De deur valt achter mij in het slot. Het is vroeg en dus nog donker. Bij het opstaan gebruikte ik mijn verkeerde been waardoor ik struikelde en plat op mijn gezicht viel. Buiten is het koud. Het regent, wat mij overigens niet verbaasd. Het is mijn dag niet vandaag, dat was mij allang duidelijk. Ik slenter rustig richting het station terwijl ik door wat bandjes scroll waaruit ik vervolgens een keuze weet te maken. Thom York begint te pingelen en in de verte doemen de contouren van het station op. De mensenmassa waarin ik mij weldra zal bevinden krioelt als een kolonie vleugeloze, vreugdeloze insecten. Er wordt niet veel gezegd maar wel sjag gerold. De rook die boven de hoofden uitstijgt lijkt bij te dragen aan de bewolking.
Voor de stationshal staan twee gedaantes. De één blijkt een vrolijke, gezette reus met walrussnor, de ander een norse vrouw van middelbare leeftijd. Ze reiken mij beide een ochtendkrantje aan die ik zwijgzaam aannneem. De kranten zijn warm, waarschijnlijk net gedrukt of vol met heet nieuws. De lucht van verse broodjes en warme dranken drijft mij naar het perron.
Daar aangekomen blijkt mijn trein een kwartier vertraging te hebben. Ik vloek, maar dat helpt natuurlijk geen ene zier. Chagrijnig begin ik een sigaret te rollen. Het vlammetje van mijn aansteker likt even later gretig aan de lichte tabak.
Zo’n twintig minuten later zit ik tegenover een man. Hij ruikt nogal, wat mij irriteert. Ik bijt hem een cynisch 'je wordt bedankt' toe. 'Graag gedaan' antwoordt hij enigszins verbaasd. Ik draai mijn hoofd en staar uit het raam. Buiten zie ik de zon opkomen terwijl Spinvis zachtjes in mijn oren murmelt. Er zijn behoorlijk wat vogels in de lucht. Ze lijken de zon omhoog te slepen met ontzichbare lijnen. Waarschijnlijk visdraad, want dat is stevig. Ik betrap mijzelf op een glimlach. Ik dommel in slaap. De trein laat het spoor achter.
Als ik wakker word blijk ik mijn bestemming gemist te hebben. Ik besluit bij het eerstvolgende station uit te stappen en de langste treinrit te nemen die ik kan vinden. Even later ben ik onderweg naar Heerenveen, met tegenover mij een meisje met prachtig bruine ogen. We praten wat. Zij blijkt rechten te studeren maar zou het waarschijnlijk niet met Eva Jineck doen. Beatrix vindt ze een tragische vrouw, opgesloten in weelde en beperkt in de vrijheid te dragen wat zij wil. Ik knik instemmend terwijl zij haar hoofddoekje rechttrekt en knipoogt. Als de trein tot stilstand komt stapt zij uit. Ik blijf zitten en besluit in Amsterdam over te stappen, Heerenveen ligt inmiddels een aantal kilometers en uren achter mij. De volgende trein laat nog even op zich wachten dus verlaat ik het station om Amsterdam gedag te kunnen zeggen. Ik word begeleid door de zwoele stem van Selah die al snel het woord geeft aan een Vlaams bandje waarvan ik niet op de naam kan komen. Ik kijk naar de stad, geef haar een groet en begeef me weer richting het perron.
Daar blijkt dat de NS mij een kwartiertje extra tijd geeft waardoor ik nog mooi een sigaret kan roken in de warme winterzon. Ik zit op de grond, naast de rookpaal die gezellig meerookt. Even later ben ik weer in de trein. In de coupé zit een vrouw die op de Freek de Jonge lijkt, wat even schrikken is. Als de trein vertrekt komt er een meisje het perron opgehold. Ze lijkt boos. Ik zwaai naar haar en zij zwaait hijgend terug, haar ogen twinkelen volgens mij. Verderop in de coupé geeft een geïrriteerde kerel twee bakvisjes een grove uitbrander. In de hoeken van de coupé liggen verfrommelde krantjes vol met oud nieuws. Ik glimlach en staar naar buiten terwijl Beck zijn laatste noot zingt.






