Wachtwoord vergeten Registreren
Zoeken
uitgebreid zoeken

Upload

Literair werk uploaden

Reageren

Reageren en commentaar geven op dit literair werk? Favoriet maken of alle commentaren, reacties en wijzigingen automatisch volgen?

Log dan in.
Zien welk commentaar al gegeven is? Klik dan op 'Toon commentaarvlaggen'

Toon commentaarvlaggen

De vouwhang van Wil Gestel

Kort verhaal
profielfoto
08 sep 2017
3 reacties
199 keer gelezen
0
Copyrightkeuze:
Volledig copyright

Werk is leesbaar voor:
iedereen

Mijn dorpsgenoten denken bij afgelopen zomer aan de moord op Julia. Op klaarlichte dag was ze van haar fiets getrokken en, naar schatting, een kleine week later aan de rand van het bos teruggevonden. Julia werd geprezen om haar moed. Ze was namelijk met wijdopen ogen aangetroffen, wat volgens velen hier betekende dat ze haar martelaar tot het bittere eind aan had gekeken. De lokale kranten weeklaagden dagenlang om de mogelijke dader. Wie kon er in godsnaam zo laf en kwaadaardig zijn? En zo laks, dacht ik daar altijd bij, anders was je wel dieper het bos ingelopen. 

Ondanks alles wat er is gebeurd, gaan mijn gedachten aan de zomer als eerste uit naar Wil Gestel. Wil Gestel, die turnringen in zijn woonkamer had hangen en aan de kinderen in de buurt vroeg of ze bij hem kwamen spelen. 

Zijn naam viel voor het eerst toen ik Eloi’s haren knipte in de bijkeuken. Eloi en ik spraken elkaar bijna nooit meer. In het stilgevallen huis leefden we als vreemden langs elkaar heen. De enige uitzondering daarop was zijn maandelijkse knipbeurt. Tijdens het knippen hadden we nog wel eens een gesprek dat zowaar langer duurde dan een halve minuut. Eloi zat zoals altijd voor me op een stoel, een blauwe kappersmantel om zijn hals geknoopt. 

‘Ik ben bij Wil Gestel geweest,’ zei hij op een verontschuldigende toon. Ik verbaasde me over zijn opening. Meestal was ik degene die een gesprek aan probeerde te gaan. 

‘Wil Gestel…’ herhaalde ik. Ik hield mijn schaar stil en keek op naar de foto’s, die met behulp van fruit-magneetjes op de koelkast hingen. De bovenste foto was van Sab, haar mooiste, genomen op het gitzwarte strand van Jökulsárlón. Daaronder pronkten twee portretfoto’s van Eloi. Ik vroeg me af waarom er geen foto hing waar we met zijn drieën opstonden. Die moesten er toch wel ergens zijn? Ik nam mezelf voor om er de volgende dag één op te zoeken.  

‘Wil heeft turnringen in zijn woonkamer,’ ging Eloi verder. ‘En een gymmat, zodat je je niet bezeert.’ 

De pluk haar die ik boven zijn oor wegknipte gleed traag richting zijn buik. Met een korte tik onder de deken wipte Eloi het haar op de grond. Mijn hand sloot rond zijn kruin. 

‘Stil blijven zitten nu, beertje.’ 

Beertje. Zo noemden we Eloi als kleuter, omdat hij toen vaak een bruin, wollig truitje droeg. Ik weet niet waarom ik die koosnaam weer gebruikte. Misschien wilde ik hem zo wakker schudden, zoals je mensen in coma kunt laten ontwaken door ze kleding met een vertrouwde geur voor te houden. 

‘Wil heeft me de vouwhang geleerd.’

‘Zo eentje waarbij je helemaal omkiepert?’

‘Hm-hm.’

Eloi’s hoofd wiebelde onrustig heen en weer. Ik liet zijn woorden tot me doordringen en probeerde de noodzaak eruit te filteren. Ik was nooit goed geweest om Eloi te doorgronden, maar nu voelde ik dat er iets speelde. Kop erbij houden.

‘Zeg…’ 

‘Ja?’

‘Hoe oud is die Wil?’

‘Zoiets als jij.’ Eloi hield zijn hoofd schuin en blies de haartjes van zijn wang. ‘Klaar?’

Met mijn vlakke hand veegde ik zijn nek schoon, waarna ik de mantel losknoopte. Eloi haalde stoffer en blik uit het keukenkastje en veegde met geduldige streken zijn haren tussen het laminaat vandaan. Ik had het deze keer bewust wat langer gelaten. 

 

Eloi verzonk weer enkele dagen in een onwrikbaar zwijgen. Het was op een zaterdag - dezelfde dag dat ruim zeventig vrijwilligers het bos uitkamden op zoek naar Julia -  dat Wil Gestel weer ter sprake kwam.

Ik zat buiten een boek te lezen toen Eloi via de poortdeur binnenkwam. Hij speurde de tuin af en kantelde verlegen (teleurgesteld?) zijn hoofd toen hij me zag zitten. Stilletjes liep hij langs me heen. 

‘Ook goedenavond,’ zei ik. ‘Zo laat nog op pad?’

Eloi bleef staan.

‘Wat is dat?’ Hij wees naar het felgele kaarsje dat naast op op tafel stond. 

‘Dit hier? Een kaars. En dit - ik wees naar de plastieken poten onder me - is een stoel. Stóél.’

Klojo, dacht ik. Domme, domme klojo. Nooit tornen aan de intelligentie van je zoon, al helemaal niet als het verpakt is in flauwe humor. Eloi schudde zijn hoofd, gelukkig niet vermurwt door de slappe bak van een hopeloze, ouwe lolbroek. 

‘Deze ruikt raar,’ reageerde hij kalm, de lucht insnuivend. ‘Naar citroen en azijn.’

Ik legde mijn rechterhand om het opgewarmde glas en voelde een heimwee naar de tijd dat Eloi een paar jaar oud was. In die tijd vroeg hij mij en Sab iedere dag de oren van het hoofd. Wat is dit? Waarvoor is dat? Kan je dat eten? Een bevriend stel met kinderen klaagde wel eens dat die continue vragenstroom ze horendol maakte, maar Sab en Ik konden er geen genoeg van krijgen. We waren juist vereerd dat die kleine, lieve dreumes ons alle wereldkennis toedichtte. Van vensterbanken tot afwasmiddel; wij waren zijn onuitputtelijke bron van wijsheid.  

‘Die lucht jaagt de muggen weg,’ zei ik.

‘Een soort afschrikmiddel?’

‘Zoiets.’

Eloi bewoog zijn hoofd naar achter, waardoor zijn handen in het licht kwamen. Eloi zag het en wilde zijn handen terugtrekken, maar hij was te laat. 

‘Terug,’ beval ik.

Gehoorzaam strekte Eloi zijn armen weer uit, waardoor ik de rossige schaafwonden op zijn handpalmen beter kon zien. Eloi was mijn vraag voor.

‘Door de ringen,’ zei hij zacht. 

‘Welke ringen?’

Eloi ademde een keer diep uit via zijn neus.

‘De turnringen. Maar Wil gaat van dat witte poeder kopen.’

Wil. Weer die naam. Waarom wilde die ouwe gek zonodig met mijn zoon spelen? Het voelde totaal niet goed. Ik werd misselijk bij de gedachte dat hij Eloi iets aan zou doen. Eloi schoof afwachtend met zijn voet over de grond. Er dwarrelde een zacht, geel licht over zijn gezicht en schouders, wat hem een engelachtige uitstraling gaf. Ik slikte mijn reprimande in. Eloi was eerlijk tegen me, dat mocht ik niet bestraffen met een uitval. In plaats daarvan nam ik de rol aan die ik in zijn bijzin het liefst vervulde. De kennis overdragende vader, bron van wijsheid, tot uw dienst. 

‘Magnesium.’ 

Eloi keek me vragend aan.

‘Zo heet dat spul,’ zei ik.

Na een vlugge knik liep Eloi de tuin door.

‘Eloi?’

Hij bleef staan met zijn smalle, donkere rug naar me toe.

‘Pas je een beetje op bij die Wil?’

‘Is goed, ja.’

Met de toppen van zijn tenen duwde hij tegen de hordeur, die als een salut opendraaide en achter hem in de deuropening vast klikte. 

Later die avond - het licht op Eloi’s kamer brandde nog - hoorde ik de buurvrouw aan de andere kant van de schutting met iemand bellen. Met gedempte stem vertelde ze dat ’t moiskes lijfke even na achten was gevonden, aan de rand van het bos. Ocharme, snikte ze, het lieve meisjeskind. Ocharme, ocharme. 

Via een online telefoonboek had ik Wil Gestel’s adres achterhaald. Hij woonde een paar blokken bij ons vandaan, op de Regulierenlaan 1. Ik dronk mezelf moed in en beende erheen.  

Tien minuten later tuurde ik naar zijn hagelwitte rijtjeshuis. Op het dak blonken de dakpannen in het zacht-witte maanlicht. Door de stof van de gordijnen bewoog een schokkerig silhouet heen en weer. Misschien kwam het door de jenever, of door de verse schaafwonden op Eloi’s handen, maar hoe langer ik stond te kijken, hoe zekerder ik werd dat die ondefinieerbare schim achter het raam iemand met hele slechte bedoelingen was. 

Ik ramde met mijn vuist op de deur. En nog een keer. Al snel naderden er voetstappen, waarna een lange man traag de deur opendeed.

‘Goedenavond,’ zei hij, niet onaardig. 

Het eerste wat me opviel was zijn haar, dat in een vettige, scheve scheiding op zijn hoofd zat geplakt. Daaronder twee fonkelende ogen, zonder de vermoeide lethargie die je mag verwachten als iemand op dit tijdstip bij je aanbelt. Ingevallen wangen. Donkere, lage wenkbrauwen. Ik voelde me opgefokt, door de spanning, door de drank.

‘Ben jij Wil Gestel?’

De man knikte stevig. Ik stapte met opgeheven kin naar voren. 

‘En weet je ook wie ik ben?’ siste ik. 

Wil’s ogen verstrakten. Hij ging kaarsrecht staan en staarde met een gespannen blik langs me heen. Als een soldaat tegenover zijn sergeant. 

‘Weet je wie ik ben? Ikkk ben de énige man met wie Eloi hoort te spelen! Hoor je me?!’

‘V-vanzelfsprekend, meneer,’ stamelde hij. Ik snoof een paar keer diep in en uit. Liet mijn mondhoeken theatraal zakken. Het deed me goed dat hij zo angstig reageerde. Mijn bezoek maakte duidelijk indruk. Iets rustiger nu, dacht ik, geef hem de tijd om te herstellen van deze eerste stoot.

‘Waarom komt hij hier?’ 

Wil gaf geen antwoord, hij leek compleet overrompeld, alsof hij elk moment in huilen uit kon barsten. Ik beet op mijn wang en keek naar zijn opvallend smalle borstkas en knokige schouders. Uit zijn kin staken lange, donkere haren. Wie was deze bange man? Wat had hij zich in godsnaam in zijn hoofd gehaald? De woede borrelde weer op.

‘Wat moet je van hem? Houd je soms van kinderen… viespeuk?’

Opeens veranderde er iets in de man zijn blik.  

‘U-u kunt beter naar h-huis gaan,’ zei hij ernstig. ’Meneer bent heel moe, zie.’ Wil Gestel priemde zijn vinger tot net onder mijn oog. Ik deinde achteruit. ’Blauwzwart,’ vervolgde hij hoofdschuddend. ‘Heel moe, meneertje.’ 

Hij praatte alsof hij debiel was. Hield hij me nou voor de gek? In de verte klonken de uitgerekte tonen van een brandweersirene. Wil leek even afgeleid, maar toen herpakte hij zich weer. In zijn gladgestreken gezicht begonnen zijn neusvleugels langzaam te wiegen, waarna ook zijn trillende mondhoeken uit de plooi raakten. Hapjes lucht ontsnapten tussen zijn lippen door. Het duurde even voordat ik doorhad wat er gebeurde. Die gore klootzak stond me gewoon uit te lachen, recht in mijn gezicht! Ontsteld keek ik toe hoe Wil zijn tanden ontblootte en daarna met een hand zijn grijns bedekte. Mijn hele overwicht was in één klap weg. Onhandig lachte ik naar hem terug, wat me ongetwijfeld een nog grotere stakker maakte. Ik had me maar één mogelijk scenario ingeprent, eentje waarin ik hém zou overrompelen. Op al het andere was ik niet voorbereid. 

‘Je bent… niet… Hij komt hier niet meer, begrepen?’ hakkelde ik, maar het klonk krachteloos, een stomp onder water.

‘Ai-ai, seur!’ Wil salueerde met zijn hand tegen zijn voorhoofd. Hij had doorzien dat hij van mij niets te duchten had. In mijn hele leven had ik nog nooit één klap uitgedeeld, geen duw, geen stomp, niks. Ik deed twee passen achteruit en liep zijn tuinpad af, mijn hoofd verstopt in de kraag van mijn jas, wegsnellend voor de hoon van Wil, die inmiddels in een kinderlijke proestlach was uitgebarsten. 

Bij thuiskomst schoof ik een samengevouwen briefje onder Eloi’s slaapkamerdeur door. “Geen Wil Gestel meer!” stond er op het pamflet. 

 

Er ging een week voorbij. Ik probeerde Eloi iedere dag te verleiden tot iets leuks dat we samen konden doen. Vissen, voetballen op het pleintje, naar een uitvoering van de musical Hair (godbetert) door de plaatselijke toneelvereniging. Maar Eloi wimpelde ieder voorstel af met twee simpele woorden, die samen een ondoordringbare veste vormden: ‘Geen zin.’

Het enige opzienbarende wat er die week gebeurde was de dag waarop Julia met veel provinciaal machtsvertoon werd begraven. Na een stille tocht door de dorpsstraat loste het 12-koppige korps een eerbiedig geweerschot richting hemel, de plek waar kleine Julia zich inmiddels moest bevinden. Onze burgervader sprak het volk en de toegestroomde pers met een verheven vinger toe. De dader, zo riep hij, zou worden opgejaagd als aangeschoten wild en ruimschoots boeten voor de verschrikkelijke daad die hij had begaan. Het tot dan toe zwijgzame publiek was in juichen uitgebarsten. Dat hoorde ik tenminste van de buurvrouw, want zelf was ik er niet bij. 

Een dag later bleek een anonieme bron zich te hebben gemeld bij de lokale krant. Op de voorpagina stond een schets van een blanke man, die ogenschijnlijk door een blinde stagiaire was getekend. Volgens de bron zou deze man op de dag van de verdwijning verdacht gedrag hebben vertoond in de buurt van het bos. Ik bekeek de man op de tekening en hoopte voor hem dat hij geen prooi was geworden van de hetze die momenteel gaande was. Je merkte het aan hoe er in het dorp werd gepraat. De zucht naar een veroordeelde dader was inmiddels zo groot geworden dat de integriteit er nog wel eens bij in zou kunnen schieten. Sta je dan, met een schaduwloos gezicht en een neus als een liniaal op de voorpagina van de Bossemer Courant. “IS DIT DE DADER?” voor altijd met ARIAL BLACK op je voorhoofd gedrukt. 

De deur ging open, Eloi stapte met hangende schouders de kamer binnen. Ik ging meteen rechtop zitten. Hij zag er weer zo ontzettend moe uit. Wat ging er toch allemaal in die jongen om. Kon ik hem maar door elkaar schudden. Wat is er nou, beertje. Mijn allerliefste, zég het me dan gewoon.

Toen hij naar me opkeek, zag ik het antwoord doorschemeren in zijn ogen. 

‘Kom je van die Wil?’

‘Ja’, zei hij, en nog voordat hij iets kon zeggen smeet ik een kussen tegen de muur, dat na een kanteling op het tv-meubel geluidloos op de grond plofte. Ik schrok er zelf van, zo’n uitbarsting had ik nog nooit bij hem gehad. Maar ik wist waardoor het kwam. Het voelde alsof Wil een voorkeurspositie had verworven bij míj, zijn bloedeigen vader. Eloi leek niet onder de indruk. Hij boog kalm zijn hoofd, een triomfantelijke lach rond zijn lippen. Ik wist wat hij dacht. Niet het kussen, maar ík lag daar, slap en plooibaar aan zijn voeten. De woedeuitbarsting degradeerde me tot een wanhopige, oude man. 

‘Die Wil is niet normaal,’ smeekte ik. ‘Je hoort hier, bij mij. Je bent kwetsbaar daar.’

Eloi richtte zijn hoofd weer op en knikte met een lome gehoorzaamheid in zijn ogen. 

‘Kwetsbaar, ja,’ herhaalde hij binnensmonds. 

 

Het was bijna half zes toen ik mezelf een glas jenever inschonk en, weer gekalmeerd, naar de geluiden in het huis luisterde. Het zoemen van de vaatwasser, de wandklok aan de muur, een tijdschrift waaierend op de tocht. Boven op Eloi’s kamer bleef het doodstil. Het was een misleidende stilte. Ik wíst namelijk dat hij daar uren naar muziek luisterde op zijn koptelefoon, dat hij nog schreef, hele schriften vol, dat hij maalde over van alles waar hij tegen mij nooit over sprak. Eloi’s kamer had een gedaantewisseling ondergaan. Het vrolijke jeugdhonk was vervormd tot een toevluchtsoord voor pijn en herinneringen. Ik zette het glas aan mijn mond en voelde de rand zachtjes tikken tussen mijn voortanden. Was Sab hier nog maar, dan was dit nooit gebeurd. Ik richtte mijn ogen tot de hemel, maar mijn wanhopige blik voelde aan als slapstick. Hoofdschuddend liep ik naar de koelkast om meer jenever te pakken. 

Pas drie glazen later, de fles halfleeg, de Courant gehalveerd voor me op tafel, begon het me te dagen. Alsof het een slechte actiefilm betrof, waarin het vanzelfsprekende plot al urenlang als een vette worst voor je gezicht bungelt. De neus moest wat kleiner. De ogen iets groter. Het kapsel anders - compleet anders, dat wel. Kon het hem zijn? Of wilde ik alleen dat hij het was?

 

Wil leek oprecht blij me te zien.

’Nou zeg!’ sprak hij met een opvallend bekakte tongval. ’Bent u daar weer? ’ 

Ik probeerde zijn gezicht te vormen tot de man die in de Courant was geschetst. Eerlijk gezegd kon ik me de tekening niet meer goed voor de geest halen. Stom van me dat ik dat ding niet mee had genomen. Ik wilde een stap naar voren doen, maar wankelde op mijn benen. Ik greep de deurpost vast en trok mezelf weer omhoog. Wil aanschouwde het gelaten. Er was iets aan hem dat me koude rillingen gaf. Misschien waren het die donkere ogen, onrustig en gecontroleerd tegelijk. Er dreef een kruidige geur naar buiten. Ik richtte mijn neus op, alert als een roofdier. Wil zag het. 

‘Zeebaars uit de oven,’ zei hij, zich haastend opendraaiend. ‘Komt u toch verder. Ik heb genoeg.’

Wil strekte uitnodigend zijn arm richting zijn woonkamer. Ik trok mijn ogen samen. Wat was die gek van plan. Mijn hoofd tolde. Misschien was dit de enige manier om te achterhalen welke tiran hij daadwerkelijk was. Een bel lucht wurmde zich door mijn keel naar boven en implodeerde onder mijn gehemelte. Ik blies de boer uit via mijn mondhoek. Daarna stapte ik langs Wil zijn huis in.

 

Wil had een mooi, opgeruimd huis, dat moest ik hem nageven. Aan de lange zijde pronkte een enorme boekenkast waarin alle kaften op kleur waren gezet. Daarvoor een glazen tafel, getooid met een prachtig bloemstuk, waaraan vier donkerblauwe eetstoelen stonden. En achter die tafel, als een bizarre fata morgana, hingen twee touwen aan het plafond waaraan houten ringen zaten, boven een donkerblauwe mat van een halve meter dik.

‘Neem plaats.’ 

Wil pakte twee ovenwanten van tafel en liep naar de keuken. De alcohol legde een roes over mijn gedachtes. Gebeurde dit echt? Het voelde als een lucide werkelijkheid, waarin ik volgzaam de absurditeit tot me moest nemen. Ik besloot om Wil zijn spel mee te spelen. Dit kon hij nooit lang meer volhouden. Wil kwam trots de de kamer ingelopen met in zijn handen een grote schaal waarop een dampende, goudbruine vis lag. De ruimte vulde zich automatisch met een sterke, ziltige geur. Wil zag me kijken.

‘Laurier,’ zei hij. 

Ik knikte traag. ‘Dat wordt smullen.’

 

Zwijgzaam aten we onze borden leeg. De vis was taai, maar smaakvol. Vanuit mijn ooghoeken bleef ik Wil in de gaten houden. Meer en meer raakte ik ervan overtuigd dat hij de man op de tekening voor moest stellen. Misschien had hij Julia helemaal niet van haar fiets getrokken. Misschien had hij haar eerst zijn huis ingelokt, op eenzelfde manier zoals hij dat bij Eloi moet hebben gedaan. Ik nam een hap en zag nog net hoe Wil snel zijn ogen neersloeg, alsof hij me al even aan het bespieden was. Toen was ik er zeker. van Hij wíst dat ik het wist. Daarom had hij me meegelokt tot diep in zijn hol. Langzaam verschoof mijn hand over het damast, naar het mes waarmee Wil de vis had aangesneden.

‘Ellebogen!’ Wil maakte een misprijzende knik met zijn hoofd. ’Zo bent u toch niet opgevoed?’

Als door een insect gebeten trok ik mijn hand terug. Ik moest zijn aanvalsplan zien te doorgronden. Het was een act, maar mij hield hij niet voor de gek. 

‘Eloi zei dat hij verdrietig is.’

‘Verdrietig?’

Wil sperde zijn mond open en pulkte met zijn duim en wijsvinger een graatje tussen zijn kiezen vandaan, die hij heel precies op de rand van zijn bord legde. ‘Toch nog een enkele graat,’ zei hij teleurgesteld.

‘Praat hij met je?’

‘We spelen.’

‘Jullie spelen.’

‘En ondertussen praten we. Vooral Eloi.’

Wil begon vertederd te lachen, wat me totaal niet aanstond. 

‘Waarover.’

‘Wilt u ook spelletje doen?’

Waaróver, riep ik met overslaande stem.

‘Tututut.’ Wil deed alsof hij tegen een kleuter sprak. ‘Over van alles. Maar vooral over zijn mama. Die vliegt hóóóg tussen de sterren.’

Mijn hart kromp ineen. Het was precies waar ik bang voor was. De gesprekken die ik met Eloi hoorde te voeren, die ik met hem wílde voeren, bewaarde hij voor deze plek, voor een man die zijn woonkamer had ingericht als een gymzaal en praatte alsof hij vijf was. Wil liet zijn bestek op het tafelblad vallen. 

‘En nu gaan we spelen.’

Terwijl Wil de borden naar de keuken bracht, liet ik het mes in mijn broekzak glijden. 

‘Wat stel je voor?’ vroeg ik. 

Wil keek me even aan alsof hij iets uit zijn hol perste. ‘Verstoppertje’, zei hij toen.

 

Met zijn armen voor zijn gezicht stond Wil met harde stem van dertig tot nul af te tellen. Bevangen door de spanning rende ik zijn huis door, tot ik een goede plek had gevonden. Ik trok mijn knieën op en legde het mes tussen mijn voeten. Zou Eloi hier ook hebben gezeten tijdens verstoppertje? Ik had wel eens gelezen dat orka’s, de meest rücksichtslose jagers van de zee, vaak met hun prooi spelen voordat ze het beest verslinden. Minutenlang gooien ze het beest heen en weer, tot er opeens een knop omgaat en de bloeddorstige aard de boventoon krijgt, waarna hun vlijmscherpe tanden de aalgladde huid van de pinguïn woest doorboren. Is dat wat Wil met Eloi aan het doen was, een ogenschijnlijk onschuldig spel dat acuut doorbroken kon worden? Mijn hartslag ging omhoog terwijl ik de vernauwende ruimte in me opnam.  Wat was ik ook een idioot. Dit is precies waar Wil me hebben wilde. 

‘IK KOM!’ klonk het gedempt.

Minutenlang hoorde ik Wil rommelen door het huis. Het was een kwestie van tijd voor hij me hier aantrof, met niets meer dan een mes om me mee te beschermen. Maar waar kwam Wil straks mee aanzetten. Wat had hij daar in die halve minuut allemaal bekokstoofd. Ik probeerde in te schatten hoe groot de ruimte was, maar ik zag geen hand voor ogen. Sab was altijd bang in het donker geweest. Ze was voor zoveel dingen bang. Onweer. Huilende katten. Hoge kathedralen.Over de dood had ik haar nooit gehoord. Natuurlijk wist ik dat Eloi en ik het na haar ongeluk moeilijk zouden krijgen. Maar ik had gehoopt dat Eloi en ik elkaar zouden vinden, temidden van ons verdriet. Ik had gehoopt dat we zouden samensmelten, als vader en zoon - een onbreekbaar lavagesteente. Maar de werkelijkheid was anders. Na Sab’s dood was er níets van ons overgebleven. We waren gruis, verpulvert door dezelfde hand die Sab zo wild van ons had weggerukt. God, wat hield ik veel van haar. 

Ik hoorde dat Wil de kamer was binnengelopen. Ik schrok op en pakte het mes stevig vast, maar nog voordat ik goed en wel in een aanvalsmodus kon gaan zitten, werd het luik al wild door hem opengetrokken. In de opening verscheen Wil, die me met grote, energieke ogen aankeek.

‘Hier zit u!’ riep Wil, en weg was-ie. Met doffe dreunen stormde hij de trap af. En terwijl Wil een verdieping onder me joelde van vreugde, veegde ik de tranen van mijn neus af. Want hier zat ik inderdaad, verstopt op de zolder van Wil Gestel.

 

Toen ik beneden kwam, hing Wil zacht deinend in de vouwhang. Ik schraapte mijn keel. 

‘Wil?’ vroeg ik zacht. ‘Heeft Eloi ook iets over mij gezegd, Wil?’ 

Wil keek me ondersteboven aan en begon te grijnzen.

‘Wil…?’

‘Buut-,’ onderbrak hij. ‘U bent af, meneertje.’

De balken aan het plafond kraakten onder zijn gewicht. Opeens begon het met te dagen, terwijl ik Wil daar als een gekantelde P in de ringen zag hangen. Wil was geen viespeuk en Wil was ook geen moordenaar. Hij was een jongen in een mannenlichaam. En met die speelsheid vulde hij nu voor Eloi alle gaten op die ik had laten vallen. Wil was voor hem wat ik niet meer op kon brengen. Hij speelde met hem, hij praatte met hem, híj was de vader, niet ik. Ik was niets meer dan het gezag en de bloedband. Wil was al het andere. Hoe kon ik al die tijd zo apathisch zijn geweest.

Met bonkende slapen liep ik richting de voordeur.

‘Met de kin op de borst.’ Ik draaide me om en zag aan zijn knalrode kop dat Wil het zwaar kreeg. Die arme dibbes. Zijn armen trilden helemaal. 

‘Kíjk,’ pufte hij. 

 

Op straat was niemand te bekennen. De stilte deed me denken aan de keren dat ik Eloi mee had geholpen met zijn ochtendwijk. Vooral tijdens tentamenweken vond ik dat hij wel wat hulp kon gebruiken. We namen allebei een stapel kranten op de arm en liepen zo in stilte langs de huizen. Ieder aan een andere kant van de straat. We waren een tweemansteam dat samenwerkte om de taak zo snel mogelijk te volbrengen. Onze voetstappen, het klepperen van brievenbussen, en boven ons de hemel die de donkerte langzaam van zich af liet glijden.

Thuisgekomen maakte ik warme thee met melk en keken we samen naar het ochtendjournaal. Het was tijdens één van die ochtenden dat Eloi me plotseling met grote ogen aan had gekeken. Alsof hij iets bedacht wat hij nog tegen me wilde zeggen. Op zijn rechterwang zat een inktveeg die tot over zijn neusvleugel liep. 

‘Thanks pap,’ zei hij toen. ‘Je bent de beste die ik kan wensen.’ Daarna stond hij op om me een knuffel te geven.

Terwijl Eloi boven onder de douche sprong, spoelde ik de vaat af die er nog stond van de vorige avond. Ik hoorde Sab de trap afsloffen en voelde hoe ze haar armen om me heen sloeg. ‘Goedemorgen, harde werker,’ fluisterde ze. Voor een buitenstaander was het waarschijnlijk niet eens waar te nemen, maar ik weet dat ik daar, met mijn vingers wroetend in het afvoerputje en Sab vertrouwd tegen me aan gedrukt, één van mijn gelukkigste ooit ervoer. Twee uur later werd ze bij Sloterdijk doodgereden door een taxi. Dat contrast laat me nog altijd huiveren.

Toen ik de straat in liep, zag ik de rood/blauwe lichten die over ons huis uitwaaierden. Overal plukjes mensen. De buurvrouw stond aan het einde van haar tuinpad en filmde met haar mobiel. Ze had een donkere ochtendjas aan die me wat aan de blote kant leek voor haar leeftijd. Toen zag ik pas waar iedereen naar stond te kijken. Onze voordeur stond open. Eloi was zojuist het huis uitgelopen, tussen twee agenten in, met zijn handen op zijn rug. Van een afstand keek ik toe hoe hij naar de auto werd geleid. Ik probeerde te bewegen, maar het voelde alsof ik moest losbreken uit cement. Hij werd met een lichte duw op de achterbank geplaatst, de agenten gingen voorin zitten. De koplampen ontstaken, waarna de auto stapvoets in mijn richting reed. Achteraf heb ik mijn reactie zeer kwalijk genomen. Waarom was ik niet op de motorkap gesprongen, waarom had ik het voorraam niet ingeslagen? Je zoon, man, ze nemen je zóón mee! Maar zo makkelijk was het niet. Op dat moment was ik afgestompt, niet meer dan een toeschouwer in mijn eigen leven, een geestesverschijning die kon schreeuwen en slaan wat hij wilde, maar nooit in staat zou zijn om maar een millimeter te wijzigen in de koers die het lot was ingeslagen. Het enige wat ik kon doen was toekijken, alsof niet Sab, maar ík degene was die ons van gener zijde gadesloeg. 

Ik deed een stap opzij, zodat de auto kon passeren. De agent achter het stuur stak als dank zijn wijsvinger naar me op. Ik draaide me om en keek ze na. Op de achterbank het gebogen achterhoofd van Eloi, waar alweer een stevige mat was gegroeid. Langzaam verdwenen ze uit het zicht. Ik schreeuwde en ik sloeg niet. Zie me, dacht ik alleen maar. Vind me in het donker en zie me nog even. 

 

Reacties

21-09-2017 20:27
Een lang verhaal maar zeer de moeite waard. Je (her)pakt de aandacht van de lezer op de juiste momenten. Bijvoorbeeld iets voor het midden met de zin: 'Misschien kwam het door de jenever, of door de verse schaafwonden op Eloi's handen, maar hoe langer ik stond te kijken, hoe zekerder ik werd dat die ondefinieerbare schim achter het raam iemand met hele slechte bedoelingen was.'

Grappig ook om 'aangeschoten wild' in je verhaal tegen te komen, de titel van je debuutroman. Een bewuste verwijzing of toeval?
09-09-2017 10:03
Thanks Gerard!
09-09-2017 09:20
Indringend verhaal. Zie vlaggetjes.
Deze site wordt mede mogelijk gemaakt door
Volg ons via