Ik geloof niet dat het leven in een paar zinnen samengevat kan worden, laat staan in een enkele, maar dat we hoppen van ontluistering naar ontluistering vind ik persoonlijk wel een aardige. Zo had ik als adolescent het stellige idee dat muziek wis en waarachtig was. Eigenlijk was het leven simpel: op je elfde was er slechts het onderscheid tussen muziek en geen muziek, op je twaalfde begon je te differentiëren en deelde je muziek in tussen leuke en niet-leuke muziek. En ergens op je dertiende of veertiende, toen muziek echt belangrijk voor je begon te worden, zag je opnieuw het licht toen een oudere schooljongen met enige stemverheffing uitriep: “Ja maar dàt is commerciële muziek!” Een moeilijke term die klonk als een rond verkeersbord met een rood randje. Voor het eerst besefte ik dat ik me in een kring bevond die het niet had op commerciële muziek, wat dat ook was. Op zich klonk het onderscheid goed. Volwassen. Aangezien niemand verdere uitleg gaf was je gedwongen hier zelf invulling aan te geven. Aanvankelijk leek commerciële muziek muziek die hoog in de hitparade stond en niet-commerciële muziek de muziek die de hitparade niet haalde. Later brachten we nuances aan en sloop de ingewikkeldheid van de wereld toch weer ons leven binnen: commerciële muziek was muziek die voor de hitparade bedoeld was, ongeacht of deze de hitparade haalde of niet. En andersom was het ook mogelijk dat niet-commerciële muziek de hitparade haalde. Dat laatste was kennelijk te danken aan mensen zoals wij - want het moge duidelijk zijn: mijn schoolvrienden en ik waren van de niet-commerciële muziek. Wij waren van de kwaliteit. Eigenlijk waren wij muzikanten zonder instrument. Op mijn vijftiende vond ik de tipparade interessanter dan de hitparade. Daar vond je curieuze platen die kans liepen de hitparade niet te halen en na twee keer draaien op de radio in vergetelheid raakten. Songs als Silly Girl van No Dice, Hurricane Room van The Blessing en I’m a Man van Jobriath, de voorbestemde nieuwe Bowie. Van Bowie ging enkel het gerucht, maar Jobriath schreeuwde van de daken dat hij homo was. Dat was best wel eng. En op Toppop verscheen een tipclip waarin hij aan het eind ogenschijnlijk uit de kleren ging. Iedereen wilde wel weten hoe het afliep, maar slechts weinigen wilden de single kopen. Na een week in de onderste regionen te hebben vertoefd verdween ook hij in het Moeras van het Grote Niets. Ik tape-te me suf met mijn cassettedeck, en tientallen jaren na dato ben ik nog steeds bezig de digitale variant van sommige nummers op te zoeken.
Plaatjes draaien met vrienden op zolderkamers was een serieuze aangelegenheid. Het bleef overigens niet alleen bij afspelen: we beklopten de platen, hielden ze tegen het licht, bestudeerden de hoes, lazen het inlegvel met teksten, speelden singeltjes af op 33 toeren - en 16 als de pick-up daartoe in staat was, en zelfs met de vinger achterstevoren, al dan niet op zoek naar verborgen boodschappen. Langzaam werden we ook alert op dwarsverbanden tussen producers en andere muzikanten. Zo kwam je van de Doobie Brothers via Michael McDonald op Steely Dan of via diezelfde Doobie Brothers en producer Ted Templeman op Bonnie Raitt. Nu ik erover nadenk geloof ik dat ik mijn vrienden koos op grond van eenzelfde kijk op muziek – wat overigens iets anders is dan het hebben van eenzelfde muzieksmaak. Natuurlijk waren er talloze bands (Queen, Eagles, Supertramp, David Bowie, ELO, enzovoort) die bewezen dat artistiek en succesvol niet haaks op elkaar hoefden te staan, maar in principe bleef ‘commercieel’ toch wel een vies woord. Het betekende dat er buiten onze school mensen rondliepen die meenden te weten wat wij dachten en leuk vonden, en als iets een allergie opriep was dat het wel. Niemand had het recht om in ons hoofd te kruipen. Natuurlijk hadden we ook onze jeugdzonden: Slade, Mud en The Sweet waren dan wel commercieel maar ook erg lekker. Je polste wel eens of een bepaalde band de goedkeuring kon wegdragen, en dat was lang niet altijd het geval. Bij afwijzing was niet zo dat niet dat je die muziek voor jezelf in de ban deed, maar je liep er dan niet langer mee te koop en begon dan gauw over de nieuwe Pink Floyd, Talktalk of Jefferson Starship. Alleen echt fout zat ik met Katapult, Middle of the Road en the Osmonds, verder was er weinig waarvoor ik me hoefde te schamen. Zelf trok ik ook een zekere streep, bijvoorbeeld bij ABBA, Smokie, Racey en die bonte stoet aan in elkaar geknutselde meidengroepen zoals de Dolly Dots. Bovendien, zo heel erg was ‘commercieel’ ook weer niet. Het waren gewoon twee gescheiden werelden, zolang de liefde voor muziek maar het uitgangspunt bleef was er weinig aan de hand. De dijkdoorbraak aan de discomuziek in 1978 zette de zaak wel op scherp, maar mijn redding was een muziekbibliotheek waarin ik kon onderduiken en talloze ontdekkingen deed zoals Nick Drake, Kevin Coyne en Captain Beefheart.
Maar in 1981 werd een grens overschreden, en na de ontmaskering van Sinterklaas en de ontdekking dat mijn ouders ‘het’ met elkaar deden, was ik opnieuw een illusie armer. Viola Wills, die daarvoor nog een alleraardigst hitje had met Gonna Get Along Without You Now vergreep zich in een panische zoektocht naar een nieuwe hit aan het nummer If you Could Read My Mind van Gordon Lightfoot, een van de allergevoeligste liefdesballades ooit. Tot dan toe dacht ik dat er onder artiesten zo iets bestond als een onuitgesproken muzikaal moreel besef. Aan sommige nummers kwam je niet, tenzij je de intentie van het nummer volledig begrepen had en onderschreef en het gevoel had aan de eerdere opname iets te kunnen toevoegen. With A Little Help From My Friends van Joe cocker was er zo een. Killing Me Softly With His Song van Roberta Flack was een ander. Viola Wills pleegde in mijn ogen heiligschennis. Ze smeerde discosaus over Lightfoots poëzie alsof ze over een bruidstaart kotste. Ze afficheerde zich als eerste openlijke muziekhoer, en geen Tros-dj die haar daarop afrekende. Ik verwachtte dat het publiek wel korte metten zou maken, maar het omgekeerde gebeurde: het werd een grote hit. Een klassieker zelfs. De ontgoocheling was groot. Nog steeds als haar versie voorbij komt vallen mijn haren uit. Helaas zette zij met haar schaamteloosheid nog een trend ook. Sindsdien is niets heilig meer. Rappers die op eigen kracht tot niks in staat zijn en dus Stevie Wonders Pastime Paradise verkrachten, of een Jan Smit die Leonard Cohens Hallelujah (bedoeld voor zangers van het kaliber Jeff Buckley) best wel een geinig nummer vindt. Hoe luiden Luceberts wijze woorden ook alweer? Alles van waarde is weerloos. Juist ja. Was er maar een muzikale rechtbank. Viola in een door ratten besnuffelde kerker. Om dat verschrikkelijke mens het nog eens in te peperen: Johnny Cash, met een been in het graf, liet in 2006 zien hoe het wel moet. Je kon het verschil horen: Viola hield van haar kuttenlikkertje, Cash hield van zijn vrouw.





