet en wist ook heel zeker dat ze het niet kon gebruiken. Ze werkte en volgde een opleiding. Ze woonde op één kamer, die ze amper kon betalen. Het kind was van een vent, die haar tijdens haar zwangerschap had geslagen en geschopt, voor hij haar definitief liet zitten. Al hakkelend kwam het verhaal er uit. Al die tijd had Gerd haar ernstig en bezorgd aangekeken en af en toe instemmend geknikt. Van tijd tot tijd bleef zijn blik hangen bij het felroze bundeltje op de tweezitsbank. Veel commentaar leverde hij niet. Evenmin stelde hij vragen. De baby sliep en gaapte af en toe. De temperatuur in de kamer liep op en de vrouw knoopte haar vochtige jas los. Ze zuchtte diep voor ze haar koffie in één teug opdronk. Daarna vervolgde ze haar verhaal, waarbij ze met een wanhopige klank in haar stem naar de baby wees. Niemand kon of wilde de baby overdag van haar overnemen. Niemand wilde haar helpen dit kind op te voeden. Ze keek Gerd af en toe aan, maar praatte meestentijds alsof ze hardop voor zichzelf haar toestand op een rij zette. Hoe oud zou ze zijn,? vroeg Gerd zich af. Zeventien jaar, achttien jaar? Haar diepzwarte haar had een blauwige glans en piekte van de gel. Het gezicht was bleek met diepzwarte schaduwen om de ogen. Haar lippen had ze vuurrood gestift, haar linkeroorschelp was doorboord met een rij nikkelen piercings in oplopende grootte. Gerd keek toe hoe haar beringde vingers met zwartgelakte nagels de mok omklemden. Haar jas gleed verder open en Gerd zag een paar mooie lange benen en een nogal mollig figuur. Toen ze merkte dat hij haar observeerde, keek ze hem strak en smekend aan. Donker ogen met opkomende tranen in de ooghoeken en een smartelijk vertrokken mond. Er moest orde op zaken gesteld worden. Gerd leunde achterover en inhaleerde lang.

‘Laat het kind hier. En kom nooit terug.’

‘Nooit?’

‘Nooit. Ik beloof je dat ik voor het kind een goede oplossing vind. Maar dan moet je nu definítief weggaan en je er nooit meer mee bemoeien.’

Zonder lang na te denken, had hij het voorstel op tafel gelegd, rustig en met overtuigende stem, alsof hij werkelijk diverse mogelijkheden achter de hand had. Die had Gerd niet, in de verste verte niet. Hij was beheerder van de stookkelder in het hoofdkantoor van een grote bank. Van die baan kon hij amper rondkomen. Zijn familie woonde in Drenthe, waar hij al jaren niet meer was geweest. Vrienden, kennissen had hij niet. Hij kende in deze stad wel een paar mensen. Hij kende ze zo lang en zo goed dat hij daarbij liever uit de buurt bleef. Dat je vrienden kon hebben, was hem grondig afgeleerd. Noch moeder, noch kind kon hij serieus iets bieden. De jonge moeder stond op en knikte.

‘Goed. Laten we het zo doen als u het zegt. Hoe lost u het op?’

‘Da’s helemaal mijn zaak.’

‘Kan ik mijn kind terugzien?’

‘Nee, absoluut niet. Je laat het hier en ik handel de zaak verder af.’

‘Nooit meer zien?’

‘Je kunt je kind ook meenemen.’

Ze kwam langzaam overeind. De handen, die haar jas dichtknoopten, klampten over elkaar. Een moment stond ze besluiteloos.

‘Goed,’ zei ze. Ze keek Gerd lang aan, draaide nadrukkelijk van het kind weg en liep naar de deur. Gerd volgde haar naar de overloop en zag hoe de vrouw de trap afliep in een rustig en regelmatig ritme van haar halfhoge hakken op de betonnen treden.

Zonder om te kijken verdween ze via de voordeur. In de huiskamer zat hij lang naar het kind te kijken. Toen diepte hij uit de meterkast tussen een stapel plastic boodschappentassen een vale sporttas op en schoof kind en deken erin. In de kelder had iedere flatbewoner zijn eigen fietsenhok. Weliswaar van ruw opgemetselde betonblokken, maar toch een ruimte van drie bij bijna vier meter. In het fietsenhok dat zijn huisnummer had, stond een fiets die hij zelden gebruikte. Verder lag er een stapel planken en een hoop stof. Het was lang geleden dat hij er was geweest. Van zijn bejaarde buurvrouw had hij het fietsenhok ernaast in bruikleen. Daar stond een moderne computer, boekenrekken, een grote gesloten kast en een diepvrieskist. De stoel kon met een klik in een relaxstand worden gezet. Het beeldscherm was groot. De computer stond op een metalen kantoorbureau met zes diepe laden. Een elektrisch kacheltje zorgde voor de nodige warmte, wanneer Gerd via het internet contact zocht, materiaal kocht en uitwisselde, al naar gelang zijn behoefte. Hij opende de klep van de diepvrieskist en liet de sporttas met kind er in zakken. Met een zuigende zucht sloot de deksel zich. Daarna zat Gerd bijna twee uur te internetten, voordat hij de computer afsloot.

Buiten sloeg de kou onbarmhartig om hem heen. Winkelcentrum, parkeerterrein, park met kleumende meeuwen op het ijs, het maakte op deze herfstdag een kille en verlaten indruk. Het vroor licht en de wind tussen de flatgebouwen was straf. Vier bushaltes verder stond hij in een straat achter het station en liep naar zijn vaste adres.

 

Met een speciale sleutel maakte hij een verzinkt metalen hek open en liep via een smal tegelpad naar de keldertrap. Een tweede sleutel gaf toegang tot de stookkelder van het hoofdgebouw van de bank. Toen hij de brander hoog had gezet staarde hij over het veld van vlammen. Geen ervan flakkerde onregelmatig, allen hadden gelijke hoogte. Morgen, maandag zou de warmte bijtijds op peil zijn in de kantoren. Niets was veranderd en alles liep, zoals het lopen moest. Terwijl hij rookte, staarde hij in de vlammen en voelde de hitte in zijn kleren trekken.

 

Een maand later, de herfst was strenge winter geworden, stond de jonge vrouw

’s avonds bij de bushalte waar Gerd uitstapte. Ze maakte de indruk daar al langer te wachten en kwam stijfjes overeind van het bankje. Zwijgend en gebogen liep ze met hem mee. Als vanzelfsprekend opende hij de deur naar hal, trappenhuis, lift en later naar de deur van zijn woning. Ze trok haar jas strak om zich heen, hoewel de thermostaat voor achttien graden garant stond. Abrupt bleef ze staan, richtte zich op en keek hem strak aan.

‘Waar is mijn kind?’

Gerd zweeg en leek achteloos langs haar heen te kijken.

‘Ik wil mijn kind terug. Nu! Ik heb alles geregeld. Het kan nu.’

Ze keek rond, verwachtte kennelijk iets te zien wat op de aanwezigheid van de zuigeling kon duiden.

‘Het kan nú? Er kan niks nú! Zijn stem klonk hard en honend.

‘Ik heb de zaak geregeld. Definitief. En dat is het dan. Punt uit.’

‘Hoezo? Waar is mijn kind? Waar heb je mijn kind gelaten?’

‘Mijn kind? Je hebt je kind hier definitief achtergelaten. Wat ik daarna heb geregeld, daar heb jij echt niks meer over te zeggen.’

Hij bleef kalm, ijzig kalm. Zijn stem haperde geen moment. Hij keek haar nu strak aan en zag haar verbijstering en wanhoop.

Haar vuisten balden zich. Gerd stelde zich in op een aanval. Geen probleem, daar wist hij wel raad mee. Hij kon incasseren en hard slaan, wie dan ook.

‘Bij wie is mijn kind? Dát mag ik toch zeker wel weten?’

‘Nee, ik heb via via een goed tehuis gevonden. Maar die deur blijft dicht. Hoe dan ook. Afspraak is afspraak. Het is het beste voor het kind.’

Ze begon te schreeuwen en te zwaaien.

‘Je hebt mijn kind gestolen! Je hebt, toen ik er slecht voorstond, mijn kind ingepikt.’

De woede deed haar stem overslaan: ‘ Voor hoeveel heb je mijn kind verkocht?

Je geeft me nu het adres of ik ga naar de politie!’

Hij lachte grimmig.

‘Politie?’ Zijn grijns ging van oor tot oor.

‘En wat vertel je de wouten dan, hè? Vertel je soms, dat jij je kind aan een onbekende hebt meegegeven, een die je op straat hebt opgepikt? Vooruit meid! Donder maar op, jij. Ga jij maar naar de wouten! Hoe lang wil je vastzitten?’

Hij was in twee stappen bij haar en duwde haar hard richting deur.

‘Kom hier niet meer terug, stom mokkel! Zodra jij je hier nog een keer vertoont, sla ik je kop kapot.’

Ze keek hem verbijsterd naar de gebalde vuist met de koperen doodskopsring en naar de tatoeages op hand en onderarm. Zijn stem klonk zacht en dreigend. Zijn linkerhand omklemde haar rechterbovenarm hard. Hij duwde, duwde en duwde, tot ze buiten stond en in toenemende haast de trap afliep.

Met een verse mok koffie en een sigaret bij de hand zag hij de jonge vrouw aan de achterkant van het flatgebouw door het park lopen, langs de bevroren vijver, richting winkelcentrum en politiepost. Wie weet zou ze daar haar naam en adres vertellen.

 

Met grote slokken dronk hij de hete koffie op, doofde de peuk zorgvuldig en begon in hoog tempo zijn flatwoning schoon te maken. Normaal deed hij zoiets eens in de maand. Tussen de maandelijkse poetsbeurt door hield hij het bij. Nu zoog hij de vloerbedekking tot in alle hoeken en plinten minutieus uit. Hij nam deuren en ruiten af, poetste toilet en keuken tot hoogglans, tot tenslotte het geheel naar schoonmaakmiddelen geurde en er uitzag als een schoonmaakmiddelenreclame.

Ten slotte trok hij schone kleren aan, verschoonde het bed en zette de volle wasmachine aan. Met een sigaret in zijn mondhoek keek hij over het park. Er stond een ooievaar op het ijs, omringd door kleumende meeuwen. Met je poten plat op het ijs. L’hiver, huiver, uiver. Woorden gleden moeiteloos samen en dat met twee jaar MULO. Meer zat er niet in. Hij had geen ander doel dan dit leven. Zijn dagritme bestond uit vroeg opstaan, ontbijten, afwassen, met de bus naar het werk en ’s avonds van het werk naar huis. Drie keer per week zou hij een halte eerder uitstappen om boodschappen te doen. Twee avonden in de week waren speciaal, naar een biljartcafé of naar de film. Zo zag zijn dagelijkse film eruit, nadat hij acht jaar had vastgezeten wegens moord op vriendin en kind. Van keurige administratieve medewerker bij de Gemeentelijke Reinigingsdienst, dertig jaar, eigen huis, verloofd, was na de zorgvuldig geplande moord weinig overgebleven. De status van kille moordenaar had hij in de bak nooit helemaal waar kunnen maken. Hij was veel te bang voor de groep getatoeëerde patjakkers in de recreatieruimte. Toch had hij veel geleerd over erg en erger, over bang zijn en waarvoor bang zijn, over mogelijke risico’s. Over de reacties van de jonge vrouw maakte hij zich geen zorgen. Elk bewijs ontbrak. Niemand had hen samen gezien. Hij kon vanuit een innerlijke overtuiging blijven ontkennen. Ook vragen die grote aarzeling bij het verhaal van de vrouw teweeg zouden brengen: hij kon ze op de juiste manier te berde brengen. Die vaardigheden had hij tijdens zijn bajestijd verder ontwikkeld. Hij kon rustig en overtuigend liegen, zonder schichtig of ontwijkend over te komen. Het zou haar woord tegen het zijne zijn. Zij was per definitie fout en ongeloofwaardig in de ogen van de politie. Het kon er op lijken dat zij een onschuldige buitenstaander verantwoordelijk wilde stellen om zo zelf de schuld van zich af te schuiven. Maar zoiets moest het blauwe volk zelf maar concluderen. Of, wanneer de speurneuzen de vrouw werkelijk serieus zouden nemen, zou zijn advocaat voldoende twijfels kunnen zaaien. Moeilijker zou ‘t worden, wanneer agenten zijn naam uit het systeem zouden oppikken en ze zijn strafdossier door zouden nemen. Daarin zouden ze ook rapporten van Sjoerd van Tichelen vinden, zijn reclasseringsambtenaar. Een overijverig ventje was het, een die met glimlach en zachte stem bij Gerd alles onderzocht wat hij meende te moeten onderzoeken. Allemaal heel openlijk, allemaal juridisch ingedekt. Zoiets kon je aan van Tichelen wel overlaten.

 

‘Na de TBS heb je nog een jaartje vrijwillige therapie gehad en daarom let ik nou nog een tijd extra op je. Gewoon bezorgdheid.’

Intussen was het wel zo dat deze van Tichelen bij binnenkomst en begroeting zijn grote en geplooide aktetas neerzette en de vertrekken nauwkeurig naliep, om daarna achter de oude computer die te kruipen, die Gerd in zij flatwoning had staan. Daar zou van Tichelen niks vinden, nergens in huis trouwens en zelfs niet in het fietsenhok in de kelder, dat op naam stond van Gerd. Van de afspraken met de buurvrouw en het gebruik van haar kelderruimte, vertelde Gerd niets. Dat was zijn speelruimte. Even glad als van Tichelen richting doel gleed, ontweek Gerd elke wezenlijke benadering. Dat gedrag was allebei duidelijk. Aan het eind van de week was de spanning weg. Of de jonge vrouw was niet naar de politie gegaan, of de politie was niet van plan iets te doen. Op de dinsdag na het weekend stond ’s avonds om kwart voor zes van Tichelen voor zijn deur. Naast hem stond de jonge vrouw. Gerd keek ze aan en overwoog of hij ze simpelweg de toegang zou weigeren. Achter zijn rug ging het belletje van de magnetron. Hij haalde zijn schouders op en wees ze richting bankstel. Van Tichelen opende heel direct en gericht als altijd: ‘We komen het kind van Lorna ophalen.’

Hij draaide de twee de rug toe en frommelde de maaltijd uit de verpakking op het bord. Toen keek hij Lorna lang aan. ‘Dus jij heet Lorna?’

Hij nam het volle bord op schoot en begon te eten. De priemende blik van van Tichelen, beantwoordde hij met het verbaasd ophalen van zijn wenkbrauwen.

Met een volgende hap op zijn vork wees hij naar Lorna en vertelde van Tichelen: ‘Deze juffrouw staat me regelmatig op te wachten, bij de bushalte, of bij de deur hier beneden, of soms boven bij mijn voordeur. Ze wil iedere keer met me mee naar binnen. Ze zegt dat ze een kind van mij heeft of dat ik een kind van haar heb.’

‘Klopt toch?’ vroeg hij aan Lorna.

Hij zag haar bukken en naar voren schuiven, klaar om op te springen, klaar om hem een mep te verkopen. Van Tichelen greep haar arm en duwde haar terug.

‘Kijk maar rond,’ zei Gerd tegen van Tichelen, kijk overal maar rond, net als altijd. Jij mag het kind vinden, jij mag het kind houden.’

Hij at rustig verder, terwijl van Tichelen zorgvuldig elke hoekje van de flatwoning in ogenschouw nam. Hij vroeg naar de betekenis van de afwijkende sleutel aan het rekje en nam hem na uitleg mee naar de kelder.

‘Je had hier niet terug moeten komen,’ zei hij zodra van Tichelen de deur uit was.

Hij zag haar krimpen toen van Tichelen terugkwam, duidelijk onverrichterzake.

Lorna huilde, terwijl ze samen met de reclasseringsambtenaar de trappen afliep. Gerd keek hen na tot ze buiten waren. In het toilet lichtte hij een plafondtegel op en haalde een pakket foto’s tevoorschijn. Foto ’s waarop een mannelijk onderlichaam gruwelijke dingen met een baby deed, foto’s die hij in een boek verstuurde naar liefhebbers en waarvoor hij in een toegestuurd boek geld ontving. De adressenlijst moest weg. De presentatie op de computer moest weg. Het lijkje in de diepvries moest weg. Maar niet nu. Nu was alles onzichtbaar en moest het onzichtbaar blijven. Hij legde foto’s en adressenlijst in hun bergplaats terug. Hij schoof een dvd in de speler en keek anderhalf uur lang naar een komische actiefilm, terwijl buiten avondgrijs diepe duisternis werd. Met de keldersleutel, een andere keldersleutel dan die welke hij van Tichelen had gegeven, liep hij even na middernacht naar beneden.

Zijn winterjack bolde aan de linkerkant. In de binnenzak stak het pakket verscheurde foto’s. Eenmaal in de kelderruimte van zijn bejaarde buurvrouw wiste hij belastende computerbestanden en haalde het diepgevroren pakket uit diepvrieskist. Niks gehaast, elke stap werd in een rustig tempo gezet. Richting vuilniscontainer. Op straat, vlakbij de bushalte, stapte een man uit een geparkeerde auto. Achter zich hoorde hij hoe twee, drie autoportieren werden dichtgeslagen. De mannen bleven op enkele meters afstand van hem staan. Vanaf richting wijkcentrum en politiebureau naderde een man met haastige tred. Van Tichelen.

Diens stem klonk in de verhoorkamer nauwelijks triomfantelijk.

‘We wisten bij wie je had gezeten. We weten met wie je contact hebt gehouden en wat die contacten doen. We weten wat jij hebt gedaan. We hebben alle bewijzen al tien dagen op een rij, een rij bewijzen die overduidelijk bewijst wat je hebt gedaan.

Haar werk.’

Van Tichelen wees naar een bleke vrouw van in de veertig.

’Zij heeft alle telefooncontacten en computercontacten van het laatste half jaar van jouw flatgebouw nageplozen. Zij heeft samen met de technische dienst de juiste taps gezet. Je gaat voor schut, jochie. Hoe dan ook.’

 

 

 

Reacties

09-10-2011 09:57
Beste helen,

Bedankt voor je complimenteuze reactie. Ik heb je 'vlaggen' ter harte genomen en e.e.a. aangepast. Wat Evi's en jouw suggestie tav een verder verhaal betreft: dat hou ik in gedachte. Ik herschrijf regelmatig. Tijd is de beste corrector. Zaken waar je in eerste instantie overheen kijkt, zie je later in een wat afstandelijker perspectief wél.

Ik wens je een mooie zondag toe,

Chris
08-10-2011 20:16
Een gruwelijk, maar goed geschreven en goed uitgewerkt verhaal, om rillingen van te krijgen! Na een intro dat meteen aansprak, sleepte je me vanaf de zin ‘Hoe oud zou ze zijn? vroeg Gerd zich af’ verder het verhaal in, dankzij de introductie van het perspectief van Gerd.

Ik vind het verhaal goed tot zijn recht komen in dit aantal woorden, geen overbodige ballast en een mooi afgerond geheel. Maar net als Evi ben ik ook wel nieuwsgierig geworden naar het meisje Lorna – het zou een nieuwe verhaal kunnen opleveren denk ik.

Zie verder enkele vlaggetjes met kleinigheden.
07-10-2011 06:48
Beste ladeko,

De diepvriezer weerspiegelt de emotionele kilte van de hoofdpersoon. Ook de emotionele afstand, hij laat immers het kind in de tas in de vriezer zakken. De man is een gevaarlijke psychopaat, die elke redelijke emotionaliteit mist.
Van Tichelen is een reclasseringsambtenaar, geen rechercheur. En de bergplaats achter de plafondplaat; daar moet je maar net achter komen. Als alle strak en netjes ligt, zie je er niks van. Hetzelfde met het wisselen van de stalling in de kelder. Zolang de man niks zegt, moet je er maar achter zien te komen.

Het beangstigende bij psychopaten is dat ze voor ontdekking en ontvluchten vaak een inventieve plaats in hun 'systeem' hebben.

Met vriendelijke groet,

Chris
06-10-2011 22:56
Hi Vincentius,
Het was maar één foutje geloof ik. Even geen tijd hoor. Het verhaal blijft me achtervolgen, zo-o-o-o-o gruwelijk. En meteen zo oud als de Bijbel en al die andere geloofsboeken! Ehhh, wat is de reden dat je deze baby in de vriezer laat eindigen? Blijf ik me afvragen. Deze ''twist'' snap ik niet, lijkt niet in dit verhaal te passen. En waren die politiemensen echt zo stom, dat ze die plafondplaten. . . .
Nou ja, zomaar wat vragen. Misschien kun je er iets mee.
groet Laura
05-10-2011 17:52
Beste Evi,

Er zitten inderdaad voldoende aanknopingspunten voor verhaallijnen in dit verhaal.Die heb ik bewust alleen aangetipt en niet verder uitgewerkt. Mijn ambitie gaat niet verder dan het schrijven van een kort verhaal van 1000-1500 woorden. Bij gedegen uitwerking van dit verhaal in de richting die jij aangeeft, zit ik dan al 'gauw' op 80-90 A4-tjes.

Zoals jij -net als eerdere lezers -terecht opmerkt, er zit iets kils, afstandelijks en machinaals in houding en handeling van de hoofdpersoon. En het macabere aspect van de diepvrieskist; dat duikt elk jaar wel een paar keer op in de kleine berichtjes in de krant. Buurman gewurgd met sneeuwketting, die categorie.

Bedankt voor je nauwkeurige lezing en je reactie,

Chris
05-10-2011 17:41
Beste Laura,

't Is de mooiste waardering die je een schrijver kunt geven.
de BLOTTOMOTTO's zijn een andere genre,net als de gedichten en de light verse.

Graag hoorde ik alsnog de kleine taaldingetjes; dat er ondanks schrijven en herschrijven fouten blijven zitten, moet ik wel vaker constateren. Teveel fouten irriteren en leiden van het verhaal af, vandaar dat ik ze graag wil corrigeren.

Bedankt voor je reactie,

Chris
05-10-2011 12:22
Beste c.P,

Inderdaad huiveringwekkend. Komt hier nog een vervolg op? Het lijkt me interessant om de achtergrond, emoties, leefwereld van de vrouw nog wat dieper uit te werken. Althans, daar ben ik nieuwsgierig naar.Zat al mee te leven in het schuldgevoel wat ze heel haar leven moet meedragen.Wie is hier de moordenaar: hij of zij?
Zitten een paar leuke elementen in zoals:
‘Nee, ik heb via via een goed tehuis gevonden. Maar die deur blijft dicht.(diepvriesdeur...)

Groeten,
Evi

05-10-2011 12:15
Hi Vincentius,
Pfffftt..... wat een spannend verhaal heb je hier geschreven. Heel iets anders dan je blotto motto's. Het zit solide in elkaar, sterk plot.Goede spanningsopbouw. Als lezer wil je meer en meer. Alles klopt - afgezien van een paar kleine taal dingetjes - Ik vergeet er helemaal van te lunchen! Voor redigeren even geen tijd dus.
met vriendelijke groet Laura

Deze site wordt mede mogelijk gemaakt door
Volg ons via