Wachtwoord vergeten Registreren
Zoeken
uitgebreid zoeken

Upload

Literair werk uploaden

Reageren

Reageren en commentaar geven op dit literair werk? Favoriet maken of alle commentaren, reacties en wijzigingen automatisch volgen?

Log dan in.
Zien welk commentaar al gegeven is? Klik dan op 'Toon commentaarvlaggen'

Toon commentaarvlaggen

In goede handen

Kort verhaal
profielfoto
29 dec 2014
7 reacties
1194 keer gelezen
4.5
Toelichting van de auteur bij deze versie:
Met de mededeling dat mijn verhaal op de shortlist was geplaatst, kreeg ik van de redactie wat punten ter verbetering aangereikt. Daar ben ik dankbaar mee aan de slag gegaan. De redactie vond het in orde dat ik de uiteindelijke versie op de website plaats.

Copyrightkeuze:
Volledig copyright

Werk is leesbaar voor:
iedereen

Zomer 1963

Als ik overdag op de fabriek met mijn kar de versgebakken stenen naar de vrachtwagens breng, heb ik natuurlijk geen weet van wat Louise doet.

Op mijn brommer begint het fantaseren. Soms kom ik ’s avonds thuis en dan ligt er nog van alles. Vind ik haar met de benen stijf op de trap naar zolder en durft ze geen stap meer te verzetten. Of ze zit in de keuken op een stoel met de handen in haar schoot snikkend voor zich uit te staren. Dan heeft ze het weer. Is er die dag zo veel door haar hoofd gegaan dat ze niet meer wist waar ze moest beginnen. Is er bijna niets uit haar handen gekomen. Kan ik zelf de was ophangen. Kan ik zelf de aardappels schillen, groente snijden. Kan ik er zelf voor zorgen dat er iets te eten op tafel komt, voor haar en mij en de kinderen.

 

Ik tref haar aan in bed. Ze ligt daar al uren. Haar zussen hebben haar gezegd dat ze zich niet in bed moet verstoppen. Dat ze veel beter naar buiten kan gaan, een eind wandelen. Frisse lucht, dat is goed voor haar. Maar vanwege die kans op huilbuien durft ze niet naar buiten. Buiten kan ze iedereen tegenkomen.

‘Neem dan de zandpaden tussen de akkervelden,’ stel ik haar voor. ‘Daar kom je hoogstens een boer tegen.’

Verlaat ze op een zaterdagsmiddag het huis. Laat ze de boel de boel en loopt ze een beetje stijf, bijna marcherend – alsof het moet – naar die zandpaden toe. Zingt met een brok in de keel vrolijke liedjes. Naar de speeltuin en Ik sta op wacht. Haar hoofd en schouders komen nog net boven het koren uit.

Ik hoor haar niet meer. Daarvoor is ze te ver weg. Ik zie enkel nog een stukje van haar kapsel. En dan: opeens kan het gebeuren dat ze zich omdraait. Wil ze weer op huis aan. Ik doe mijn pet al op om haar tegemoet te gaan. Staat ze stil en draait ze zich wéér om. Marcheert ze verder het veld in. Langzaam verdwijnt haar hoofd achter het koren.

 

Voorjaar 1964

Dit kan zo echt niet langer. Dat vindt dokter Vlijt ook. Op een woensdagmiddag vat hij het voor haar samen. ‘Wat wij voor u op het oog hebben, is zoiets als een vakantiekolonie. U bent in al die jaren nog nooit op vakantie geweest?’

Ze snuit haar neus, zegt: ‘Ik ga wel eens naar mijn zussen, in Enschede. Samen met onze jongste.’

‘Familiebezoek is geen vakantie, mevrouw. Gaat u nu maar fijn komende maand naar dat tehuis en beschouw dat als een echte vakantie. U zult er heerlijk tot rust komen.’

Voor mij belooft hij voor de tijd dat zij van huis is een gezinsverzorgster.

 

Hij brengt ons in zijn Mercedes. Die ruikt naar leer en vooral naar lysol, maar zit ruim en comfortabel. De handen van dokter Vlijt hangen losjes aan het stuur. Achterin zit Louise. Handtasje op haar schoot, de vingers strak om de hengsels. Achterin, dat leek dokter Vlijt beter. Krijgt ze misschien niet meteen alles mee. Ik dus wel.

We naderen het terrein. Ik denk nog: rij door, rij door! Maar dokter Vlijt heeft de richtingwijzer al aangezet. Irritante tiktakgeluiden. Hij remt af en stopt. Voor ons draait een vrachtwagen vol bakstenen de weg op. Als die achter ons is verdwenen en een paar tegenliggers zijn gepasseerd, geeft dokter Vlijt gas en draait hij het stuur naar links.

We komen langs het bord, waarop het allemaal in duidelijke letters te lezen valt.

Louise begint te hijgen. Ze zegt één, twee, drie keer: ‘Ik ben niet gek. Ik ben niet gek.’ Telkens een toontje hoger.

Dokter Vlijt schraapt zijn keel. ‘Ik vind het erg spijtig voor u, mevrouw. Maar het tehuis dat wij voor u op het oog hadden, dat zijn ze nog aan het bouwen.’

Louise is stil.

Grint knerpt onder de wielen en dan niet meer. Ik ga de auto uit, open haar deur. Vraag haar om uit te stappen. Wanneer dokter Vlijt dreigt er hulp bij te halen, accepteert ze na een minuut van voor zich uit staren eindelijk mijn hand.

 

Herfst 1964

Ik dacht dat dokter Vlijt het beste met haar voor had. Ja, ik wist waar zij naartoe zou worden gebracht. Maar toch niet met de bedoeling om haar aan het werk te zetten? Borden wassen met de andere lichtere patiënten. Eén ding is zeker: Louise heeft bij mij thuis nog nooit borden tegen de muur of op de vloer aan diggelen gesmeten.

‘Ze likken er hun eigen menstruatiebloed op. Ik wil naar huis, terug naar mijn man en kinderen.’ Dat zegt ze. Tegen mij. Terwijl ik gewoon naast haar zit, in de bezoekersruimte. Het ruikt hier naar boenwas. Om ons heen zit een hele trits andere vrouwen. Zou toch echt niet denken dat die hun eigen menstruatiebloed oplikken of dat ze borden aan diggelen gooien. Zegt Louise die dingen alleen maar om hier zo snel mogelijk weer vandaan te komen?

 

‘Zes weken, hooguit vier maanden,’ had dokter Vlijt gezegd. ‘Gun haar die tijd. Geef haar die kans. Ze is daar in goede handen.’

Maar bij elk bezoek is ze weer een stuk verder achteruit gegaan. In het begin kon ik er nog met haar over praten. Na acht weken kwam er alleen nog een ‘Ik wil hier weg’ van haar lippen. En nu zegt ze helemaal niks meer.

Ik vraag haar of ze een eindje met me wil wandelen, in het park achter de gebouwen. Ik neem haar mantel en moet zelf haar handen in de mouwen schuiven. Overeind komen kan ze ook al bijna niet. Een stuk leem is ze geworden. Een stuk leem met starende ogen.

 

De artsen die haar behandelen zeggen dat ze medicijnen krijgt. Dat het daar aan ligt dat ze zich zo gedraagt. Het is een onderdeel van het genezingsproces. Ze begrijpen dat ik mij ongerust maak. Dat doen bijna alle familieleden van de patiënten hier. Maar net als die andere familieleden, moet ik geduld hebben. En vertrouwen. ‘Geef haar vertrouwen,’ dragen ze mij op. ‘Laat alstublieft nooit merken dat u twijfels hebt. Door haar vertrouwen te geven, zal zij des te eerder weer de oude zijn.’

Mooie opdracht.

 

Winter 1964

Uiteindelijk hebben haar zussen haar er vandaan gehaald. Ze zijn boos op mij. Woedend. Wat kan ik zeggen? Ter verdediging, keer op keer? Ik dacht dat ze er in goede handen was.

In ieder geval heeft ze nu medicijnen die haar wat evenwichtiger zullen maken.

‘Geen verwarring meer,’ zegt dokter Vlijt. ‘Die tabletten scheppen ruimte in haar hoofd. Langzamerhand zal ze ontdekken dat ze haar werkzaamheden netjes en ordelijk kan plannen en ten uitvoer brengen. Met drie ochtenden in de week hulp van een gezinsverzorgster moet het lukken.’

 

Voorjaar 1965

Die tabletten. Een combinatie van drie. Eén om rustig van te worden. Daar wordt ze slaperig van. De tweede tablet moet dit voorkomen. Maar daar wordt ze stijf van. Dus is er nog een derde tablet. Drie verschillende tabletten, vier keer per dag. Maar dokter Vlijt heeft gelijk gekregen. Ze kan er een groot deel van haar huishouden op doen.

 

Herfst 1965

De eerste bladeren beginnen te vallen. Als ik op mijn brommer van mijn werk kom, zie ik haar stram tussen de akkervelden marcheren. Voor iedereen zichtbaar, want er steekt alleen nog wat dood aardappelloof uit de grond. Zal ik gas geven en mijn huis voorbij rijden?

 

Ze zingt Ik sta op wacht met een brok in de keel en gaat de trap op naar zolder. Komt tien treden ver. Ze durft geen stap meer te verzetten. Is de angst weer in haar kuiten geschoten. Ik moet haar bij de enkels vasthouden en haar vertellen hoe ze voetje voor voetje de treden af kan dalen. Als ze met beide benen in de gang staat, zegt ze hoe het zo gekomen is. ‘En al dat zingen maakt mij bekaf.’

 

Alweer een dik uur is ze in bed aan het snikken. In de woonkamer klinkt het als een koerende duif.

Daar ligt ze. Onder de dekens. Met de gehaakte beddensprei er nog overheen. Ze houdt niet op, ze heeft niet eens in de gaten dat ik er ben.

Ik til de dekens aan mijn kant op en met kleren en schoenen nog aan kruip ik naast haar. Vlij mij tegen haar rug aan en leg mijn hand om haar schouder. Haar klamme schouder. Ze is stil. Twee, drie seconden. En in die seconden, in die twee, drie seconden, beginnen de tranen over mijn wangen te glijden. Was ik maar doorgereden, vanmiddag. Om nooit meer terug te keren.

Reacties

26-02-2015 21:30
‘Zal ik gas geven en mijn huis voorbij rijden?’ Een veelzeggend citaat uit een schrijnend verhaal dat de realiteit raakt.

Dit verhaal behaalde een welverdiende plaats op de shortlist.

Volg voor meer citaten uit de bundel 'Zin en waanzin' @literairwerk op Twitter.
01-02-2015 20:51
Een prachtig verhaal en ook bijna letterlijk de opdracht zin of waanzin! Mooi geschreven in een bijna ouderwetse stijl. Verdiende plaats op de shortlist.
31-01-2015 14:33
Dank je wel, Espunt.
Ik heb een nieuwe versie geplaatst. Ik denk dat het verhaal er stukken op vooruit is gegaan. Maar dat kunt u en al de andere lezers beter beoordelen dan ik. Over het algemeen staat een schrijver te dicht met zijn neus op de tekst, vooral al die nog behoorlijk fris is; de tekst bedoel ik, niet de neus .
30-01-2015 00:01
Proficiat. Zeer verdiende shortlist!
01-01-2015 21:16
Dank voor jullie commentaar, Kenneth en Gerard. Gerard, ik heb de eerste zin aangepast. Die liep inderdaad niet.
30-12-2014 20:36
Mooie 'One-flew-over-the-cuckoos-nest'-achtige sfeer die wordt neergezet. Beklemmend en boeiend tegelijkertijd!
29-12-2014 16:51
Het lijkt mij zonder meer ontleend aan de werkelijkheid van de jaren zestig van de vorige eeuw. De psychiatrie zal wel nooit de kinderschoenen ontgroeien.
Deze site wordt mede mogelijk gemaakt door
Volg ons via