Innig knielt de kring van kaarslicht,
kampioenen nette mensen tot last,
stammen via stropdas en overhemd
af van eeuwen. Bijna eendere uilen
schieten uit bomen eer hun kuikens
naar ouderen kunnen luisteren
en verzwijgen de zegen van weglaten.
Romp! Een bijna vierkante klomp
waarin het hart van de vlo klopt
tijdens de boog van zijn sprong
naar alles overstijgend wijs beleid.
Teilen vol stijfsel mogen verharden
tot weerbarstig hechte korsten,
de tang mag wijdbeens klaar staan
om roest en kabel door te knippen,
dit inbraakalarm deurkruk zwijgt,
trilt en helt op dunne ledematen.
Wie in dit pand de tafel krijgt
wil de prullenmand niet vrijgeven,
bij deze steen tussen de ramen
beschouwt de eerste verdieping
inwoners van zolder en kelder thuis
terwijl ruggengraat in opzien kromt
nek, knie en schouder verstijven
en de gevel naar voren komt
in diep verlangen naar begane grond.







