‘Ben jij soms een hoer geweest, dame?’
De magere man, die vanuit de grote bruine fauteuil in de hoek naar buiten had zitten staren, draaide zich om. In zijn rechterhand hield hij een grote bel gevuld met rode wijn. Hij keek haar met zijn bijna te lichtgrijze, bijziende ogen indringend aan. Het oogwit en het grijs van de iris leken in elkaar over te lopen. ‘Waarom heb jij eigenlijk helemaal niets bereikt in je leven?’ Ze hoorde de scherpe ondertoon van zijn woorden en keek verbaasd op uit haar boek.
‘Nou vertel op jij! Hoe kan dat? 'Wat bedoel je nou ?' vroeg ze licht geïrriteerd. 'Als je het allemaal goed beschouwt, is het toch wel héél erg vreemd dat iemand van jouw leeftijd niets heeft, helemaal niets,’ sprak hij langzaam, terwijl hij haar bleef aanstaren.'En je naam, Elise, die past niet bij jou. Jij zou Marie of zo moeten heten.' Ze keek naar zijn smalle, pokdalige gezicht, haalde haar schouders op en richtte zich weer op de tekst.
'Ik heb het tegen jou hoor, dame. Ik wil nu wel eens weten hoe het zit met jou. En dat niets bereikt hebben. Geen bezit hebben, niets van waarde. Niet eens een fiets, want die heb ík voor jou gekocht! Die is niet eens van jou.’
Ze wilde hem antwoorden dat het helemaal niet zo moeilijk was, dat hij wel alles voor haar moest kopen, omdat zij het geld dat ze verdiende aan hem moest afstaan. Waarom was ze daar bij hun huwelijk eigenlijk mee akkoord gegaan? Verliefdheid is een ziekte, die een ziende blind maakt. En een arme ziende erg blind. Hij was zo attent geweest toen ze elkaar leerden kennen. Zo zacht. Hij had haar nooit geslagen. Nooit. Hij niet. Haar nooit gedwongen sex te hebben. Hij niet. Nee, dat had Jan nooit gedaan.
Zijn provocerende houding, zijn zelfvoldane blik, ze besloot dat ze het beter kon negeren. Zijn bloeddruk was veel te hoog, hij had suikerziekte en slikte daar dagelijks medicijnen voor. Drank en medicijnen, een ongelukkige combinatie. Dat wist hij ook, maar hij had er een sport van gemaakt tegen elk advies van anderen in te gaan. Vooral van diegenen, die hem niet op handen droegen, maar hem zagen als de persoon die hij in werkelijkheid was: een zieke man van middelbare leeftijd met weinig zelfcontrole.
Ze had gehoopt, dat de zeventien jaar psychotherapie hem meer inzicht in zichzelf zou hebben verschaft, maar het tegendeel bleek waar. Hoe langer in therapie, hoe steviger hij de touwtjes van zijn eigen illusie in stand moest houden. Hij torende ongekend boven iedereen uit naar eigen zeggen. Als het hem uitkwam, kon hij zich deemoedig voordoen. Maar ook dat werd altijd begeleid door een letterlijk ‘ach’ en ‘wee’ in of na elke zin. Alles was groots drama. Ze zuchtte. Wat moet dat vermoeiend zijn, al je energie te stoppen in het ophouden van je geschetste zelfbeeld.
'Hee, jij, hoor jij me niet. Dame Elise?.' Nee, ze had hem niet gehoord. Ze wilde hem helemaal niet meer horen. Zijn snerende toon werd scherper. Nu moest ze opletten. Ze werd altijd gewaarschuwd door dat kleine laatste woord, ‘dame’. Daarmee startte meestal een in drank verzopen nieuwe ronde vol vernederingen. ' Ja, ik hoor je wel, maar ik zit nu te lezen. Ik ben moe na een hele dag werken en heb op dit moment geen behoefte om met wie dan ook te praten. ' Ja maar wat jij wilt, doet er niet toe. Dame. Een dienaar is geen meester en een meester geen dienaar. Want, weet je, ik heb het zéér gefundeerde vermoeden dat jij niet goed bij je hoofd bent! Niet deugt. Je bent een stuk canaille!
Ze voelde een lichte drang om te glimlachen om dat woord 'gefundeerd'. Het was te zielig voor woorden. Hoe iemand, zo vervuld van zichzelf, geen enkele ruimte meer had voor een ander. Hij kon uitermate aimabel overkomen, maar kon ook net zo gemakkelijk achter de rug van mensen de meest snerende opmerkingen maken. ‘Gefundeerd’ was weinig meer dan een hol woord voor aannames en zelfinvulling.
‘Waarschijnlijk ben jij een hoer geweest, in Amsterdam of zo. Of nog erger, een drugsdealer of mensenhandelaar. Jouw kinderen deugen ook niet, en dat ligt aan jou. Want ken je het kind, ken je de ouder.’ Kinderen? Ze hadden helemaal geen kinderen! ‘Misschien ben jij wel een dief, een slet, een nietsnut, erger nog: een niémand! Iemand die ademt en beweegt, maar door niemand gezien wordt. Die genegeerd wordt als de zwervers op straat, de bedelaars.'
Hij ging steeds harder praten, terwijl hij zijn glas weer bijvulde. Uit zijn linker mondhoek liep een klein straaltje speeksel. Ze meende zich te herinneren een uur geleden drie lege flessen rode wijn op het aanrecht gezien te hebben. Die van gisteravond had ze vanochtend al naar de glasbak gebracht. Hij bracht nu van opwinding een soort vreemd hoog gekras voort. ' Gil niet zo Jan, ik hoor je wel. Pas op je kostbare stem, schat! Denk aan het koor, je komende auditie, je reputatie als gevierd klassiek zanger.' Zijn mond klapte dicht en met half toegeknepen ogen stond hij haar zwijgend aan te kijken.
Ze had een grote fout gemaakt wist ze. Haar toon was cynisch geworden. Nu moest ze oppassen. 'Wat is iemand als jij nu eigenlijk? Een waardeloos creatuur. Een onnozel schepsel, een ongekend dom iets. Ik zou eigenlijk handschoenen moeten dragen, als jij in mijn buurt bent., en een mondkapje. Om niet besmet te worden met een virus van ‘absoluut nutteloosheid’. C’ est incroyable! En daar zit ik dan mee opgescheept. Of... nee, eigenlijk niet. Nee, nee, corrigeer: alles hier is van mij, niets van jou. Dus als ik dat wil moet jij gewoon opsodemieteren. En snel ook. De straat op. Waar je vandaan gekomen bent en waar je thuishoort.'
De kleur van zijn ogen leek leisteengrijs. Zijn beide handen omklemden het wijnglas zo stevig, dat ze bang was dat het zou knappen. Ze keek naar het wit van zijn knokkels. 'Weet je, laten we hiermee ophouden, Jan. Laten we deze avond rustig doorbrengen. Morgen moet je weer gaan werken en het doet jou en je reputatie geen goed als je je moet afmelden en je collega’s weer gaan klagen bij je manager. Kom, ga zitten en laat die wijn staan. Veel drinken is niet goed voor je. Dat weet je zelf ook wel. Dat heeft de psychiater je al verschillende keren verteld.'
Hij keek haar verbijsterd aan en smeet plots het halfvolle glas wijn tegen de muur achter haar. Het liet een morbide afdruk achter, een monster met grijpende tentakels. Ze voelde wat van het vocht op haar arm terechtkomen. Iets scherps raakte haar wang. Had hij eigenlijk wel op de muur achter haar gemikt? Ze stond op en liep zwijgend, zonder de dronken man voor haar een blik waardig te keuren, naar de keuken. Ze keek in de kleine ronde spiegel, die aan de muur hing. Ze raakte het met haar vingertoppen de natte wang aan. Rode wijn.
In de woonkamer hoorde ze gestommel. ' O la, la'. De eerste tonen van het Requiem in d mineur van Mozart golfden door de kamer. ‘Wasn mziek, mooi mooi, gweldig mooi'. Hij probeerde de volumeknop nog hoger te draaien, maar die stond al in de hoogste stand. Alles in de kamer leek te daveren onder het geweld van de muziek. Ze liep terug naar de kamer.
Er sijpelde een straaltje slijm uit zijn mondhoeken zag ze, toen hij zich met een woeste blik in de ogen naar haar omdraaide. Hij had een kandelaar in zijn rechterhand en kwam op haar toelopen, terwijl hij nog steeds met wilde gebaren de muziek in banen trachtte te leiden. ' Leg neer, Jan, ga zitten. Houd op!' gilde ze. Ze liep naar de CD-speler, maar werd halverwege met een ruk aan haar arm tot stilstand gebracht. Hij had zijn nagels in het vel van haar onderarm gezet en hief dreigend de kandelaar boven zijn hoofd, terwijl hij haar grijnzend aanstaarde. ‘Laat me los, riep ze, ik ga die verdomde muziek stopzetten. Dat kabaal moet ophouden. Ik heb er genoeg van. Ik haat je, ik haat je, opgeblazen malloot. Ik heb genoeg van je fratsen, van je pedante zelfoverschatting. Windbuil, idioot. Ik schaam me kapot voor je. Dronken maniak. Laat me los, laat me los zeg ik je!' Ze gaf de dronken man een duw, waarin ze al haar frustratie had verpakt.
Wat er daarna precies gebeurde, ging te snel om het zich later nog in detail te kunnen herinneren. Ineens was er niets meer. Geen muziek, geen gegil en geen grijze ogen meer. Alleen nog zij, die als versteend naar de grond stond te staren, waar de man in een plas rood vocht lag. Hoelang had ze hier staan staren?
Ze kwam bij haar positieven door de scherpe hoofdpijn die als een moker tegen de binnenkant van haar schedel ramde. Ze bukte zich en doopte een vinger in de plas waarin de man lag. Wijn. Ze liep de kamer door naar de deur die toegang gaf tot de gang, liet het pruttelende lichaam liggen. Ze ging de trap op en stapte haar slaapkamer binnen. Zonder het licht aan te doen, ging ze gekleed op het bed liggen.
Ze sloot haar ogen en neuriede Für Elise.
‘Ben jij soms een hoer geweest, dame?’
‘Waarom heb jij eigenlijk helemaal niets bereikt in je leven?’ De scherpe ondertoon van zijn woorden deed haar verbaasd opkijken uit het boek dat ze aan het lezen was. Hij stond voor haar met een glas rode wijn in zijn rechterhand en zijn bijna te lichtgrijze bijziende ogen priemden in haar richting. ‘Nou vertel op jij! Hoe kan dat? 'Wat bedoel je nou ?' vroeg ze licht geïrriteerd. 'Als je het allemaal goed beschouwt, is het toch wel héél erg vreemd dat iemand van jouw leeftijd niets heeft, helemaal niets,’ sprak hij langzaam, terwijl hij haar bleef aanstaren.'En je naam, Elise, die past niet bij jou. Jij zou Marie of zo moeten heten.'
Ze keek naar zijn smalle, pokdalige gezicht, haalde haar schouders op en richtte zich weer op de tekst voor haar. 'Ik heb het tegen jou hoor, dame. Ik wil nu wel eens weten hoe het zit met jou. En dat niets bereikt hebben. Geen bezit hebben, nies van waarde. Niet eens een fiets, want die heb ík voor jou gekocht! Stel je voor. Te vreemd voor woorden toch?' Ze wilde hem antwoorden dat het helemaal niet zo moeilijk was, dat hij wel alles voor haar moest kopen, omdat zij alle geld dat ze verdiende aan hem moest afstaan. Hij bepaalde wat er wel of niet met dat geld gedaan werd. Zijn provocerende houding, zijn zelfvoldane blik, ze besloot het te negeren.
Zijn bloeddruk was veel te hoog, hij had suikerziekte en slikte daar dagelijks medicijnen voor. Drank en medicijnen, een ongelukkige combinatie. Dat wist hij ook, maar hij leek er altijd genoegen in te scheppen tegen elk advies van anderen in te gaan. Vooral van diegenen, die hem niet op handen droegen, maar hem zagen als de persoon die hij in werkelijkheid was: een zieke man van middelbare leeftijd met weinig zelfcontrole. ‘Wat denken die lui wel? Ik bepaal zelf wel wat ik wel en niet mag en kan. Bah, regeltjeslui, die door een pseudo-status een ander wat menen te kunnen opleggen.’
Ze had gehoopt, dat de zeventien jaar psychotherapie hem meer inzicht in zichzelf zou hebben verschaft, maar het tegendeel bleek waar. Hoe langer in therapie, hoe steviger hij de touwtjes van zijn eigen illusie in stand moest houden. Volgens hem torende hij ongekend boven iedereen uit. Als het hem uitkwam, kon hij zich verdreven deemoedig voordoen. Maar ook dat werd altijd begeleid door een letterlijk ‘ach’ en ‘wee’ in of na elke zin. Alles was groots drama. Ze zuchtte. Wat moet dat vermoeiend zijn, al je energie te stoppen in het ophouden van je geschetste zelfbeeld.
'Hee, jij, hoor jij me niet. Dame Elise?.' Nee, ze had hem niet gehoord. Wat nu weer? Ze wilde hem helemaal niet meer horen. Zijn snerende toon werd scherper. Nu moest ze opletten. Ze werd altijd gewaarschuwd door dat kleine laatste woord, ‘dame’. Daarmee startte meestal een in drank verzopen nieuwe ronde vol vernederingen. ' Ja, ik hoor je wel, maar ik zit nu te lezen. Ik ben moe na een hele dag werken en heb op dit moment geen behoefte om met wie dan ook te praten. ' Ja maar wat jij wilt, doet er niet toe. Dame. Een dienaar is geen meester en een meester geen dienaar. Want, weet je, ik heb het zéér gefundeerde vermoeden dat jij niet goed bij je hoofd bent! Niet deugt. Je bent een stuk canaille!
Het proces van provoceren was weer gestart. Ze voelde een lichte drang om te glimlachen om dat woord 'gefundeerd'. Het was te zielig voor woorden. Hoe iemand, zo vervuld van zichzelf, geen enkele ruimte meer had voor een ander. Hij kon uitermate aimabel overkomen, maar kon ook net zo gemakkelijk achter de rug van mensen de meest snerende opmerkingen maken. ‘Gefundeerd’ was weinig meer dan een hol woord voor aannames en zelfinvulling
‘Waarschijnlijk ben jij een hoer geweest, in Amsterdam of zo. Of nog erger, een drugsdealer of mensenhandelaar. Jouw kinderen deugen ook niet, en dat ligt aan jou. Want ken je het kind, ken je de ouder.’ Kinderen? Ze hadden helemaal geen kinderen! ‘Misschien ben jij wel een dief, een slet, een nietsnut, erger nog: een niémand! Iemand die ademt en beweegt, maar door niemand gezien wordt. Die genegeerd wordt als de zwervers op straat, de bedelaars.'
Hij ging steeds harder praten, tussendoor zijn wijnglas bijvullend. Uit zijn linker mondhoek liep een klein straaltje speeksel. Ze meende zich te herinneren dat ze een uur geleden drie lege flessen rode wijn op het aanrecht had zien staan. Die van gisteravond had ze vanochtend al naar de glasbak gebracht. Hij bracht nu van opwinding een soort vreemd hoog gekras voort. ' Gil niet zo, ik hoor je wel. Pas op je kostbare stem, schat! Denk aan het koor, je komende auditie, je reputatie als gevierd klassiek zanger.' Zijn mond klapte dicht en met half toegeknepen ogen stond hij haar zwijgend aan te kijken.
Ze had een grote fout gemaakt wist ze. Haar toon was cynisch geworden. Nu moest ze oppassen. 'Wat is iemand als jij nu eigenlijk? Een waardeloos creatuur. Een onnozel schepsel, een ongekend dom iets. Ik zou eigenlijk handschoenen moeten dragen, als jij in mijn buurt bent., en een mondkapje. Om niet besmet te worden met een virus van ‘absoluut nutteloosheid’. Mensen als jij zouden ze moeten opsluiten en de sleutel voor altijd weggooien. Jeetje, wat een malheur. C’ est incroyable! En daar zit ik dan mee opgescheept. Of... nee, eigenlijk niet. Nee, nee, corrigeer: alles hier is van mij, niets van jou. Dus als ik dat wil moet jij gewoon opsodemieteren. En snel ook. De straat op. Waar je vandaan gekomen bent en waar je thuishoort.'
Het grijs van zijn ogen was donkerder geworden. Zijn beide handen omklemden het wijnglas zo stevig, dat ze bang was dat het zou knappen. Ze keek naar het wit van zijn knokkels. 'Weet je, laten we hiermee ophouden, Jan. Laten we deze avond rustig doorbrengen. Morgen moet je weer gaan werken en het doet jou en je reputatie geen goed als je je moet afmelden en je collega’s weer gaan klagen bij je manager. Kom, ga zitten en laat die wijn staan. Veel drinken is niet goed voor je. Dat weet je zelf ook wel. Dat heeft de psychiater je al verschillende keren verteld.' Hij keek haar verbijsterd aan en smeet plots het halfvolle glas rode wijn tegen de muur achter haar. Het liet een morbide afdruk achter, een rood monster met grijpende tentakels van rood dat op bloed leek.
Ze voelde wat van het vocht op haar arm terechtkomen. Iets scherps raakte haar wang. Had hij eigenlijk wel op de muur achter haar gemikt? Ze stond op en liep zwijgend, zonder de dronken man voor haar een blik waardig te keuren, naar de keuken. Ze keek in de kleine ronde spiegel, die aan de muur hing. Er zat vochtigs rood op haar wang. Ze raakte het met haar vingertoppen aan. Geen bloed. Rode wijn.
In de woonkamer hoorde ze gestommel. Hij had een CD uit het wandrek gehaald en wilde die in de CD-speler stoppen. Dronken als hij was, lukte dat niet direct. 'Aha, het gaat het. Zie je wel’. ' Luister hier maar eens naar, misschien leer je nog wat! Domme gans. En bek houden als de muziek begint, begrepen?' Zijn gezicht was vertrokken in een verwrongen lachstuip. ' O la, la'. Hij verloor bijna zijn evenwicht. ‘Christus nog aan toe’. Hij kon zich nog net staande houden aan de muur en schommelde als een clowntje op een bal heen en weer. De eerste tonen van het Requiem in d mineur van Mozart golfden door de ruimte van de kamer. 'Aeternam et Hostias. Meeserlijk. Eeuwig rst. Eeuwig Levn. Lef. Dat is alles, meer niet. Gweldig, KV 626. Wasn mziek, mooi mooi, gweldig mooi'. Hij probeerde de volumeknop nog hoger te draaien, maar die stond al in de hoogste stand. Alles in de kamer leek te daveren onder het geweld van de muziek.
Er sijpelde een straaltje slijm uit zijn beide mondhoeken zag ze, toen hij zich met een woeste blik in de ogen naar haar omkeerde. Hij had een kandelaar in zijn rechterhand en kwam op haar toelopen, terwijl hij nog steeds met wilde gebaren de muziek in banen trachtte te leiden. ' Leg neer, ga zitten. Houd op!' gilde ze. Ze liep naar de CD-speler, maar werd halverwege met een ruk aan haar arm tot stilstand gebracht. Hij had zijn nagels in het vel van haar onderarm gezet en hief dreigend de kandelaar boven zijn hoofd, terwijl hij haar grijnzend aanstaarde. ‘Laat me los, riep ze, ik ga die verdomde muziek stopzetten. Dat kabaal moet ophouden. Ik heb er genoeg van. Ik haat je, ik haat je, opgeblazen malloot. Ik heb genoeg van je fratsen, van je pedante zelfoverschatting. Windbuil, idioot. Ik schaam me kapot voor je. Dronken maniak. Laat me los, laat me los zeg ik je!' Met al haar kracht duwde ze de dronken man van zich af.
Wat er daarna precies gebeurde, ging te snel om het zich later nog in detail te kunnen herinneren. De muziek schalde harder en harder, het ritme ging sneller en sneller en toen was er ineens niets meer. Behalve zij, die als versteend naar de grond stond te staren, waar hij in een plas rood vocht lag. Hoelang stond ze hier al te staren? Ze kwam bij haar positieven door de scherpe hoofdpijn die als een moker tegen de binnenkant van haar schedel ramde. Het enige dat ze op dat moment wist te doen was zich voorover te buigen en haar vinger in het rode vocht te dopen en die daarna naar haar mond te brengen. Ze liep de kamer door naar de deur die toegang gaf tot de gang, stapte over het pruttelende lichaam heen zonder het één blik waardig te keuren. Ze ging de trap op en stapte haar slaapkamer binnen. Zonder het licht aan te doen, ging ze gekleed op het bed liggen.
Ze sloot haar ogen en neuriede ‘Für Elise’.