Wachtwoord vergeten Registreren
Zoeken
uitgebreid zoeken

Reageren

Reageren en commentaar geven op dit literair werk? Favoriet maken of alle commentaren, reacties en wijzigingen automatisch volgen?

Log dan in.
Zien welk commentaar al gegeven is? Klik dan op 'Toon commentaarvlaggen'

Toon commentaarvlaggen

Hooibroei, schets in dertien scènes

Kort verhaal
profielfoto
22 juli 2011
7 reacties
272 keer gelezen
3
Copyrightkeuze:
Volledig copyright

Werk is leesbaar voor:
iedereen

een: ’t Gordijn opent. 

De zaal kijkt toe en dwingt Trix, dan weer Geurtie naast mij op het tapijt neer te laten zinken. ‘k Zie huiver door heur lichaam gaan. Uitgeput gaat ze in een fauteuil liggen, zonder alarm armen lam langs krachteloos lijf, hoofd slap achterover op het kussen. Op dit moment stijgt adem uit het publiek en dreigen schaduwen op het voetlicht neer te zijgen. Een bres in het nooit zwijgt. Het podium kijkt uit over een dode zijtak en de weide, kort bij donker water. De zoden langs de oever voelen vochtig aan.

twee: Vlam voor beide
Nu wonen we onder één dak en dat noodzaakt ons om in die kille wak urenlang elkaars doen en laten te verdragen. Maar ’t huis is wezenlijk deel geworden van het bestaan van de familie van Trix, dan weer Geurtie en legt mij en Harm in de luren. Te laat, veel te laat heeft Trix, dan weer Geurtie ervaren hoe verdwijnen zo handig voor heur verlopen is en ik hoor dat nu pas. Haar lichaamsgebrek toont toch niet zo opvallend schaam, dat het mij tegenstaat, al is het soms stijf van puilen en lijfelijk stuipen, zacht, nieuw en zenuwachtig. Met gesloten ogen klemt zij zich aan mij vast, fluistert onverstaanbare woorden, bijt me kreunend in de schouder, jaagt een wild vuur in me op, zweept me tot een laaiende harstocht, een feest van lusten, lang kon ‘k me er later in verwarring over schamen zonder te weten uit welke grond longkanker mij verbijsterde.

drie: Ontdekking voor drie
Een landweg verplicht onverhard ons om via een achterpoortje toegang te krijgen tot het gebouw. Storen zal ons hier niemand; buitenmuren dragen fijne, mosachtige schimmel die als dons aanvoelt. Langs de voorzijde loopt een grindweg met wagensporen naar het dorp, wil een andere zwerver ons op de mouw spelden. Geen van ons betaalt huur of pacht, het laatste oortje is versnoept. Trix, dan weer Geurtie meent dat de ratten zich al in de spouw melden. Wij zijn met drieën opgesprongen en tegelijk vallen wij een geheel nieuwe, vrije ruimte binnen. Ooftbomen zijn door andermans hand geplant, net als bessenbossen en frambozen. In die wondere tuin verbergen zich diep plekken, waar een sterke vent een bijl nodig zou hebben om zich doortocht te banen. Soms snort even een horzel voorbij en in de kweekvijver achter mij snakt baars en voorn. Wij klauteren een ladder op, naar de schelf. Zware, onhandelbare dingen waar wij tegen aanlopen, het geritsel van licht aan het versleten dak en het geluid van onze stappen verdiepen de ernst van onze onderzoekingstocht in het merg van onze bergruimte.

vier: Trio
Dit samenzijn vordert wachten en gelukkig zijn. Maar dat doe ik niet, ik wil mezelf pijnigen, de pijn van ’t alleen zijn van al die weken nog wat zelfsarrend overdenken, zodat het geluk van bevrijding uit dat tekort des te glorieuzer zal zijn. Het trekt tussen de decorstukken, een venijnige, kille tocht, die langs de te dun geklede spelers trekt. Laat mij heur liever sarren, dan kan Trix, dan weer Geurtie ze, door me zwijgend te weerstaan, doen weten hoe min ze me acht. Laat Harm aarzelen tussen ons twee. ’t
Enkele honderden meters verderop zullen zij wakker liggen, net zoals ik wakker zal liggen, bedroefd en verloren. Ik laat mijn gedachten al maar gaan. Zonder dat het donker wordt, is de wind gaan liggen.

vijf: Opstand en drift
Weer eisen de tranen die uit haar ogen lopen onze aandacht. Woedend boent Trix, dan weer Geurtie ze weg, maar zodra zij opstaat om de lamp aan te steken, schokt niet te onderdrukken snikken in haar keel. Zij mompelt een grove vloek als een driftige sjouwersknecht. Harm is in grote haast vertrokken in vette laarzen. Volgens haar woedevlaag zijn het vooral mijn opmerkingen, die hem op de vlucht hebben gejaagd. Zin in rakel klonk bij Trix als klinkklare onzin, bij Geurtie als klinkklaar orakel.

zes: Kameraden
Vriendschap vraagt het. Een onnutte jongen, Harm, voor niemand hulp en niemand tot last. Hij tilt me op zijn rug; ik hou hem stevig vast, hij neemt een sprong en samen, gesteund op de lange, diep in de zompige bedding wegzakkende stok, zwieren wij over het donkere water. Een kerel hoog en sterk als een draaimolenas, maar welgeschapen van lijf en leden. Een prachtige rijzige vent in zijn beste tijd. Hij kan álle rijke meiden die op het kermispad zijn, versieren met alle gemak; in elk geval voor één onuitputtelijke nacht.
Wij blijven dicht bijeen, misschien omdat eenzaamheid ons een beetje bang maakt. Als op afspraak beginnen wij zachtjes te zingen, terwijl wij langzaam op maat verder gaan. Om mijn nek ligt een koude arm geslagen. Zoekende lippen tasten over mijn hamerende slaap, fluistert: ’Ik bedoel bloed.’
Lichtend tussen ’t duister van dennenbossen slingert de klinkerweg voort; het publiek kan dadelijk merken dat deze mij verder lokt, dan wij van plan waren te verkennen. Het is hier niet langer meer een broeinest van weerspannig heesterhout, waar men zich doorheen moet wringen als koppige en verdwaalde geit in een bres. Het zwerven krijgt een totaal andere betekenis, waar ik niet scherp genoeg een woord voor vind om het verschil mee uit te drukken, de mond bot en met beide benen op de grond.

zeven: Bevrijding
Trix, dan weer Geurtie verplicht Harm en mij niet af te wijken; haar weg ligt gericht voor haar, weg van eenzaamheid en beschutting. Ze kán en ze wil geen dank aanvaarden van deze te vriendelijke man, die haar driemaal per week zijn lange gele tanden zien laat. Haar weerzin moet toch tot hem. Maar Harm lacht niet met zijn ogen, alleen met zijn tanden. Zijn kop draagt hij in zijn nek. Als er opnieuw kramp komt, voelt zij het eerst sidderingen in haar handen en in haar gespannen schoot. Er klopt een ader in het kuiltje onder haar keel, waar haar huid glad is en de warme blankheid van oud ivoor heeft. Er parelen kleine druppeltjes op het dons van haar bovenlip en hij ziet hagelwitte tanden in haar even geopende mond. Hitte. Een dronken verwarring raast door zijn denken, de lust zijn handen om haar schouders te leggen verkrampt zijn spieren… Hij schrikt van de wilde drang, kucht moeilijk om zijn ontroering te bedwingen en gaat rechtop zitten. Ze heeft de mouwen opgestroopt tot halverwege de bovenarm, het boordje en een paar knoopjes van haar pakje losgemaakt voor de warmte. Maar dat benauwde leven is haar op zekere avond, net toen iedereen meende, dat ze eindelijk wat begon te wennen, toch te bar geworden.

acht: Beider gloed
Want nog dieper belast Harm de weerloze vrouw, grijpt heur lichaam schoksgewijs oksel bij de schouders en heft Trix, dan weer Geurtie omhoog. Bloed is naar zijn kop gestegen en zijn gezicht is rood als van iemand die snel whisky heeft gedronken. Zijn gekortwiekt haar geeft iets boers aan zijn wezen. Het is voor ’t eerst, dat ik zie welk een groot en regelmatig gevormd hoofd hij heeft. Zijn mond is droog en vlezig; de onderlip heeft winter en zomer een diepe kerf in het midden, waar dikwijls zwart in is. Rauw en plots komt in Trix, dan weer Geurtie de grote verschrikking, die knarst en knakt als breken van heur beenderen voor het gerecht van de oude tijd. Roestiger hoest geldt als zoet. Terwijl de nachten donkerder worden, kalmeert ’t gemoed bij Harm en mij. Bij plaatsen verschijnen fragmenten in een al te vermoeden en te voorspellen onderlinge verbondenheid, om wel spoedig een onnaspeurlijke drang te ondergaan, aaneen te vloeien en een geheel te vormen. Heur rok blijft aan onwillige twijgjes haperen, en als ik ‘t goed gezien heb, steken heur blote voeten in sandalen. Gemurmel welt van heur lippen, onverstaanbaar nog, mat en moe. Trix, dan weer Geurtie wandelt op een smal paadje tussen ritselend gebladerte. Nu heeft ze heur zware, honingblonde wrong losgemaakt, koordje rond. Af en toe draalt ze peinzend; heur stem klinkt bij pozen luider, doch even vaak voos en onverstaanbaar. Ze loopt met grote en besliste passen naar de linkerkant van het toneel, aarzelt en glipt dan weg achter de gordijnen. Zij loopt met beide benen aan de grond en strandt. Ik blijf alleen achter en herhaal al mijmerend voorgaande gebeurtenissen, terwijl plotseling als op afspraak wolken muggen het publiek omringen.

negen Wat geheugen beheerst
Trix, dan weer Geurtie forceert zich om in de vaagheid van dit halfduister ieder onderdeel herkennen. Het dak, waaronder heur kamertje is, met ‘n klein venster en ruime, lichte bedstee. Daar heeft Harm een winternacht bij haar gelegen en heel de nacht is geweest als een verschietend ogenblik. De grote kamer is er, waar even de hoge vensters blinken. Daar heeft hij heur voor het eerst op zijn schoot getrokken en al haar bloed is vuur geworden. ’t Zeerst gericht, voorbij schijn.
Nu wordt alles weer goed; de hinderpaal glijdt zachtjes van weg, haalt nog even aan, geleidelijk, maar onweerhoudbaar. Ik zie dat het Harm net zoals mij gaat.
Nachten lang bracht hij in halfslaap door; telkens even suffen en even ontwaken. Harm is heur goeie lobbes. Zij gunt hem plezier in het boerenwerk. Voor een kleine hof is hij ook goed te gebruiken. Maar nachten zijn zwaar en ’t lijkt Harm menigmaal, of de ramp als een bedompt,zwart gordijn over hem heen getrokken wordt, dat zowel hem als mij verstikt. Dan kruipen duistere verhalen in optocht door zijn kop. Angst, die keel dichtknijpt, kaken afklemt, tong vastsnoert en die hem afhoudt van het gebed om genade en beterschap. Hij vindt niets, want hij mist de sleutel tot het geheim in het leven van de vrouw, die hem dit aandoet. Rondtasten in den blinde maakt Harm wanhopig. Als hij maar iets kan vinden, dat hem doet begrijpen hoe en waarom, maar er is niets, dat zich aan zijn herinnering opdringt. List staat zijn hand toe. Doek valt, decor wisselt, publiek applaudisseert.

tien: Ontberen in liefde
Het dient koud en klam in het grote en rechthoekige vertrek te zijn. Af en toe vaart er een rilling door ons lichaam. Onze woorden vervagen tot onbedwingbaar gegeeuw. Een poos staan we in sprakeloze omarming. Wij waren mol, en groeven normaal gesproken naar de gesp. Het begint plots te regenen en een ware wolkbreuk stort neer. De wind heeft zijn razende geweld verloren, zodat wij moe, zonder nog om iets te geven, in plassende regen blijven aarzelen. Ik bevind me volop in een nieuwe wereld, een waarin ik met mijn voeten op het plafond dans. Trix, dan weer Geurtie is net zo sterk als ik of Harm> Wij wankelen een poosje op de rand van de vensterdorpel; tot wij evenwicht verliezen en, elkaar omarmend, samen naar binnen vallen. Onder het vallen durf ik niet te kijken of te schatten; wij leggen een afstand van duizend uren af, terwijl we elkaar stevig omklemd houden. Eindelijk dalen wij op een ruisende, verende massa en rollen schuin weg op een koud, hard vlak. Wij liggen roerloos naast elkaar in bed. Muizen ritselen over de vloer. Vensters staan open in stille herfstnacht. Raaf raast naar wateriger, naar rustiger vaarwater. Het publiek in de zaal rumoert. Kennelijk is publiek weinig bevattelijk voor het aangebodene: er is het nodige stemrumoer en sommigen lopen de zaal uit. Duimafdrukmaf; kandidaten laten het bewust afweten.

elf: Tederheid verbroken
Machtig is de hand die deze trotse man hanteert; doch vreselijker morst zijn lot, dan Trix, dan weer Geurtie had mogen hopen. Willige hand, die zieke jongen laat begaan. Harm ruikt warmte uit rulle grond ontstegen, kruidige geur van spirea en een zware welbehaaglijke geur, gelijk een pas opengebarsten gele plomp.
‘t Buurmeisje vindt ‘t hartelijk van de lummel. Hij geeft heur koekjes altijd ’s avonds, altijd over de heg. Zij dwingt zich tot vriendelijkheid, die nooit tot hartelijkheid wordt, maar toch geen ruimte laat voor vermoedens. Trix, dan weer Geurtie is te kuis en te trots voor honderd dingen, en plotseling -heel onwaarschijnlijk -week voor het een en ander, dat heur onthouden wordt. De diepe geur van rommedoe rijpt tussen hen.
‘Ja,’ zegt hij, opgetogen om haar vernieuwde vertrouwen. En grijpt in zijn binnenzak naar de ivoren fluit. Die fluit blijkt gebroken in hun worsteling. Alles heeft die meid verstoord, gebroken, onmogelijk gemaakt. De sierlijke dans wankelt in kreupel strompelen. De fluit is gebarsten, wangen geven alleen nog schrille dissonanten. Glans verdoft. In de bloeiende feestweide schiet giftig onkruid op, stekels en brandnetels, doornen in ‘t struikgewas, duivels verwarde draad van misverstand, tussen haat en nijd drijft grief, schrijft liefdesverklaring, schrijft dreigbrief. Mocht ze hem daar meer toegenegen worden, guller in heur gaven van wijf en levensmakker, net zoals alles rond heur nieuw is geworden, dan is dit dat ‘t resultaat.
‘Omdat ik je nog alleen nooit in het wezen gespuwd heb, maar voor het overige toch goed heb laten weten, hoe ik tegenover jou sta.’
‘En ik schat dat jou ook minder is toegemeten in het leven, dan je gehoopt had in je jonge jaren.’
Bij wijlen begin ik er aan te twijfelen of ik wel wakker ben, of alles werkelijk voor mijn ogen gebeurt. De alledaagse gezichtshoek van het leven wordt schijnbaar door gezoek verschoven, doch in feite blijkt alles als voorheen. Gordijnen sluiten voor het volgende bedrijf.

twaalf: Aarzeling om te delen
Heur handje perst zich even in de zijne en gelukkig heeft Trix, dan weer Geurtie niet kunnen zien, dat Harm even daarvoor met betraande ogen staat aan de andere zijde van de zijtak. ‘Roest in de kram. Lange barsten in de bast ,’ roept mijn kwade lijkwade.
Zijn verkrampte hand voelt weerstand, hij heft zijn ineen gebeukt hoofd hoger, bijna tot waar zijn handen redding vinden.
Trix, dan weer Geurtie is met heur fijne, gevoelige vingers vals met de stekelige plant bezig, alsof ze lichamelijk deel wil hebben aan het feest van de open kiemende bloem, Harm. Blonde snor, lichtblauwe ogen met lange wimpers en een wat trieste blik. Groot litteken loopt van zijn slaap naar beneden tot op de gladgeschoren kaak. Ik zie ons samen met het publiek in de spiegel boven ons bed. Volstrekt valstrik.

dertien: Samen nu
Wellust bepaalt ons bevinden op een plaats, waarvan de toegang verboden is, in een onbekende omgeving, waar de gewoonste dagelijkse dingen van een stomme rust getuigen. Vroegrijp telt Harm en rekent Trix, dan weer Geurtie voor, ik wacht op rekenfouten. Van lispelen is geen sprake. De afstand is te verdelen. Zesendertig dagen. Twee maal twee, maal drie maal drie dagen. Zesendertig dagen, doelloze dagen.
Twee gaan elkaar lekker wat kriebelen in de hals met strootjes en vooral is dat aardig(maar dan heel precies in de neus) als er een uiteindelijk gaat lodderen en inslaapt. Deze nachtwake heeft aan zijn krachten gevreten, de zon is zo warm, het pijpenkruid geurt zo zwaar in kruipen vanwege dat rijpende zaad. ’t Opbollende vloeit en druipt zijn volle bloei. Webben in wijsheid, in pacht gevangen.
In een half uur tijds is er een verbazend sterke wind opgestoken, zodat wij ons met moeite staande kunnen houden. Waarom moet een leven dat zo wild graag geleefd wordt, ooit uitdoven en een einde nemen? Ouwe mannen blijven tot hun honderdste jaar wild, wijven willen een hortje jonger al niet meer aan de trouw. Maar volgt er wild en plotseling een windstilte, dan verliezen wij het evenwicht en strompelen ongelukkig voort. Uien huilen harder, zodra de mens ze snijdt. Kleren raken onverzorgd en hij merkt het niet eens meer. ’t Is of thans een andere armoede over zijn wezen trekt en hem bestempelt tot uitvaagsel.
Op de kerktoren, in de verte, trekt het uur met luie tellen en galmt het koor uit open deuren. Wij horen te leven in deze kamer, afgezonderd van de wereld, trots en guur. Daarna kan ‘t nog vele malen morgen geworden.

 

 

 

 zie ook www.cpvincentius.nl : elke dag een andere BLOTTOMOTTO's en een andere YOUTUBEFAVORIET

Reacties

03-10-2011 18:26
Beste helen,

Bedankt voor je close reading van mijn verhaal.
Een landweg verplicht onverhard ons om via een achterpoortje toegang te krijgen tot het gebouw.

Hoewel als krom klinken kan overkomen; grammaticaal is de zin correct.

Een landweg verplicht ons onverhard om via een achterpoortje toegang te krijgen tot het gebouw.?
(dan zijn "ons "onverhard)

Een onverharde landweg verplicht ons om via een achterpoortje toegang te krijgen tot het gebouw.
(dan wordt het verplichte wat door he tonverharde ontstaat onvoldoende beklemtoond)

Onverhard en wel verplicht de landweg ons om via een achterpoortje toegang te krijgen tot het gebouw.
(vind ik als openningszin van een alinea te glad, al geeft-ie correct weer waar 't op zou moeten slaan.)

Zo'n grote puzzle vind ik het niet. Dat zou je kunnen zeggen van het gedicht van vandaag Ontberingen, waar ik bewust de grens van de begrijpelijk heb opgezocht om klank en taalspel alle ruimte te geven.

Met vriendelijke groet,

Chris
03-10-2011 11:06
Ik ben verrast over deze tekst, die behoorlijk anders is dan veel andere teksten die ik van je heb gezien. Maar, het spijt me, ik ben herhaaldelijk tot halverwege gekomen maar ik word er niet in meegenomen, raak de draad kwijt.

Wat is de functie van woorden uit elkaar trekken? Bijvoorbeeld in 'Een landweg verplicht onverhard ons om via een achterpoortje toegang te krijgen tot het gebouw.' Als ik betekenis wil vinden in deze zin, herschik ik hem tot 'Een onverharde landweg brengt ons naar achterpoortje dat ons toegang geeft tot het gebouw.' (o.i.d.) Jammer, juist door het gepuzzel kom ik niet in aanraking met de sfeer die ik in deze tekst vermoed.
29-09-2011 13:08
Beste Souza,

't Is inderdaad ver van een klassiek verhaal met intrige, dan wel plot. Veel meer heb ik geprobeerd om juist via beelden iets van de beleving weer te geven van het drietal.
Ik heb bewust voor een open einde gekozen, zonder de belevenissen verder uit te kristalliseren.

Bedankt voor je reactie,
29-09-2011 12:45
Poëtische proza. Dat was het eerste dat in me opkwam. Je schets prachtige beelden. Maar het verhaal is in mijn ogen zoek. Bij elk van de dertien scènes zoals jij ze noemt verwacht ik daarna een stukje dialoog, of een gebeurtenis die van iets dichterbij wordt verteld waardoor ik als lezer wat meer vat krijg op wat er gaande is. Ook verwachtte ik je scènes (vooral de laatste) aan het einde van een (stuk) verhaal waar, nou ja, meer gebeurt.

Het is meer alsof je een serie foto's/dia's of een film in beelden probeert te beschrijven. Het spijt me om te zeggen, maar het is op de één of andere manier gewoon geen verhaal. Al zijn de beelden, nogmaals, erg sprekend (en doen gelukkig erg aan zomerse liefdestaferelen denken).
23-07-2011 09:57
Hmm, waarschijnlijk heb ik het dan in een compleet verkeerde houding zitten lezen (schets betekent ook zoveel, tegenwoordig. Ik zou er zeker 'sfeerschets' van maken in de titel).

Ik denk dat ik 't later vandaag nog eens 'probeer' met deze nieuwe info in mijn achterhoofd.
23-07-2011 08:35
Beste Roelof,

Het is een schets, een sfeerschets om precies te zijn. Een duidelijke verhaallijn met plot, draai etc. is het niet. Ik heb geprobeerd om z.g. 'en scène' een zomerse liefdesrelatie tussen drie weer te geven. Om e.e.a. te benadrukken heb ik taal gebruikt, die meer nijgt naar naturalisten uit de 30-er jaren vorige eeuw dan naar huidig taalgebruik(men denke aan 't roemruchte De Martelgang van Kromme Leendert van A.M. de Jong)
Dat ik de lezer met iets opzadel wat niet acuut te doorgronden is, neem ik daarbij voor lief.

Bedankt voor je positief kritische reactie,
22-07-2011 13:00
Heb nu tot zeven gelezen, hier en daar wat vlaggetjes geplaatst. Ik vind het enorm lastig om in het verhaal te raken, de manier van spreken is voor mij onnatuurlijk en de samenhang van beelden komt door sommige zinnen niet op mij over.
Iets concreter: Ik weet nog steeds niet waar het over gaat. Er is iets met een huis en/of gebouw, en toch zit ik al op de helft van het verhaal.
Ik wil niet te veel vragen stellen, en dergelijke, misschien los je dat richting/in het eind helemaal op, maar ik vind het erg lastig weglezen.
Deze site wordt mede mogelijk gemaakt door
Volg ons via