Je spiegelbeeld breekt in de lijnen van het water.
Ze maken de rimpels voor jou, voor later.
Je lacht, vraag hoe ik die onzin heb bedacht.
Nu breekt ook je mond in twee of drie. Lijnen.
De rimpels komen net zo snel als ze verdwijnen, zeg ik.
Maar je gelooft me niet, en het water trekt strak.
Eén mooi glanzend oppervlak, weerspiegelt ons gelaat
De contouren van je gekreukelde gewaad.
Je strijkt het glad en kijkt. Misschien heb je wel gelijk.
Iedere rimpel die onstaat uit het niet, kent je verhaal.
Dat doet spoedig dat je hem nooit meer ziet.
De zon maakt zijn entree, droogt het water en haar lijnen
Iedere rimpel die nog zal verschijnen
Ik kijk naar jou, naar je zachte gezicht
En glimlach, want zo in het felle licht
Weet ik weer hoe mooi je bent. Weet je, zeg ik
Dat ik later al je rimpels ken, maar ze nooit zou kunnen duiden?
Hoezo niet? vraag je, en ik antwoord:
Jij hebt een gezicht op het zuiden.







