Wachtwoord vergeten Registreren
Zoeken
uitgebreid zoeken

Upload

Literair werk uploaden

Reageren

Reageren en commentaar geven op dit literair werk? Favoriet maken of alle commentaren, reacties en wijzigingen automatisch volgen?

Log dan in.
Zien welk commentaar al gegeven is? Klik dan op 'Toon commentaarvlaggen'

Toon commentaarvlaggen

Het mysterie van het verdwenen klooster hfdst 3: Pipo weg, klooster weg

Kort verhaal
profielfoto
13 aug 2017
5 reacties
124 keer gelezen
0
Toelichting van de auteur bij deze versie:
Hoofdstuk 3 van een boek voor jongeren van 10-12 jaar. Dit is het laatste hoofdstuk dat ik hier plaats.

Copyrightkeuze:
Volledig copyright

Werk is leesbaar voor:
iedereen

Waar was Pipo? Even te veel met die put bezig geweest en weg was Pipo. Maar weglopen, dat was niets voor Pipo. Bas kan er niet over uit. Vreemd. Heel vreemd. Natuurlijk proberen ze hem met roepen en fluiten terug te krijgen. Maar zonder resultaat.

‘Weet je wat ik denk?’ zegt Bas tenslotte.

‘Nou?’

‘Ik denk dat Pipo gewoon naar huis is. Die zag het hier helemaal niet zitten. Dat hebben we al eerder gemerkt. En nu ligt ie thuis op ons te wachten. Let maar op.’

‘Ik hoop dat je gelijk hebt,’ zegt Paul. ‘Laten we dan maar teruggaan. Het begint ook al weer te regenen. Kom op. Wegwezen.’

Nog één keer kijken ze scherp om zich heen om te zien of Pipo in de buurt is. De regen komt nu echt met bakken naar beneden. Op het moment dat ze willen gaan rennen, trekt Bas zijn vader aan zijn arm.

‘Stop pap. Stop. Daar. Kijk daar.’

Bas wijst in de richting van de bosrand. Er hangt een grauwe regensluier voor de eerste rij bomen. Paul stopt, veegt het natte haar uit zijn gezicht en kijkt in de richting die Bas aanwijst.

‘Ik zie alleen regen en bomen. Zag je Pipo?’

‘Nee niet Pipo. Ik dacht even dat ik daar iemand zag lopen, tussen de bomen. Een beetje eng. Ik dacht eerst dat hij geen hoofd had. Toen zag ik dat hij iets over zijn hoofd droeg. Een soort bivakmuts. En nu zie ik hem niet meer. Het was in een flits. Ook al zo raar.’

‘Vast een wandelaar die zijn capuchon op had. Kom nou maar. Ik loop van onderen tot boven te soppen.’

 

Ze hollen terug naar Het Kraaiennest. Doorweekt vallen ze naar binnen.

‘Mam, heb je Pipo gezien?’ roept Bas als hij weer bij adem is.

‘Hoe zo? Is ie weg?’

‘Pipo is weg. Verdwenen. Bij het Zwartekappengat. Zo maar ineens. Dat heeft ie nog nooit gedaan. Er moet iets gebeurd zijn. We hebben niet gezien dat ie wegliep. We hoopten dat ie teruggelopen was.’

‘O, nee hè. Dat kan toch niet waar zijn. Pipo loopt nooit weg. Wat kan er gebeurd zijn?’

Marjan is duidelijk aangeslagen. Paul en Bas staan er een beetje verloren bij.

‘Misschien is ie achter een konijnenluchtje aangegaan en is ie door de regen verdwaald geraakt,’ zegt Paul. ‘Dan spoelt zo’n geurspoor ineens weg. We kunnen niet veel anders doen dan wachten. Het begint al donker te worden. Het heeft geen zin om nu nog in het bos te gaan zoeken. We laten vannacht het licht aan en we houden de deur van het schuurtje open. Dan heeft ie in ieder geval een droog plekje als hij terug is. Ik zal ook zijn brokken in het schuurtje zetten. Misschien dat ie ze ruikt. Pipo is niet een hond die in zeven sloten tegelijk loopt. Ik ben er bijna zeker van dat ie morgen gewoon in het schuurtje ligt te snurken.’

Paul heeft gelijk. Er zit weinig anders op dan te wachten op de nieuwe dag.

 

Na het eten pakt Paul het grote boek met de sagen en legenden van het Oude Woud en begint te lezen.

‘Wat staat er, pap?’ zegt Bas ongeduldig.

‘Ja Paul, even hardop graag, ik wil ook meegenieten,’ zegt Marjan.

‘Volgens heel oude verhalen heeft er op de plaats van de kuil ooit een klooster gestaan. Een machtig klooster. Het pad waar we vanmiddag overheen liepen, was toen de weg naar dat klooster. Ik heb het nu over de tijd dat nog lang niet iedereen zich bekeerd had tot het Christendom. In de bossen leefden nog heidenen met hun eigen goden. Wilde bosmensen. De monniken uit het klooster probeerden de mensen uit deze streken te bekeren. De monniken leefden eenvoudig en werkten hard. Ze deden alles zelf. Voedsel produceren, kleren maken, bier brouwen. Ze leerden de mensen van alles en ze hielpen de armen en de zieken. Dat maakte indruk. Steeds meer mensen lieten zich dopen. Zo werd het klooster rijk en machtig.’

‘En toen ging het zeker de verkeerde kant op?’ veronderstelt Marjan.

‘Reken maar. Het ging gloeiend mis.’

‘Altijd hetzelfde,’ zegt Marjan. ‘Mijn vader zei altijd: de armoe houdt de mensen netjes. Rijkdom brengt de ellende in de wereld.’

Bas vindt het maar een raar idee. Hoe meer geld, hoe beter. Toch?

‘Eens even kijken wat ze verder over het klooster schrijven?’ zegt Paul. Hij leest het vervolg van de historie van het klooster en zegt dan:

‘Het liep inderdaad volledig uit de hand.’

‘Hoe bedoel je?’ wil Bas weten.

‘Nou, luister maar. Op een zeker moment overleed de oude abt. Een vroom en goed mens. Zijn opvolger was Bernulfus, en dat was eigenlijk een regelrechte boef. Die had zich op een sluwe manier omhoog gewerkt en die had heel andere ideeën over het kloosterleven. Toen hij eenmaal benoemd was als nieuwe abt kwam de aap uit de mouw. Het klooster werd een plek vol rottigheid. Het werd een beestenbende. Feesten, drinken, er werden zelfs vrouwen naar binnen gehaald wat ten strengste verboden was. En niet zo maar wat onschuldige meisjes, nee volgens de legende waren het heksen en andere zondige vrouwen uit het woud die meededen aan de feesten en zich leenden voor zwarte missen.’

‘Wat is nou weer een zwarte mis?’ zegt Bas.

‘Tja, dat wordt hier niet precies verteld, waarschijnlijk te erg voor woorden, maar het is eigenlijk een mis zoals bij de katholieken, maar dan anders. In een zwarte mis gaat het niet om God maar om de duivel, de grote vijand van God.’

Bas weet weinig van kerken, van protestanten en katholieken. En dan had je tegenwoordig ook nog de Islam. Zijn ouders doen er niks aan en op school hoorde je er ook weinig over. Daarom heeft hij ook een beetje moeite met het verhaal van Paul. Maar het is wel duidelijk dat die Bernulfus niet helemaal lekker was. Gelukkig is het al een tijdje geleden, bedenkt Bas. Paul gaat verder.

‘Hier, moet je horen. Er was volgens de legende maar één broeder die op het goede pad bleef: broeder Gerardus, de goede broeder. Broeder Gerardus waarschuwde de abt Bernulfus dat het slecht met hem zou aflopen. En met het klooster. En toen werd het Kerstmis. Bernulfus voelde zich machtig. Op de Heilige Nacht zou hij God uitdagen. Met een kerstspel. Een van de wilde bosvrouwen zou een kind krijgen. Maar niet zo maar een kind, nee, het moest een duivelsjong worden. Alle mensen uit de streek werden gedwongen het kerstspel bij te wonen.

Broeder Gerardus schaamde zich diep. Hij was ten einde raad. Tijdens het kerstspel in de kloosterkerk stond hij op en waarschuwde Bernulfus en de andere broeders voor het laatst voor de gevolgen van hun daden. Bernulfus werd kwaad. Zo kwaad dat hij opdracht gaf broeder Gerardus van de hoogste kloostertoren te gooien. Op dat moment pakte de oude Gerardus het houten kruis dat hij om zijn nek droeg, stak het omhoog en riep: ‘Gods straffende hand zal u, Bernulfus, en al uw verdorven monniken treffen tot aan het einde der tijden.’ Op dat moment stak er een verschrikkelijke storm op. De aarde beefde en opende zich. En het klooster verdween in de diepte.’

Paul stopt en kijkt naar Bas. Die zegt uit de grond van zijn hart: ‘Hoe brak.’

‘Ja jongen, een vreemde, diepe kuil, meer is er niet over van het oude klooster. Tenminste, dat staat in dit boek. Is het echt gebeurd? Het zijn oude verhalen. Een legende. Hier, moet je horen wat er nog meer staat: Er zijn verhalen van reizigers die ’s nachts deze angstaanjagende plek waren gepasseerd. Die hadden in de kuil kerkklokken gehoord. En wat dacht je hier van? Er zijn volgens dit boek ook verhalen van mensen uit de streek over monniken die op kerstnacht in een soort processie rond de kuil schuifelden, klagend en wenend en smekend om hun droevig lot te verzachten. Met zwarte hoofdkappen op. Even later waren ze dan weer verdwenen.’

‘Poeh,’ zegt Marjan.

‘Brakker,’ zegt Bas.

‘Ja, ja,’ zegt Paul.

‘Nou begrijp ik ook dat bordje,’ zegt Bas.

‘Welk bordje?’ wil Marjan weten.

‘Nou, bij die kuil staat een bordje met Zwartekappengat. En daaronder staat: geologische amanolie.’

‘Pardon?’ zegt Marjan. ‘Wat voor olie?’

‘Geologische amanolie. En dat betekent: wij geologen weten ook niet hoe die kuil hier is gekomen,’ zegt Bas met een knipoog naar zijn vader. Paul doet geen moeite om zijn zoon te verbeteren. Het is ook een moeilijk woord. Marjan is zwaar onder de indruk van al die wijsheid.

‘Kijk,’ zegt Bas, ‘als daar een klooster in de aarde is verdwenen, dan komt een geoloog er natuurlijk ook niet meer uit.’

‘Helemaal juist, zoon,’ zegt Paul. ‘Geologen houden geen rekening met de mogelijkheid dat er ook nog kloosters door de bodem kunnen zakken.’

‘Hoe zou het met ons schildpadje zijn?’ bedenkt Bas plotseling hardop.

‘Morgen. Eerst Pipo, dan het ei,’ zegt Marjan.

Reacties

16-08-2017 08:17
Dankjewel EJA.
Het is gewoon leuk om te doen. De grote uitdaging is om het ook helemaal af te maken.
15-08-2017 20:02
Ik denk dat het zeker kinderen van de doelgroep zal aanspreken. Ik verbaas mij over je veelzijdigheid. Ik bedoel: je hebt zowel oog voor eenvoud als complexiteit van een verhaal.
14-08-2017 12:20
Dag Gerard,
De verschrijving is inderdaad bewust. Maar daarom niet minder bedankt voor je trouwe aandacht!
14-08-2017 11:31
Zie nogmaals vlaggetje.
14-08-2017 11:25
Vlaggetje
Deze site wordt mede mogelijk gemaakt door
Volg ons via