Met mijn handen op mijn rug loop ik naar het midden van het schoolplein. Onder mijn zolen knispert de sneeuw. Het vriest een paar graden waardoor de stoeptegels verraderlijk glad zijn.
"De eerste week van december alweer", zucht ik, terwijl ik mijn blik op de strakblauwe lucht richt. "Nog even en dan…"
Het duurt niet lang voordat een sneeuwbal met een doffe plof naast me op de grond uiteenspat. Pleinwacht tijdens de wintermaanden is een hele opgaaf op een lagere technische school waar voornamelijk jongens zitten die beter met hun handen werken dan met hun hoofd. Ik negeer de uitdaging, recht mijn rug en wandel rustig verder. Een tweede bal treft mijn winterjas. Een witte kring markeert de plek waar ik geraakt ben. Ik stop even en klop mijn jas schoon. Het merendeel van de leerlingen is van buitenlandse komaf. Ze vertonen agressief gedrag en hebben geen respect voor oudere mensen. Wanneer ik me omdraai, treft een sneeuwbal me hard tegen de zijkant van mijn gezicht. Jongens met leren jassen aan hokken grinnikend samen. Ik raap mijn bril op en verwens daarbij diegene die de bal geworpen heeft.
"Jugendliche ohne Respekt", fluister ik.
"Herman! Herman!", galmt het even later over het schoolplein. De sneeuwballen hebben plaatsgemaakt voor getrek, geduw en gejoel. De groep die me ongemerkt heeft ingesloten neemt in omvang toe. Ze lopen tegen me aan, waardoor ik bijna uitglijd. Met mijn gehandschoende hand deel ik een tik uit en schreeuw dat ze moeten ophouden. Maar het heeft geen zin, ze zijn niet voor rede vatbaar. Ik duw er een paar aan de kant en loop kwaad van hen weg. Er zit niets anders op dan mijn toevlucht te zoeken in de hal van het schoolgebouw en daar te wachten op het verlossende belsignaal.
In de klas is het al niet anders; chaos heerst wanneer ik ze mijn rug toekeer.
"Verlassen Sie das Klassenzimmer!", beveel ik een leerling, wijzend naar het gat van de deur. Met een grijns op zijn gezicht springt hij in de houding en roept: "Jawohl, Herr Krähmer". Bij de deur draait hij zich nog even om en brengt aan zijn vrienden spontaan de Hitlergroet. Een elastiek kaatst af op het plafond. Een jongen aan de tafel links van mij vervolgt het gesprek met zijn achterbuurman. Duits mag geen populair vak zijn, maar ze moeten weten dat ik in de klas de baas ben.
"Kijk me aan als ik tegen je praat", zeg ik hem in duidelijk Nederlands. Het geluid van schuivende stoelpoten vermengt zich met luide stemmen. Een hels lawaai dat ik geleerd heb buiten te sluiten. Ik pak zijn arm vast en trek hem naar me toe.
"Heb je dan helemaal geen opvoeding gehad! Je moeder …"
Hij draait zich om en kijkt me minachtend aan. Ik maak mijn zin niet af. Zijn moeder is lid van het schoolbestuur. In haar ogen mag hij God zijn, maar deze jongen deugt niet. Zijn ontblote arm vertoont sporen van druggebruik. Ik herken de blauwe plekken maar al te goed. Met een harde blik in zijn ogen rukt hij zich los en staat op. In zijn hand bevindt zich een vlindermes. Ik deins achteruit, struikel daarbij over een verdwaalde tas en val op de grond. De klas zwijgt. Voor het gangraam kijkt een collega hoofdschuddend toe.
In de lerarenkamer ontwijken ze mijn blik wanneer ik vraag: "Waarom toch?" Na achtentwintig jaar heeft men moeite met mijn aanwezigheid en ben ik op school niet langer welkom. Ik zou geen orde kunnen houden en had beter moeten weten. Mijn weerwoord heeft niet mogen baten, de leerlingen gaan vrijuit.
Nu zit ik alweer twee weken thuis, mijn 'zonden' te overdenken. Mijn vrouw heeft het wel zien aankomen, zegt ze, en vindt dat stoppen met lesgeven ook positieve kanten met zich meebrengt. Ik kan ze alleen nog niet ontdekken. Het schoolbestuur heeft me lelijk in de steek gelaten. "Verdammt noch mal!"
"Wat zit je toch te mopperen, Herman? Kom, drink je thee eens op."
Wanneer ik 's avonds de hond uitlaat, loop ik langs het huis van de jongen waar ik laatst problemen mee heb gehad. Het schijnsel van de brandende kerstverlichting, die rondom de voordeur is aangebracht, verlicht zwak het vers besneeuwde tuinpad. Binnen is het donker. Hoewel het zandpad waaraan de villa ligt weinig lampen telt, is het buiten opvallend licht. Sneeuwvlokjes dansen in het licht van de straatlamp waar ik naast sta. Het bevroren zand kent diepe sporen, net als de plek waar mijn hond zonet geplast heeft. De warme urine heeft gaten in de sneeuw gesmolten. Gele randen markeren het reukspoor dat hij aan de voet van de boom heeft achtergelaten. De witte villa past goed in dit sfeervolle, winterstille landschap. De brandlucht die ik ruik is afkomstig van het huis achter mij. Een open haard of houtkachel verhoogt daar de sfeer die zo kenmerkend is voor deze tijd. Wanneer ik de hond aanspoor om verder te lopen, stopt er een auto voor het huis. Moeder en zoon Van de Pol stappen uit, maar vader rijdt weer verder. Hem heb ik nooit ontmoet, ik weet niet wat hij voor werk doet. Gearmd lopen ze naar binnen. Ik raap wat sneeuw van de grond en pers het tot een harde bal. "Mijn tijd om wraak te nemen", grinnik ik . Ik zal dat rotjoch ook eens schrik aanjagen en een sneeuwbal tegen de voorruit gooien zodra ze binnen zijn. Ik zet me schrap en gooi vanuit de schaduw van de boom met kracht de sneeuwbal in de richting van de villa. Een luid glasgerinkel verbreekt daarna de stilte. Ik schrik ervan en zet het op een lopen. Hoewel ik het zo niet bedoeld had, kan ik een grijns op mijn gezicht niet onderdrukken. Ik voel me weer jong en een 'eigen schuld, dikke bult' verlaat mijn lippen. Zie in deze tijd van het jaar maar eens iemand te vinden die de boel komt repareren.
"Fijne en vooral 'warme' feestdagen toegewenst, Van de Pol!", grijns ik tevreden. "Kerst zal voortaan niet meer hetzelfde zijn!"
Thuis wacht mijn vrouw me bij de voordeur op. Bello rent haar kwispelend tegemoet. Zijn harige poten zijn nat en moeten eerst worden afgeveegd voordat hij naar binnen mag. Maar mijn vrouw schenkt de hond ditmaal geen aandacht. Ze wenkt me dat ik moet voortmaken en meldt me dat er onverwacht bezoek is gekomen.
"Meneer Van de Pol is er", zegt ze opgewonden. Ze weet dat ik dit nooit verwacht zal hebben en wacht gespannen mijn reactie af.
"Meneer Van de Pol?", fluister ik, terwijl het koude zweet me uitbreekt. Zou iemand mij vanavond dan gezien hebben?
"Ga nu maar naar binnen, dan zal hij het zelf wel uitleggen."
Ik hang mijn jas op aan de kapstok, trap mijn schoenen uit en leg daarna mijn nog koude hand op de klink van de kamerdeur. Natuurlijk zal hij kwaad zijn en verhaal komen halen. Hoe heb ik zo stom kunnen zijn!
"Wat sta je nu te treuzelen? Toe, ga naar binnen!"
Op de eettafel staat een doos, netjes ingepakt met kerstpapier. In de vaas prijkt een verse bos met bloemen. Wanneer ik de woonkamer binnentreed, staat meneer Van de Pol al op uit zijn stoel en reikt me vriendelijk zijn hand. Sprakeloos gaap ik hem aan, blijkbaar heeft hij er nog geen weet van. Mijn vrouw, die achter me in de deuropening staat, duwt haar hand voorzichtig in mijn rug en verbreekt de stilte door me te zeggen toch plaats te nemen.
"Zal ik nog eens bijschenken, meneer van de Pol?", vervolgd ze, waarna ze zonder op antwoord te wachten in de richting van de keuken loopt en me met de man alleen laat.
"U zult wel opkijken mij hier vanavond aan te treffen, meneer Krähmer?"
"Ja, eigenlijk wel", antwoord ik hem. Ik besluit me terughoudend op te stellen zolang mijn vrouw nog niet terug is en knik beleefd naar hem. Ik rek nog wat tijd door een lampje aan te knippen en ga vervolgens op een luie stoel in de hoek van de kamer zitten.
"Ik weet van de moeilijkheden op school en de rol die mijn zoon daarin gespeeld heeft", vervolgt hij.
"Ja," zeg ik, terwijl ik mijn hand in mijn broekzak schuif en op zoek ga naar een zakdoek, "dat is …"
"Sta me toe mijn verhaal even af te maken", onderbreekt hij me. "Vanavond was ik met mijn zoon in het ziekenhuis."
"Toch niets ernstigs?", informeert mijn vrouw terwijl ze de kopjes bijvult.
"Vier jaar geleden heeft men de ziekte van Waldenström vastgesteld. Dat is een bloedziekte waarbij kwaadaardige bloedcellen zich ophopen in het bloed", verduidelijkt hij. "Zijn bloed is dus niet goed, waardoor hij regelmatig een transfusie moet ondergaan. Zijn tegenvallende prestaties op school, en ook zijn gedrag, hebben hiermee te maken. Niet dat ik het goed wil praten, hij had natuurlijk nooit een mes mogen trekken. Nou ja, eigenlijk is trekken niet het juiste woord. Het mes was immers gesloten. Het was van zijn achterbuurman, die had het nieuw gekregen en net aan Ide afgegeven toen u …"
"Dat wist ik niet", stamel ik. "Ik dacht dat hij het mes wilde openzwaaien en op me in zou steken. Ik schrok en … Nou ja, het doet er niet zoveel meer toe. Nu zit ik al een aantal weken thuis te kijken, daar heeft uw vrouw natuurlijk wel een stem in gehad!", reageer ik gepikeerd. Meneer Van de Pol kijkt me met opgetrokken wenkbrauwen aan en zegt: "Maar beste man, toch. Mijn vrouw is wel lid van het bestuur, maar u moet weten dat zij er bij de anderen op heeft aangedrongen dit voorval niet tegen u te gebruiken. In tegendeel zelfs, ze heeft het nog voor u opgenomen. We begrijpen dat de reactie van onze zoon u erg moet hebben doen schrikken. Het zou niet voor het eerst zijn dat een leraar op school wordt aangevallen! Lesgeven is een bijzonder zwaar beroep, zeker aan deze leeftijdsgroep!'
Ik slik een klodder speeksel weg en draai mijn hoofd in de richting vanwaar mijn vrouw geduldig het gesprek gevolgd heeft.
"Nou," zegt ze, "wat heb ik je nu steeds gezegd! Ik kon het me al niet voorstellen."
"Daar kijk ik wel van op. Ik heb altijd gedacht dat uw vrouw een klacht tegen me had ingediend. U moet weten dat ik zijn klas maar een uur in de week lesgaf en hem verder alleen van gezicht ken. Ook van zijn ziekte wist ik niets."
"Ide heeft ook een broertje aan de ziekte verloren, het is erfelijk", vertelt hij met emotie in zijn stem. "Mijn oom had het ook."
Ik zoek naar woorden, maar vind er geen. De man ontwijkt mijn blik, alsof hij zich schaamt voor zijn vochtige ogen. Hij pakt zijn kopje en neemt een slok van zijn koffie. Ook mijn vrouw pakt haar kopje op, uit beleefdheid, zodat hij niet alleen drinkt. Het kopje tikt hard op het schoteltje wanneer hij het er weer op terugzet. Hoe meer ik de man leer kennen, hoe rotter ik me voel. Ik veracht mezelf om wat ik eerder deze avond heb kapotgemaakt. Zijn vrouw zit nu waarschijnlijk thuis op hem te wachten, geschrokken, in een koud huis en met een kind dat ziek is. Ze zal zich afvragen wie de ruit heeft ingegooid en waarom?
"Vanavond waren we dus in het ziekenhuis en zag ik uw naam staan." Zijn stem klinkt opgewekter nu hij de ware reden van zijn komst kan toelichten. "Ik had me als vrijwilliger aangemeld om de kerstpakketten te bezorgen. Het betreft een eenmalige actie van het ziekenhuis om alle donoren eens extra in het zonnetje te zetten. Daarom ben ik hier, vooral daarom!"
"Nou, dat waarderen wij heel erg", reageert mijn vrouw spontaan. "Mijn man is al jaren bloeddonor. Wat bijzonder dat we elkaar op deze manier zo tegenkomen, terwijl we al jaren bij u in de buurt wonen."
"Het is een naam van Duitse komaf, als ik het goed heb. De naam Krähmer kom je hier niet zoveel tegen."
"Inderdaad", antwoord ik. "Mijn vader heeft tijdens de oorlog verkering gekregen met een Nederlandse en is later in Nederland gaan wonen. We spraken thuis ook veel Duits, vandaar dat ik dat als hoofdvak heb gekozen."
"Toen ik uw naam op de lijst zag staan en dat aan mijn vrouw vertelde, stond ze erop dat ik vanavond nog bij u langs zou gaan. Zonder mensen zoals u zou de wereld er heel anders uitzien!"
Hij staat op en reikt me opnieuw zijn hand. Ik kan niet anders dan ook opstaan en hem aannemen. Terwijl ik omhoog kom, veeg ik mijn hand droog langs mijn bovenbeen en neem me voor mijn stommiteit aan hem op te biechten, maar ik stamel: "Het is niets. Ik …"
"Ook wij hebben een moeilijke tijd achter de rug, net als u", spreekt hij me vriendelijk toe. Hij kijkt me hierbij met een rustige blik in zijn ogen aan en verstevigt zijn handdruk nog even voordat hij mijn hand weer loslaat. "In het nieuwe jaar zal Ide voor langere tijd in het ziekenhuis moeten verblijven. Daarom is het beter dat ik het nu niet te laat maak! Ze zitten vast al op me te wachten", glimlacht hij.
"Ik zal u even voorgaan." Mijn vrouw begeleidt de man naar de voordeur en laat hem uit. Ik blijf alleen in de kamer achter. Ik heb spijt van mijn daad en zwijgen, en besef dat kerst voortaan niet meer hetzelfde zal zijn.









